Feiten, filters en fouten

M

eer dan de helft van wat Britse kwaliteitskranten schrijven, bestaat uit ongecheckte berichten van persbureaus en pr-bedrijven. Schrijft Nick Davies in Flat Earth News. We hebben geen tijd om feiten te controleren omdat we met zijn allen achter Amy Winehouse aanhollen, met steeds minder journalisten steeds meer papier volpompen, en door internet worden gedwongen steeds haastiger onvolledig nieuws af te scheiden.

Vrolijk word je niet van Davies. Zijn kritiek is even splijtend als een pass van Beckham in zijn beste dagen. En dan komen Jeff Jarvis en Clay Shirky, twee van de beste Amerikaanse mediabloggers, met hun stelling dat nieuws geen product is maar een proces en dat je de feiten eerst moet publiceren en pas daarna moet (laten) filteren.

Jarvis wijst op berichtgeving in The New York Times. Dat wil zeggen: op nytimes.com. Gisteren viel een kraan op een gebouw en volgens de eerste berichten was er een dode, de kraanmachinist. Aanvullende berichten spraken van een gewonde, maar voordat die waren bevestigd, meldde een Times-blogger al dat er twee doden waren.

De post van de Times-blogger liep rechtstreeks de Times-site op. Daar kwam geen redacteur aan te pas, of hooguit heel even eentje. Die werkwijze staat haaks op de normale gang van zaken bij Amerikaanse kranten, en zeker bij The New York Times. Tegenover elke verslaggever staat tenminste een handvol redacteuren die nalezen, feiten controleren, indelen, eindredigeren, nog eens nalezen, et cetera.

In de Nederlandse pers, die minder hinderlijk wordt achtervolgd door no cure no pay-advocaten, ligt de verhouding tussen verslaggevers en redacteuren (een verwarrende term overigens: bij de meeste kranten mogen verslaggevers ook redacteur op hun visitekaartje zetten), heel anders. Ik schat dat regionale kranten twee verslaggevers op elke redacteur hebben. Bij landelijke kranten, die niet op de GPD kunnen terugvallen als leverancier van verhalen uit binnen- en buitenland maar zelf selecties maken uit nationale en internationale persbureaus en eigen correspondenten hebben, zal de verhouding ongeveer omgekeerd zijn: twee redacteuren op elke verslaggever.

In alle gevallen, daar heeft Davies gelijk aan, staat de productie van nieuws onder druk. En komen we minder toe aan de basistaak van journalisten: zo goed mogelijk de waarheid vertellen. Als dat zo is, suggereert Jarvis, moet je misschien niet meer altijd de hele waarheid willen vertellen, maar een voorlopige. De laatst bekende feiten. De eerste ooggetuigenverslagen. En het dan aan het publiek overlaten om dat aan te vullen, te zuiveren, te filteren.

Zoiets wordt ook wel crowdsourcing genoemd. Dat collaboratieve proces werkt voor Wikipedia, maar ik weet nog niet zo zeker of het ook voor nieuws werkt. In theorie wel: radionieuws is dankzij zijn snelheid immers ook altijd voorlopig nieuws. En ik weet ook wel zeker dat kranten het steeds minder moeten hebben van eerstelijns, feitelijk nieuws. Achtergronden en duiding en commentaren worden steeds belangrijker, omdat iedereen de feiten toch al kent van Teletekst, internet en msn.

Maar als Shirky (publish first, filter later) gelijk heeft, waarom is dat boek van Davies dan zo geweldig verontrustend?

Stem of voeg toe aan :

1 Trackbacks & Pingbacks

  1. Wat moeten journalisten nog wel doen? « De nieuwe reporter

Leave a comment

Your email address will not be published.

*