Henk Blanken

Print Friendly, PDF & Email

Het aangekondigde einde van de burgerjournalistiek

11 juli 2006 Geen categorie 2

Sommige bewegingen hebben hun naam niet mee. Burgerjournalistiek is er een. Goed bedoeld, inmiddeld breed in gebruik, vooral in het Engelse citizen journalism, maar bij ons in Holland nooit echt lekker kunnen bekken. Dat komt een beetje van de spruitjeslucht, de associatie met vroeger tijden, toen je nog ‘burgers’ had naast ‘veldwachters’ en andere overheidsdienaren. Burgerjournalistiek klinkt, nou ja, zo burgerlijk.

Bij gebrek aan beter en zolang de naam nuttig is om uit te leggen dat er een andere vorm van journalistiek in opkomst is naast de professionele journalistiek, blijf ik niettemin van burgerjournalistiek spreken. Zo gaat dat met een emancipatorische beweging: die moet het hebben van een simpele boodschap en een glasheldere slogan. Dolle Mina was achteraf bezien ook niet de meest afgewogen naam voor een vrouwenbeweging.

Toch zal het niet duren. Vanwege dat oubollige, maar ook omdat de werkelijkheid complexer wordt en de tegenstelling tussen burger- en gewone journalistiek geleidelijk zal verdwijnen. Nu illustreert de nomenclatuur nog de clash tussen oude en nieuwe media, maar binnen enkele jaren zal dat gevecht voorbij zijn, en ja, de nieuwe media winnen. Tegen die tijd zal de oude journalistiek de nieuwe hebben geincorporeerd, en ontstaat wat Jeff Jarvis networked journalism noemt.

Jarvis benadrukt met die term dat professionals en amateurs steeds meer samen informatie verzamelen. Bovendien gaat het nu niet langer over de maker, maar over het product. Allengs minder gaat het om de vraag wie de informatie verzamelt, en meer over de vraag hoe dat gebeurt:

In networked journalism, the public can get involved in a story before it is reported, contributing facts, questions, and suggestions. The journalists can rely on the public to help report the story; we’ll see more and more of that, I trust.

Netwerk-journalistiek sluit wat mij betreft geen andere vormen van journalistiek uit. Het is geen doel in zichzelf, geen staat van heiligheid die we met zijn allen zouden moeten bereiken. Maar ik denk wel dat het de genetisch betere aap is, de vorm die boven zal komen dobberen, omdat ze “beter” is, betrouwbaarder informatie garandeert, en meer gehoor zal vinden bij een generatie nieuwsconsumenten die niet anders verlangt dan dat ze mee mogen doen.

Daarmee bedoel ik ook te zeggen dat de term “publieke conversaties”, die Dick van Eijk graag wil reserveren voor wat tot dusver burgerjournalistiek heet, mij te braaf is, te weinig urgent, te gezellig, te – nou ja – burgerlijk. Ik weet wel dat Van Eijk er niets denigrerends mee beoogt, maar zelf word ik niet nerveus van publieke conversaties. Van journalistiek die uit een netwerk voortkomt, en die kan putten uit wisdom of crowds, raak ik opgewondener.

We zijn niet alleen

Op De Nieuwe Reporter heeft journalist Erik van Heeswijk een belangrijk punt toegevoegd aan de discussie over de betekenis van burgerjournalistiek: wij, journalisten, zijn niet alleen. Er zijn nog andere spelers die de mediaconsument van informatie willen voorzien, en ze hebben hun eigen doel. Zie hoe intelligent grote producenten als Heineken van het net gebruik maken amusement, een soort van nieuws, en een commerciele boodschap op een nieuwe manier te verpakken. Dat deden ze vroeger niet: toen kocht de bierbrouwer een billboard en een pagina in een tijdschrift en wist je dat heerlijk helder een reclameboodschap was.

De grenzen tussen redactie en commercie, tussen journalistiek en de rest, zijn aan het vervagen, en ik vermoed dat op de korte termijn de invloed daarvan op het geinformeerd zijn van “burgers” wel eens groter zal kunnen zijn dan de invloed van “burgerjournalistiek”.

Op wat langere termijn komt het wel goed met de samenleving&haar informatie. Niet dat ik het kan bewijzen, maar het zou mij niet verbazen als de generatie die nu met internet opgroeit – generatie Einstein of Gen-Z – veel behendiger en intuitiever omgaat met de information overload dan wij, veertigers en ouder. Uit het voortreffelijke onderzoek van Irene Costera Meijer haal ik de hoop dat “jongeren” dondersgoed weten wat feit is en wat fictie, wat echt nieuws is en wat “lekker” nieuws – en waarschijnlijk ook wat “gekleurde”, want commerciele informatie is en wat onafhankelijk en ongefilterd.

Dit vermoeden lijkt me het vermelden waard, omdat het ook het perspectief verplaatst, van de informatiemakers – journalisten dan wel voorlichters – en de informatiedragers – kranten, het web – naar de informatieconsumenten. Kijk naar hun gedrag, zie wat ze doen, lezen, beluisteren, en vraag je dan nog eens opnieuw af welke functie de journalistiek heeft en zal hebben als we er niet in slagen de jongere lezers te boeien – in de zin van: vasthouden – met verhalen die ze willen horen.

[Het laatste deel van deze post staat ook als reactie op De Nieuwe Reporter en is hier opgenomen om op deze plaats het overzicht te behouden]

Reacties zijn gesloten.