Zo zal ik nooit naar de hoeren gaan

Zo zal ik nooit naar de hoeren gaan

Maar weinig dichters hebben zo’n vleselijke charme als Gerrit Krol. Zoals hij over ‘de blote kont van een vrouw’ kan schrijven, “de blote kont van een vrouw in je armen,/je eigen vrouw bijvoorbeeld”, zo zijn er maar weinig.

Het lijkt flauw om de dichter uit Oudemolen daar plompverloren mee lastig te vallen, maar het is Krol zelf die zijn nieuwe bundel ’t Komt allemaal goed opent met een vers waarin hij heel plastisch meedeelt dat zo’n buitenlandse señorita maar niets is. Waarna hij twee van de meest Krollerige regeltjes schrijft: “Want ik houd niet van mensen die ik niet ken./Zo zal ik nooit naar de hoeren gaan.”

Dat is heel charmant en heel, nou ja, vlezig. Gerrit Krol betoont zich een mensenschuwe man die best naar de hoeren zou willen gaan als hij maar wat makkelijker onder vreemden zou kunnen verkeren. Dat is ontwapenend naïef. Natuurlijk zijn er allerlei redenen waarom bezoek aan een prostituee niet overwogen zou moeten worden, maar die doen er niet toe. Krol – we gaan er hier maar vanuit dat hij samenvalt met zijn hoofdpersoon – houdt niet van vreemden. Dat is alles. “Ik ken alleen mensen die ik ken”, luidt de afwerende cirkelredenering.

Krols denken herinnert soms aan Jan Arends, de dichter van de ‘gek’ Keefman. Of aan de redeneerwellust van een andere psychiatrische patiënt, JMA Biesheuvel. Niet dat Krol gek is, of gek doet, integendeel. Maar zijn toon is zo onaangepast dat je onwillekeurig naar de dichter als naar een ‘cliënt’ gaat kijken. En misschien nog wel het meest omdat Krol in deze gedichten soms een bijna kinderlijke wereld optrekt met een eigen samenhang, een wereld waarbuiten niets anders bestaat.

Om heel precies en heel geestig te zeggen wat eigenlijk niet gezegd kan worden. In het lange gedicht Wat drijft de mens? probeert Krol het in een vederlichte redeneertrant, manoeuvrerend als een fietser op de Vismarkt. Hij zwenkt van de ene wetenschapper naar de volgende ontdekking. Over luchtdruk gaat het, en de verbrandingsmotor en over de vraag waarom de Chinezen het allemaal niet veel eerder hebben uitgevonden dan wij:

Chinezen zijn in het algemeen

vandaag niet verder dan gisteren.
Een Chinees loopt filosofisch gesproken
even makkelijk van A naar B als van B naar A.
Hun waarheid is meestal niet meer dan de weg ernaartoe,

een elegante opvatting van het leven – die ik deel, maar die
technisch gesproken geen zoden aan de dijk zet.”

Krol is het sterkst in zijn aforismen. Zo zegt hij ergens: “Dat geeft een gedicht maar zelden:/het gevoel dat het iets mist.” Of: “Je eigen dood, je hebt er geen kijk op.”

Het is doodleuk – precies dat. En het is een geweldig excuus om naast de nieuwe gedichten de Krolwijzer te leggen, een zopas verschenen overzicht van 369 verbluffende citaten uit het oeuvre van Krol, samengesteld door Kenneth van der Zijl. Die spreukdrang van Krol, de neiging om in sluitende formules te praten (“Liefde is vooruitzien”), maakt dat je bijna de juweeltjes van poëzie over het hoofd zou zien.

Het gedicht Weerzien bijvoorbeeld, over zijn overleden ouders. Of Gezelschap, over de ‘verschijningen’ waarvan hij door zijn ziekte last heeft. Met die laatste, doodleuke regel: ‘Ze doen maar’.

”t Komt allemaal goed’ en ‘Krolwijzer’, Querido.