Een oefening in verdwijnen

Een oefening in verdwijnen

‘Wat denkt u zelf’ vroeg de neuroloog vierenhalf jaar geleden aan schrijver/ journalist Henk Blanken. Om vervolgens het aarzelend uitgesproken antwoord te bevestigen. Blanken heeft de ziekte van Parkinson. Hij schreef er een boek over: Pistoolvinger. Een gesprek over de liefde, de dood en de schurende schoonheid van het verval.

Door Inki de Jonge, Dagblad van het Noorden

Henk Blanken plaatst thee op de keukentafel, richt zich op en wijst naar beneden. ,,Kijk.’’, zegt hij. ,,Dat been. Dat wil weg.’’ Hij zegt het met lichte geamuseerdheid, alsof hij het over iemand anders heeft, met een vreemd been dat zwervende bewegingen maakt. Maar het is zijn been, het doet alleen wat het zelf wil tegenwoordig. Net als zijn hoofd, dat heen en weer beweegt alsof hij in de stadsschouwburg zit en om een pilaar heen moet kijken om de voorstelling te zien. Net als zijn linker wijsvinger, die zich omhoog richtte. Een Pistoolvinger, heet dat.

Pistoolvinger is de titel van zijn boek, dat vanaf 8 november oktober in de winkel ligt. De subtitel: ‘Parkinson en de schoonheid van het verval.’ Want, zegt Blanken, zijn ziekte heeft ook een mooie kant. Een humoristische, bijna magische kant. Neem nou die term Pistoolvinger, zoiets bedenk je toch niet?

Een ding. Of nee: twee. Henk Blanken heeft de ziekte van Parkinson. En goed, hij heeft soms een humeurige ziel, een schommelend hoofd en een bang hart, maar hij is niet zielig. En hij is niet in de rouw. ,,Het zijn vooral de gezonde mensen die medelijden met me hebben. Maar de angst van gezonde mensen om ziek te worden is groter dan de angst van de zieke mens om nog zieker te worden.’’ Hij zegt: ,,Zal ik dat nog even langzaam voor je herhalen?’’ Hij leunt achterover met tevreden blik. Mooi citaat, zie je hem denken.

Maar ja, er is ook een andere kant aan ziek zijn, een kant hij in zijn boek het ‘lullige lijden’ noemt en dat zich vooral aandient op de momenten dat de medicijnen hun grip op hem verliezen. Hij beweegt zijn linkerhand naar het kopje op de tafel. Zijn hand glijdt erlangs.

,,Dit vastpakken, dat kost moeite.’’

Hij kijkt ernaar. Zijn linker wijsvinger, de Pistoolvinger die ooit omhoog stond, staat niet meer omhoog, maar beweegt licht. ,,Als ik hem op tafel laten liggen gaat hij trommelen. Die wijsvinger wil tikken. Alsof ik morsecodes verzend. Alsof hij wil schrijven. En dat is wat ik bedoel met de schoonheid van het verval. Ik ben God betere het schrijver, ik heb twee vingers waarmee ik tik, en wat doet mijn ene schrijfvinger? Naarmate ik zieker wordt wil hij schrijven. Sorry, maar ik vind dat mooi.’’

Het is de hand met ‘de vingers die verwrongen zijn als een vogelbekje dat hapt naar niets’, schrijft hij. Het is de hand die soms naast de toetsen tikt en daar in vereende kracht met zijn haperend geheugen een bijzonder soort tovertaal formuleert, waardoor het lijkt alsof een ‘indringer zich met zijn tekst bemoeit’. ,,De zon speelt vals binnen. Zo’n zinnetje. En dan denk je he? Wat leuk. Er moet staan‘de zon valt speels binnen’, maar dat is natuurlijk een buitengewoon stom cliché. Of ik schrijf: het vriest dat het kwaakt. Prachtig. Er zit iets speels in die ziekte. Dat maakt het licht. Als je voor de derde keer je telefoon uit je handen laat vallen, dan denk je niet meer van God wat erg, dan denk je: hoe krijg ik het voor mekaar. Soms denk ik dat ik meer gewonnen hebt dan verloren met mijn ziekte. En dat klinkt boud, maar ik ben niet de enige parkinsonpatiënt die dat zegt.’’

Dat verval mooi kan zijn, liet Sam Drukker hem zien. De schilder toonde hem een doek dat hij had gemaakt van de vier vrouwen op wier lichamen de zwaartekracht van de voortschrijdende tijd vat had gekregen. Er sprak trots uit hun houding. ,,Sam zei toen tegen mij: ‘dit gaat over de scheidslijn tussen schoonheid en aftakeling’. En toen zei ik tegen hem: ‘nee, dit is de schoonheid van de aftakeling zelf’. En dat moment is een van de kernideeën van een boek geworden. In de aftakeling zit schoonheid. Kijk maar. Dit is niet alleen maar lelijk. Dit is ook mooi.’’

Mensen die hem van vroeger kennen, zeggen: Henk, je bent veranderd. De ziekte heeft hem aardiger en opener gemaakt, zegt hij. ,,Maar belangrijkst is dat ik de vader ben geworden ik veel te lang niet ben geweest. Omdat ik tachtig uur in de week werkte, tot op het niveau dat het onfatsoenlijk was. Ik had weinig oor voor wat er in mijn kinderen omging.’’

Hij kenschetst zijn vroegere ik als ‘de typische mannelijke draufgänger’. ,,Niet altijd toegankelijk, een beetje bot, een beetje onbeholpen. Ik wist natuurlijk wel dat er iets niet helemaal goed zat tussen mij en de mensheid, en ik heb er ook niet echt onder geleden hoor. Verwacht van mij geen warme uitstraling. Ik ben ik, je doet het er maar mee. Zo was ik, en zo had men mij maar te nemen ook.’’

De carrièredruk smolt als sneeuw voor de zon. ,,Als je 34 jaar bezig bent met: ik wil beter worden, ik wil mijzelf verbeteren, ik wil daar waardering voor krijgen, ik wil applaus hebben. Ik moet, ik moet, ik moet. Als dat niet meer hoeft, nee, als dat niet meer kan, dan treedt er een zekere mate van rust op. Zo simpel is het. Het idiote is, dat ik ineens wel degelijk in staat bleek om die empathische man te zijn die ik nooit was. Ik stond versteld van de gesprekken die ik voerde met mensen. Ik voerde vroeger ook graag gesprekken, maar over cijfers. Over winst en verlies. Gewoon, de technische kant van het bestaan.’’

Winst en verlies. Die twee begrippen kregen in het leven van Henk Blanken een heel andere betekenis op die drukkend warme zomerdag, 21 juni 2011.

‘Wat denkt u zelf’, vroegen de twee neurologen in het Martiniziekenhuis. Henk Blanken, toen nog adjunct hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden, had deze postmodernistisch geformuleerde vraag wel verwacht, want ja, hij had al wat gegoogled natuurlijk, eens een journalist, altijd een journalist. De ziekte van Parkinson, dacht hij. Nou, daar dachten de neurologen ook aan.

Parkinson. Dus.

,,Mijn vrouw en ik hebben heel even gegriend geloof ik, bij een kop koffie, in de hal beneden. Maar toen we het ziekenhuis uitliepen, liet ik het achter me. En ik dacht onmiddellijk: er zit een verhaal in. Ik had een journalistieke reflex.’’

Er was geen verdriet, geen…

,,Nee.’’, zegt hij en heft zijn hoofd. ,,Nee. Geen moment.’’

Nou nou.

,,Nee’’, zegt hij. ,,Echt niet.’’

*

‘Waar wil je dat ik begin?’ Met die vraag begint Pistoolvinger. Tastend formulerend, schrappend, schuivend, herformulerend, soms strompelend over zijn woorden verkent Blanken de contouren van zijn ziekte. Soulsearching naar de grootte, wijdte en diepte ervan. Hij houdt van schrijven. Hij houdt van het goed vertelde, waargebeurde verhaal, het is zijn specialisme geworden, hij heeft een internationaal gelauwerd verhaal gemaakt over de operatie van parkinsonpatient Carel, en hij heeft er een handboek over geschreven. Maar praten over dat verhaal? Mmmmmmmja. Hij wil het niet hebben over het laatste hoofdstuk, want dan geef je iets weg, dat mag niet, nou ja vooruit, hij wil wel zeggen dat het hier om een ‘akkoordje met God’ gaat.

,,Het is een boek vol spiegels’’, zegt hij. ,,Alle personages in het verhaal bestaan, ik heb er niets bij verzonnen. Maar ik had dit boek nooit alleen over mezelf kunnen schrijven.’’
Een van de spiegels die het verdwenen verleden weerkaatst is het verhaal over zijn vader. De antiheld.

Hij herinnert zich dat hij op zijn 10e met hem voetbalde. ,,Mijn vader was 42, toen. Hij was in mijn ogen een oude man, die nog probeerde tegen de bal te schoppen. En hij was er niet erg goed in. Hij wilde met me spelen maar het ontaardde in het tegendeel: hij werd daar niet groter van, maar kleiner. Hij was geen uitgesproken man met grote ideeën maar een PvdA stemmende ambtenaar. Hij was een kleurloze schim, een schaduw.’’

Hij groeide op in Rotterdam-Zuid. Een paar kilometer verderop werd een hippiefeest gehouden in het Kralingse Bos, aan de andere kant van de aarde woedde een oorlog in Vietnam, het ging als jongen volledig langs hem heen totdat hij in 1977 zijn eerste journalistieke baantje kreeg.

Een jaren ’50 verhouding, had hij met zijn vader. ,,Onze relatie was op geen enkele vertrouwelijkheid gestoeld. Er was geen wederzijdse interesse. Ik kan me niet herinneren dat ik met hem heb gepraat of over iets dat me bezig hield. Dat ik dat ik met tederheid over hem schrijft is misschien wel bedoeld om iets recht te zetten bij mezelf. Die tederheid is natuurlijk ontstaan in de loop der jaren, toen ik hem beter ging begrijpen, dat het hem ook maar overkwam. Tussen mijn 15e en mijn 18e ging ik op mijn vader neerkijken. Minachting is er een te groot woord voor, ik noem het eerder deernis of medelijden. Hij en ik hadden niet zozeer een slechte relatie, we hadden geen relatie. Pas later ben ik hem beter gaan begrijpen. Hij was in de oorlog in Dresden geweest, hij had jarenlang in werkkampen gezeten. Ik heb hem wel gevraagd naar zijn jeugd, naar de oorlog, maar hij had er eigenlijk alleen maar korte antwoorden op.’’

,,Het enige dat ik van zijn werk wist, is dat hij aan tafel op grote blauw geruite vellen cijfers invulde. “Na zijn dood las ik het briefje van zijn aanstelling als rijksambtenaar, ooit. Schrijver eerste klas.” Dan denk ik: dank je wel toeval.’’ Maar dat zijn vader, die oude man die in de ogen van zijn zoon geen bal fatsoenlijk kon raken, keeper was geweest in het eerste van de Rotterdamse voetbalclub SV Charlois [zo heette die club zeker niet, en ik weet het echt niet meer] nooit was het onderwerp van gesprek geweest.

In de vraag ‘waar wil je dat ik begin’, ligt een andere vraag besloten: ‘waar wil je dat het eindigt?’ Parkinsonpatienten hebben twee keer zoveel kans op dementie. Hij is bij zijn huisarts geweest met vragen over euthanasie en stuitte op een klaagzang over hoe moeilijk dat zou zijn. Een voorbehoud dat hij wel en niet begrijpt.

,,Artsen zijn daar niet voor opgeleid. ‘Zorgen voor’ betekent niet iemand dood maken. Ik hoorde laatst een psychiater op tv zeggen: ik ben er niet om mensen gelukkig te maken, ik ben er om mensen beter te maken. Ik vind dat uiterst paradoxaal. Maar aan de andere kant: Een waardig einde…Hoe leg je aan je kinderen uit dat het op een gegeven moment goed is geweest? En weet je, als demente oudere, dan nog dat je dood wilt? Wat als je niet wilt? Een arts die jou een harinkje voert, de familie de deur uitstuurt en jou een naald in je tegenstribbelende arm duwt, dat iemand anders het beslist, dat lijkt mij het toppunt van onwaardig sterven.’’

Ben je bang voor de dood?

,,Mmmmmm…’’ Hij kreunt nadenkend, als in gesmoord protest. ,,Nee. De dood, dat is nul. Ik ben er alleen wel bang dat het een vervelende affaire zou kunnen worden om dood te gáán, want ik ben kleinzerig. Net als mijn vader.’’

*

‘Een mens is niet beangstigd door de dingen die gebeuren, maar door zijn gedachten over de dingen’, zei de Griekse wijsgeer Epictetus zo’n 2000 jaar geleden. Met andere woorden: angst beheerst ons als we dat toestaan. Blanken, de sceptische journalist, was in eerste instantie helemaal niet naar die psychologische kant van ziek zijn op zoek. Hij gelooft in niets, zegt hij. Hij gelooft alleen in het toeval. Maar zijn ziekte maakt toch dat hij zichzelf zingevingvragen stelt. Hij ‘struikelde bijna over het boeddhisme’. ,,Ik wat geflirt met mediteren, een paar lessen genomen, maar omdat de verstijving van mijn spieren is toegenomen ging het stilzitten op den duur pijn doen. Maar de ideeën erachter laten me niet los, omdat ik ze mooi vind. Het komt heel dicht in de buurt van humanistische beginselen die ik de norm vind. Als ik mediteer, merk ik dat die vorm van concentratie helpt. Mijn lijf ontspant ervan, mijn hoofd staat stil, dat is allemaal erg goed.’’

Henk de Draufgänger zou er vroeger jeuk van hebben gekregen, zegt hij. ,,Terwijl nu denk: van het is niet alleen waar, het is voor mij nuttig. Als lijden onderdeel is van het leven moet je je niet verzetten, maar het omarmen, het beleven. Dat vind ik eigenlijk al mijn hele volwassen leven.’’

Voorbeeld: zijn eerste liefdesverdriet, in 1984, drie volle maanden lang. Zijn meisje koos voor een andere jongen en hij was tot zijn stomme verbazing volledig van de kaart. ,,Ik liep hele dagen te huilen. Zo erg dat ik in de bus of de tram maar niet gecontroleerd werd op een kaartje, omdat ze dachten: laat die arme ziel maar. Ik heb me toen elke avond lang een stuk in de kraag gezopen. Maar in die maanden dacht ik ook: ik wil dit meemaken. Ik wil dit niet aan de kant schuiven en opruimen, dit is onderdeel van de manier waarop ik mijn leven wil leven. En dat is de boeddhistische kern: als je het verdriet verkleint, als je het wegstopt, en niet met dezelfde intensiteit wilt meemaken als je de vreugde wilt meemaken, gaat die vreugde op een andere manier langszij. Je kunt alleen maar heftige verliefdheid voelen als je ook bereid bent kopje onder te gaan in die poel van jankerige alcoholdampen.’’

Wie nu denkt, dit begint allemaal wel erg verlicht te klinken: volgens Boeddha moet je eerst vier edele waarheden doorgronden om vervolgens het achtvoudige pad naar verlichting te bewandelen, dus dat doe je niet even op een achternamiddag. Henk Blanken is niet verlicht, hou op schei uit, nog lange niet.

,,Maar het ‘leven in het nu’ wordt een stuk makkelijker als er geen al te aantrekkelijk ‘straks’ meer is.’’, zegt hij. ,,Ik heb niet zoveel keuze dan: ja, het is goed. Ik zit niet te verlangend uit te kijken naar onttakeling, maar het is ook een proces van gewenning. Ik had vijf jaar geleden niet kunnen denken dat ik plezier zou hebben als ik dingen uit mijn handen laat vallen.’’

In een Harense winkel zag hij eens een verwarde man die uitriep dat hij zijn overleden vrouw zo miste. Het beeld hield hem uit de slaap. Het motto van Pistoolvinger is van Rutger Kopland: een gedicht over weggaan, verdwijnen zijn en niet zijn. ,,Dit boek gaat voor mij over de onuitstaanbaarheid van het verdwijnen. Ik kan verrekte slecht tegen mensen kwijtraken. Ik ben op een romantische manier verknocht aan het verleden.’’

Ach, zegt hij. Er valt nog wel een boek te schrijven over hoe Parkinson óók kan zijn. ,,Dit is mijn selectie uit de werkelijkheid en het is niet per definitie de waarheid. Het is mijn waarheid, een waarheid die ik naar mijn hand heb gezet om iets moois te maken, want dat is de definitie van kunst. Ik sta niet voor mijn herinneringen in. Vergeten is de manier waarop het leven ons er dagelijks aan herinnert dat we doodgaan. Vergeten is kwijtraken. Vergeten is voortijdig verdwijnen. Dit boek is een oefening in verdwijnen.’’