Categorie: Do No Evil – over Google

Kijk, de olifant beweegt

Het was vrijdag de dertiende en Google zal het weten. Op een en dezelfde dag maken de krantenuitgevers in de wereld bekend dat ze iets denken te hebben gevonden op het parasitaire gedrag van nieuwsbots, en kondigen Amerikaanse mediabedrijven aan dat ze juridische stappen gaan zetten tegen de piraterij op YouTube. De olifant beweegt.

YouTube wordt voor 1,2 miljard dollar overgenomen door Google, dat zich daarmee nog wat meer in de nesten werkt. De videosite is enorm succesvol, maar wordt ook misbruikt voor videomateriaal dat gewoon gejat is. Daar kan je van vinden wat je wilt, feit is dat de eigenaren niet van plan zijn het door de vingers te blijven zien.

Volgens The Wall Street Journal hebben juristen van onder meer News Corp., NBC Universal en Viacom berekend dat YouTube per illegaal filmje 150.000 dollar moet betalen. Viacom schat dat video’s van zijn MTV en Nickelodeon dagelijks 80.000 keer worden bekeken op YouTube. De schade zou dan oplopen tot miljarden dollars.

Juridisch veel ingewikkelder ligt het bij Google News en soortgelijke aggregatoren van het nieuws. Koppen snellen en een paar regels lenen wordt nog nergens gezien als onrechtmatig gebruik van de content van derden. De wetgeving in de VS – met beginselen als fair use en implied license – staat net als de wetgeving in Europa – die meer op het Nederlandse auteursrecht lijkt – vrij veel toe.

De krantenuitgevers zijn gisteren in Frankfurt aan hun offensief begonnen met ACAP, automated content access protocol. ACAP wordt, begrijp ik uit het persbericht waarmee een pilot wordt aangekondigd, zoiets als robot.txt, dat verhindert dat een site door een spider wordt gezien en dus doorzoekbaar wordt. Alleen is ACAP slimmer.

Volgens de World Association of Newspapers, de WAN, mede-initiatiefnemer, moet ACAP het mogelijk maken dat je 1. als site sommige spiders wel en andere niet toelaat, en 2. niet heel je site laat indexeren maar slechts delen die je zelf benoemt.

Beide is op het eerste gezicht slim. De zoekmachine die de WAN het meest ter wille is, krijgt de meeste rechten en zal daarmee het meest interessant worden voor consumenten, omdat die zoekmachine meer links naar nieuws bevat dan andere.

Vraag is natuurlijk of het werkt. Kan ACAP verhinderen dat Google – want dat is nu eenmaal de grootste boosaard – niettemin naar binnen glipt? Waarschijnlijker is het dat ACAP vooruit loopt op nieuwe wetgeving. Het geeft immers nieuwe praktische mogelijkheden om een tot een interpretatie te komen van fair use, waarin krantenuitgevers zich ook kunnen vinden.

Zijn die Belgen gek geworden?

Zijn de Belgen gek geworden? Als er 45 jongeren worden aangehouden bij rellen in de Brusselse Marollenwijk, verwijst ‘s werelds grootste zoekmachine op internet naar het AD, de NOS, RTL Nieuws en Elsevier. En dat premier Verhofstadt een crisisje bezweert, lezen we via BN De Stem, BNR Nieuwsradio en warempel ook een Brussels weblog over politiek. Alle andere kranten, van De Standaard tot aan Le Soir, doen bij Google Nieuws niet meer mee.
Lees verder

Zo veel hype en toch zo weinig omzet

Gegeven alle moeite die traditionele uitgevers zich getroosten om iets van internet te begrijpen, is het verbazingwekkend hoe weinig ze aan het nieuwe medium verdienen, schrijft Richard Siklos in The New York Times. Het enthousiasme en de hype zijn omgekeerd evenredig aan hun omzetten, luidt de nuchtere conclusie.

Het uitblijven van eclatante successen is des te opvallender omdat het internet de afgelopen tien jaar de maatschappij behoorlijk overhoop heeft gehaald. Zo goed als we ons niet kunnen voorstellen dat er een tijd is geweest zonder gsm (je had vaste telefoons), zonder prijsvechtende luchtvaartmaatschappijen (je betaalde een vermogen) en zonder cd’s (ach god, de lp), zo ondenkbaar is nu ook een leven zonder internet.

Volgens The New York Times verwachten grote uitgevers wel meer te zullen gaan verdienen aan het net, maar worden hun omzetten nu nog afgeroomd door aggregators, websites als Google News die parasiteren op de originele content van gewone uitgevers.

Wat mij wel fascineert is dat deze dubbele boodschap (“We verdienen er nu nog niet aan, maar het komt wel goed”) al zo lang wordt herhaald als het internet bestaat. Ondertussen wordt het echt geld verdiend door pure players als Amazon, eBay en Google. Soms denk ik: traditionele media zitten te wachten op iets wat nooit gaat gebeuren.

Nooit zal er een open source Google zijn

Toen Eric Schmidt, ceo van Google, de zoekmachine die ‘don’t be evil’ als motto hanteert, werd gevraagd wat ze in Mountain View precies verstonden onder ‘evil’, verwees hij naar Sergey Brin, die het bedrijf samen met Larry Page in 1998 stichtte. ‘Het kwaad is’, zei Schmidt, ‘wat Sergey zegt dat het kwaad is.’

Als Brin deze week volgens berichten in de media toegeeft dat het achteraf bezien niet verstandig was om te dealen met China, en zoektermen als Falun Gong of de namen van in ongenade gevallen leiders af te sluiten, dan betekent dat iets. Dan buigt Google, ofwel voor zijn eigen motto, ofwel voor druk van onderaf, van gebruikers.

Op dat laatste houdt Geert-Jan Bogaerts het, internetchef van de Volkskrant. In zijn column vandaag gaat hij een stap verder. Het wordt tijd, schrijft hij, dat er een minder kwaadaardig alternatief voor Google komt. Het wordt tijd voor een open source zoekmachine.

Nou zijn die er al jaren. Zie dit overzicht, bijvoorbeeld. Er is zelfs een tamelijk veel geprezen open source zoekmachine, genaamd Nutch. John Battelle, de ex-Wired-journalist en auteur van een boek over Google, verwachtte in 2003 dat Nutch de regels van het spel qua zoeken ging herschrijven.

Nutch wordt (of werd) gesteund door de spraakmakende gemeente van open source. Mitch Kapor, miljonair en oprichter van Lotus, maar ook uitgever Tim O’Reilly (de man die de term web 2.0 uitnutte) en Brewster Kahle, miljonair en idealist, staan achter het zoekproject.

En toch, zeggen kennissen van mij met meer verstand van zoekmachines en open source, zal het niet lukken. Omdat er meer nodig is voor een Google-alternatief dan het algoritme, ofwel de set van de regels die een computer vertelt hoe iets te doen. Google doet zeer geheimzinnig over het eigen algoritme, PageRank, genoemd naar Larry Page, maar in een open source omgeving zou de gebruiker gewoon weten hoe het werkt en niet hoeven te vertrouwen op het ‘don’t be evil’-Google.

Punt is dat een zoekmachine probeert een kopie te maken van internet, die indexeert en dan op basis van dat algoritme razendsnel resultaten uitspuugt. Nutch had een jaar geleden zo’n 100 miljoen pagina’s opgeslagen. Dat lijkt veel maar is een fractie van de pakweg 4 (of waren het er al 5) miljard van Google.

Google heeft de hardware – 150.000 pc’s (of zijn het er al 200.000) in zogeheten serverparken – om al die pagina’s op te slaan. Een open source project zou dat nog kunnen nabootsen door gebruik te maken van een peer-to-peer netwerk, zoals Kazaa dat deed. Gedistribueerd computeren, heet dat ook wel. Er zijn prachtige, grote projecten mee op touw gezet.

Maar waar het mis gaat, is de snelheid. De verbindingen tussen al die pc’s zijn in handen van telecombedrijven die er geen enkel belang bij hebben – althans niet de indruk wekken – in ‘search’ te gaan, met elkaar en die moeilijk in de hand te houden open source gemeenschap. Bandbreedte nekt een open source zoekmachine met de ambitie een tweede Google te worden.

Nog belangrijker is dat Google al lang bezig is met het perfectioneren van zijn eigen algoritme. Waarom zou je alleen zoeken op basis van hyperlinks die je waardeert, zoals Google nu ongeveer doet. Als Google weet wie ik ben, wie mijn vrienden zijn, wat ik in mail schrijf, waar ik mijn boeken koop, en welke, en als alle files op mijn computer ook kunnen dienen als ‘overwegingen’ bij mijn zoekopdrachten, worden de resultaten nog veel beter dan ze nu al zijn.

Google is het kwaad niet. Ik vertrouw Sergey Brin, geloof ik. Maar als het bedrijf in laatste instantie, zeg over een jaar of drie, zijn laatste product uit Google Labs los laat op de mensheid, zal blijken wie we hebben vertrouwd. Dat product zal heten Google Think.

De brave nieuwe wereld van de Metacratie

Larry Page - Illustratie: Steve Rhodes
Journalistiek is de haarlemmerolie van de democratische samenleving. We kunnen uitsluitend samenleven als we op de hoogte zijn, als we weten wat we moeten weten. De media spelen daarin een wezenlijke rol. Maar wat gebeurt er als we steeds meer gaan vertrouwen op nieuwsbronnen die louter leunen op andere nieuwsbronnen, op sites als Google News die parasiteren op kranten, en op sites als Digg die het nieuws laten selecteren door het collectief?

Google News en Digg zijn metasites. Ze geven informatie over informatie, brengen het nieuws op een hoger niveau samen, de een met behulp van louter wiskundige formules – onder meer het PageRank-algoritme –, de ander doordat alle gebruikers samen bepalen wat belangrijk is. Het uitnutten van die collectieve kennis – ook wel the wisdom of crowds genoemd – is de heilige graal van internet. Het is de ultieme belofte, zeggen techno-utopisten.

Aan de zuiver technische oplossing, geïmplementeerd op ‘s werelds grootste verzameling parallel geschakelde pc’s, heeft Google zijn beurswaarde van meer dan 100 miljard dollar te danken. Toch is metadatering door mensen van vlees en bloed minstens even interessant. Kijk naar wat tagging doet voor de fotosite Flickr of de favorietencollectie van del.iouc.us. Die menselijke inbreng, voorspel ik, zal van Google – als dat niet voortijdig ten onder gaat – een bedrijf maken van 1000 miljard dollar.

Bijna even oud en veelbesproken als het idee van meta-informatie is de onbedwingbare neiging van internetavonturiers om sites te bouwen die de informatie van metasites weer samenbrengen, metametasites dus. Wie daarover doordenkt, komt uiteindelijk op de gedachte van “übermeta”, een alles omvattende metasite, de hoogste aap op de rots, de goddelijke database.

De kans dat die site eigendom zal zijn van Google, lijkt me vrij groot. Oprichter Larry Page liet laatst in Londen op de conferentie Zeitgeist 06 volgens The Guardian doorschemeren waartoe de perfecte zoekmachine binnen enkele jaren in staat is: kunstmatige intelligentie. “De ultieme zoekmachine zou alles in de wereld begrijpen”, zei Page. “Je kunt hem vragen: Wat moet ik aan Larry vragen. En hij zou het je zeggen.”

METACRATIE

Een democratie is een samenleving die zich voor haar informatie baseert op een vrije pers. Een maatschappij die te veel is gaan leunen op de media, waarin kranten en omroepen een groter stempel drukken op de besluitvorming dan goed of aangenaam is, wordt wel een mediacratie genoemd. De samenleving die daaraan ontsnapt door gebruik te maken van het net als instrument voor collectieve kennisopbouw, die gelooft dat metasites slimmer en beter zijn dan klassieke media, die samenleving noem ik een “metacratie”.

De “metacratie” is het ultieme antwoord op de hyperindividuele samenleving, het technologische alternatief voor een parlementaire democratie, ondertussen wel degelijk gebaseerd op idealen als samenwerking en egalitarisme. De metacratie heeft evidente voordelen: het is een open systeem waarin iedereen kan zien wat we samen denken, wat de trends zijn, wat belangrijk is. We kunnen besluiten nemen op basis van geaggregeerde kennis: we weten alles maar als we raden, raden we samen. Daardoor zijn we collectief verantwoordelijk. De meerderheid zal dat ook zo ervaren, en zelfs rechtvaardig vinden.

Jaron Lanier - Ill: JD LasicaIn een fascinerend essay, Digitaal Maoisme, trekt de Amerikaanse visionair en computerwetenschapper Jaron Lanier een vergelijking met het collectivisme van communistische of fascistoïde staten. Er zitten enge kanten aan het verheerlijken van metasites of collaboratieve projecten als Wikipedia, betoogt Lanier.

Hij verwijst naar Wired-oprichter Kevin Kelly die laatst warme pleidooien hield voor collectieve intelligentie, ofwel hive minds (de geest van bijenkorven, zeg maar). Waar Kelly dol is op sites als Digg.com, omdat ze snel en accuraat het nieuws laten zien dat “in het nieuws blijft”, foetert Lanier dat hive minds vooral dom en vervelend zijn.

Volgens mij gaat Lanier in zijn essay een stap te ver: het kille, autoritaire collectivisme van Mao of Mussolini is, zoals Howard Rheingold – niet toevallig de auteur van een boek dat Smart Mobs heet – tegenwerpt, van een andere orde dan het collectief maar volstrekt vrij handelen waaraan Wikipedia of opensource software als Linux zijn bestaan te danken heeft.

ERFGENAAM

Ik kan me een “metacratie” voorstellen, die geen ideologisch erfgenaam is van het fascisme of communisme, maar de bizarre optelsom van technologisch utopisme en ongeremde mediacratie. Steeds verder getrechterde, vergoogelde informatie, in een snelkookpan geaggregeerd, gefileerd en gefilterd op basis van algoritmen en tags. Informatie die op alles het antwoord is. Die weet of de rente omhoog moet of omlaag, die kan beslissen of Taida Pasic mag blijven of niet, die het wao-gat in een middag dicht.

Het zou de samenleving kunnen zijn die ontstaat als EPIC 2014 werkelijkheid wordt. EPIC is het flashfilmpje over een toekomst waarin Google en Amazon samen Googlezon vormen en alle informatie voor iedereen in het “Google grid” op maat beschikbaar is dankzij perfecte zoekmachines. Het is de toekomst waarin The New York Times offline is gegaan en alleen nog wordt gelezen door “the elite and the elderly”.

Wat mij soms tijdens lezingen verbaast, zijn de reacties op EPIC. Die beginnen meestal, pakweg gedurende de eerste 8 minuten van de 8 minuut 14 die EPIC duurt, instemmend en oh-ah-enthousiast. Fantastisch toch wat al die techniek brengt. Jammer dat je je privacy inlevert, maar god, get over it, het is wel handig. De ontluistering komt pas aan het eind, net als – hoop ik – in dit essay, als duidelijk wordt wat we kwijtraken, hoeveel we te verliezen hebben.

Ik sluit niet uit dat we in een metacratie de schaduwkanten van onze huidige, soms gesloten en vaak elitaire samenleving gaan missen. De authenticiteit, de eigenwijzigheid, de erupties van strikt individuele creativiteit. Je verliest nuance, subtiliteit, en dieper inzicht, waarschuwt Jaron Lanier ook. Je houdt bij het nemen van beslissingen onvoldoende rekening met ideeën die eerder overwogen zijn, en toen – om toen maar nu misschien niet meer geldende redenen – te licht zijn bevonden.

Het collectief, waarschuwt Lanier, is goed in het oplossen van onpersoonlijke, abstracte, technische vraagstukken, de bouw van een Apache-webserver bijvoorbeeld. Het is slecht wanneer het gaat om smaak, en judgement. Ik wil nadenken over de merites van een metacratie omdat de grenzen me fascineren. Kunnen we het collectief een besluit laten nemen over de rentestand? Over een wao-oplossing? Zou een wiki over de vraag of god bestaat uiteindelijk een bevredigend antwoord geven?

De kunst van het afdwalen (over serendipity en search)

Hoofdredacteur Alan Rusbridger van The Guardian geldt als een van de belangrijkste vrijdenkers en vernieuwers in de wereld van de oude media. In een veelgeprezen speech liet hij laatst zien hoe zijn krant de wetten van internet adopteert, lezers laat meepraten en consequent blijft zoeken naar een nieuw bestaansrecht voor kranten. Maar ook Rusbridger ziet iets over het hoofd: hoe Google een eind maakt aan de kunst van het afdwalen.

Op de langzame ondergang van kranten – een gevolg van gestaag dalende oplages en naar internet weglekkende advertenties – heeft Rusbridger ook niet alle antwoorden. Maar hij twijfelt niet aan het bestaansrecht van journalistieke organisaties. Wij, journalisten, zullen toch al die informatie in de wereld moeten ontsluiten. Bovendien, zegt de hoofdredacteur van The Guardian, geven kranten je de sensatie van serendipity.

Rusbridger vertelt hoe prettig het is om in een tweedehandsboekwinkel je ogen te laten gaan langs planken met boeken waarvan je het bestaan nooit vermoedde. Je zoekt iets, of niet eens, en vindt informatie waarvan je niet wist dat je ze nodig had. Kranten kunnen dat gevoel ook geven. Naast het noodzakelijke nieuws, waarvan je als lezer weet dat je het wilt weten, het 101-nieuws zeg maar, bieden dagbladen ook verhalen waarnaar je nooit zelf zou hebben gezocht.

Veel journalisten – ik ook – vinden die serendipity van dagbladen een groot goed. Hoeveel armer zou onze cultuur worden als we als nieuwsconsumenten onze blik zouden vernauwen tot alleen die informatie waarom we vragen? Welke fnuikende effecten zou het hebben voor de democratie als we niet langer de kunst van het afdwalen beheersen?

De ironie wil dat het world wide web ontstaan is vanuit die serendipity: je ging van hyperlink naar hyperlink, verbijsterd over het gemak waarmee je een tekst las op een computer in Washington, die verwees naar een pc in Tokyo, et cetera. Maar ondertussen is surfen – zo heette dat tien jaar geleden – passé. Zoals laatst iemand tegen mij zei: “Ik surf nooit meer. Ik heb het internet uit.”

Dat surfen uit is, komt niet doordat we geen behoefte meer hebben aan informatie. Het komt door Google (en andere zoekmachines). Het zoeken en vinden van informatie is zoveel beter geworden, dat we niet langer hoeven af te dwalen en rond te dolen. We hoppen niet meer van site naar site, maar tikken een zoekvraag in.

Ik vermoed dat Alan Rusbridger de impact van Google onderschat. Google – achtervolgd door Yahoo, Microsoft, Amazons A9.com en eBay – zal binnen vijf jaar een grotere invloed blijken te hebben op de samenleving dan vijf eeuwen roomse encyclieken. Nieuwe generaties mediaconsumenten zullen de sensatie van serendipity niet meer kennen en waarderen zoals Rudbridger dat doet.

In het laatste kwart van de twintigste eeuw hebben massamedia hun hoogtepunt bereikt, hun grootste opage, de toppen van hun roem en macht. Wat we nu zien, is het imploderen van die massamedia. Waar we dachten dat de macht verschoof van de producent naar de consument, vergisten we ons. Want dat is maar de halve waarheid. De mediaindustrie wordt niet – na eeuwenlang aanbodgedreven te zijn geweest – een vraaggedreven industrie, het wordt een industrie waarin alles draait om zoeken.

Search – ik gebruik de Engelse term omdat die een complete industrie aanduidt – is het technologische midden tussen aanbod en vraag. En het legt niet, anders dan je zou denken, alle macht bij de consument. Zoektechnologie nu, zeggen ingenieurs van Google aldus John Battelle, is nog maar 5 procent volmaakt. Het kan nog veel beter. Wat dat betekent, wordt voelbaar als je je voorstelt dat een zoekresultaat bij Google ook rekening houdt met jouw persoonlijke voorkeuren en smaak, met al je eerdere zoekacties, met wat je in je Gmail zoal hebt besproken, met wat je op je pc hebt staan.

Het effect van die nog veel nauwkeurig resultaten is een verdere vernauwing van je blikveld. Je struikelt nooit meer over informatie waarom je niet hebt gevraagd. Je hebt de kunst van het afdwalen verleerd. En waarom zou je dan nog een krant lezen, of een ander massamedium gebruiken, dat – zoals Alan Rusbridger zich voorstelt – van serendipity zijn core business heeft gemaakt. Ik zeg niet dat zo’n toekomst leuk is, dat de democratische samenleving ermee gediend is, ik zeg alleen wat ik denk dat er gaat gebeuren.

(De speech van Alan Rusbridger kwam ik tegen dankzij columnist en blogger Jeff Jarvis van Buzzmachine)

Kevin Kelly, Google en Het Boek van Alles

Google, the Internet Archive en Amazon zijn de bekendste maar niet de enige bedrijven die zoveel mogelijk boeken proberen te scannen. Wat ook de uitkomst van rechtszaken over copyright, de boekenscanners zullen winnen, stelt Wired-auteur Kevin Kelly in een onlangs gepubliceerd essay (“Scan this book“) in The New York Times (niet gratis).

Het feit dat boeken tegenwoordig in digitale vorm ontstaan en het economische gegeven dat ze in doorzoekbare vorm veel meer waard zijn dan buiten een zoekmachine, maakt dat scannen het gaat winnen van auteursrecht, beweert Kelly. Waar kopiëren niets meer kost, verliezen kopieën hun waarde.

Doorzoekbaarheid op het net maakt dat boeken een andere toegevoegde waarde krijgen, schrijft Kelly: “Now relationships, links, connection and sharing are. Value has shifted away from a copy toward the many ways to recall, annotate, personalize, edit, authenticate, display, mark, transfer and engage a work.”

De gedachte is prikkelend, vooral omdat de lijn kan worden doorgetrokken. Kelly heeft het in zijn artikel over allerlei vormen van oorspronkelijk werk van auteurs. Een weelde aan werken: er zijn in de wereld tenminste 32 miljoen boeken, 750 miljoen artikelen en essays, 25 miljoen composities, 500 miljoen beelden, een half miljoen films, drie miljoen video’s, tv-shows en korte films en 100 miljard webpagina’s.

In die optelsom, mag je aannemen, heeft Kelly bij de oude media niet het werk van amateurs meegeteld, de miljoenen gedichten van zondagsdichters of de ontelbare homevideo’s. Bij het net sluit hij de amateurs niet uit, maar vooruit: hoe zou je op websites nog een onderscheid moeten maken tussen professional en dilletant.

Volgens Kelly past alles op 50 harddisks van een petabyte. “Daar heb je nu een middelgroot gebouw voor nodig, maar straks past het op je iPod”, schrijft hij. Het interessante is dat de teksten, films en composities, zodra ze doorzoekbaar zijn, getagd zullen worden. Ze zullen opgaan in een reputatiesysteem waarin alles met alles verbonden is, en elke link en elke klik op een link iets toevoegt aan dat systeem.

Dat is een des te meer verbijsterend besef als je je niet beperkt tot voltooid creatief werk. Waarom zou de “Unvollendete” niet ook moeten worden opgenomen in dat grote, grote vloeibare Boek van Alles? Probeer je voor te stellen dat niet alleen elk gedicht dat ooit werd gepubliceerd in de database terecht komt, maar ook elk ongepubliceerd gedicht, en elke aanzet tot een gedicht.

Waarom niet elk concept, elke bouwtekening, elk idee en elk begin van een idee? Waarom Google Desktop niet mee laten lezen bij elke poging (als je het wilt doet Google Desktop dat al). Zie voor je hoe al het onvolmaakte doorzoekbaar wordt, alle vermoedens, alle suggesties, elke ingeving – en hoe in het alwetende reputatiesysteem de beste vermoedens de hoogste PageRank krijgen.

Akelig nietwaar? Maar dichterbij dan we denken. De agnost die ik ben vermoedt dat de hier omschreven Alwetende niemand anders is dan de god der christenen, opgestaan uit bits en bytes. Anderen zullen zich Big Brother herinneren. Weer anderen, jongeren denk ik, zullen beweren dat ik me aanstel. Maar zij denken bij Big Brother dan ook niet aan het boek.

Wat is het nieuws van morgen?

Frank Janssen, misschien wel de beste blogger van Nederland, laat zien hoe je het nieuwe Google Trends kunt gebruiken. Kind kan was doen. Tik Verdonk en Rutte in bij www.google.com/trends (gescheiden door een komma) en je ziet hoe de minister het wint van de andere beoogd lijsttrekker. Tik Volkskrant, Telegraaf, NRC en GeenStijl in, en je zult zien hoe populair het weblog is.

Janssen is een marketingspecialist voor wie Google Trends vooral een leuke tool is om de populariteit van commerciele producten te vergelijken. Voor nieuworganisaties zie ik echter ook toepassingen. Zonder ook maar een seconde te willen suggereren dat Google Trends te serieus moet worden genomen, kan het misschien een handig hulpmiddel zijn bij de keuze van nieuwsonderwerpen.

Uiteraard is het gewoon een andere vorm van interactie. De vinger aan de pols van de samenleving – je hoeft niet te volstaan met het lezen van CBS-statistieken en trendrapportages van peperdure Trendbox-achtige organisaties. Tikje link is het ook: als je je nieuwskeuze geheel laat bepalen door waar op internet naar wordt gezocht, maak je als krant in het beste geval een slap aftreksel van The Sun.

Toch. Bij de Seattle Post Intelligencer, niet de lulligste krant van de Verenigde Staten, worden de onderwerpen van de opiniepagina van morgen vanochtend al op de website besproken met de lezers. Hun visie en hun voorkeuren worden verwerkt in de artikelen die in de loop van de dag worden geschreven. Niks mis mee, lijkt me.

Een boom over Google BookSearch

Illustratie: BrightEen van mijn twee uitgevers stuurt me een briefje, als bijlage bij de royalty-afrekening van 87,92 euro voor De Mediarevolutie, over Google BookSearch. “In het kader van internetmarketing” heeft de firma Boom besloten mee te doen aan een initiatief van Google, genaamd “Zoeken naar boeken”. Google digitaliseert de boeken, waardoor mijn boek beter vindbaar wordt op internet. “Wij verwachten hierdoor dat de verkoopmogelijkheden toenemen.”

Als een gebruiker een boek in Google heeft gevonden, krijgt hij de cover en enkele bladzijden te zien en kan hij het boek kopen. Het hele boek downloaden kan niet. Tot zover niets aan de hand. Maar dan: “Met betrekking tot de rechten verandert er niets. Deze blijven als vanouds bij auteur en uitgever.”

Is dat nou zo? Ik wil best meewerken, waarover later meer, maar verandert er nou werkelijk helemaal niets aan de rechten? Daar valt in elk geval een boom over op te zetten, hetgeen hierbij maar eens moest gebeuren.

Zoals we weten wil Google (Don’t be evil) alle informatie ter wereld voor iedereen op elk moment en op elke plaats beschikbaar maken via zoektechnologie. Ongelooflijk veel informatie, bijna zeshonderd jaar aan informatie, ligt opgeslagen in boeken die merendeels niet meer in de boekwinkel liggen of erger nog: uit druk zijn en dus alleen nog bestaan als titel in de bibliotheek. Ze sluimeren in obscuriteit, zoals uitgever en web 2.0-evangelist Tim O’Reilly ooit zei.

Doorzoekbaar zijn ze niet, althans niet anders dan bladerend in de bieb. Dat wil Google veranderen. Google-ceo Eric Schmidt heeft in een opinieartikel in The Wall Street Journal gezegd dat Google Print niet op winst gericht is. Er zullen geen advertenties komen te staan op zoekpagina’s, tenzij de uitgever daar toestemming voor heeft gegeven, in welk geval de meeste inkomsten voor die advertenties naar de uitgever vloeien.

Schrijvers en uitgevers reageren in eerste instantie sceptisch en afwerend. Het voelt unfair als iemand geld verdient aan jouw werk zonder dat je daar zelf iets over te zeggen hebt, laat staan dat je een deel van de inkomsten krijgt. Paul Aiken, directeur van de Authors Guild, vergeleek het in Salon met de manier waarop Hollywood romans gebruikt als plots voor films. Ook bij films profiteren schrijvers van het feit dat boeken beter worden verkocht als ze verfilmd zijn – dus waar zou je je druk om maken? Maar zo werkt het niet, zegt Aiken. Hollywood betaalt auteurs voor film-rechten, en Google zou hetzelfde moeten doen.

Google daarentegen ziet zichzelf natuurlijk niet als een bedrijf dat iets oneerbaars met de rechten doet, of zelfs creatieve ideeën steelt, maar vergelijkt zich liever met een recensent die een boek onder de aandacht brengt en daarvoor fragmenten citeert.

Dat citaatrecht, daar gaat het om, zowel bij Google News als bij Google Print. De hamvraag is waar citeren overgaat in overnemen of plagiëren. Duidelijk is wel dat een citaat nu vaker dan vroeger “het hele bericht” is geworden: een regel teletekst bevat soms al het nieuws dat je wilt weten. En als je een heel boek kunt doorzoeken, zoek je zelf citaten, waar de recensent voor je bepaalt welke citaten de moeite waard zijn. Dat is nogal een verschil.

Het probleem bij copyright zit ‘m niet in het letterlijk weergeven van een fragment; daarin heeft Google gelijk. Als je van dat gebruik een copyright-issue zou maken, zou veel traditioneel wetenschappelijk werk in de problemen komen, omdat dat juist het citeren van anderen, en het geciteerd worden, als een van zijn grondbeginselen hanteert. Er kan wel een ethisch probleem ontstaan: als je niet erbij zegt wat de bron is, kan er sprake zijn van plagiaat.

Daarmee is niet gezegd dat Google per se geen inbreuk maakt op het auteursrecht, want er kan nieuwe jurispudentie van de wet ontstaan die meer rekening houdt met de nieuwe specifieke situatie, en tenslotte is denkbaar dat er nieuwe wetgeving zal ontstaan. Dat er niets verandert, zoals mijn gewaardeerde uitgever beweert, is tenminste wat voorbarig.

Geld verdienen met informatieclans

We stonden op de redactie van EN.nl, de nieuwsportal waarmee PCM op de top van de internethype de wereld ging veroveren. Gloednieuw pand aan de westrand van Amsterdam, in het najaar van 2000. Ik beweerde plompverloren dat het zinloos was op het net te streven naar een zo groot mogelijk bereik, alsof EN.nl – of een van de andere megalomane initiatieven van PCM Interactieve Media – een krant na kon doen. “Het gaat niet om het grootst mogelijk bereik, maar om het kleinst mogelijk en toch nog relevante bereik.”

Vijf jaar later publiceert The Economist een special waarin precies hetzelfde wordt beweerd. Daarmee zijn begrippen als “netwerkeffect” en “the long tail” gaan behoren tot de canon van de media-economie. Lastige begrippen zijn het, omdat ze nog nieuw zijn en verre van doorontwikkeld of uitgedacht. Beide begrippen worden door de oude media gewantrouwd. Ze klinken als toverformules, als Da Vinci-achtige-codes die de weg moeten wijzen naar de heilige graal, als fictie dus.

In The Economist bekeren grote uitgevers als Rupert Murdoch (News Corporation) en Terry Semel (voorheen onder meer CBS en Disney, nu Yahoo) zich tot de nieuwe leer. Het gaat niet om een massabereik, maar heel veel kleine doelgroepen. En het gaat niet om de content die jij maakt als uitgever, maar om de content die je gebruikers maken. Kijk naar Google, een mediabedrijf dat zich erop voorstaat zelf helemaal geen content te maken. De beurswaarde van Google, meer dan 100 miljard dollar, snoert sceptici soms de mond.

Clans
Informatieclans, heb ik die kleinst denkbare doelgroepen genoemd. Groepen mensen die zich op het net rond een topic verzamelen. De actieve leden van de clan kennen elkaar, bekritiseren elkaar, controleren en modereren en helpen elkaar. Samen vormen ze de kern van de clan, een groep van – vermoed ik – nooit heel veel meer dan 100 of 200 mensen. Rond die kern vormt zich een minder actieve groep meelopers, maar hun gezamenlijke activiteit zal altijd een minder groot stempel op de clan moeten drukken – als dat omslaat, als de massa de toon gaat zetten, implodeert de clan.

De heilige graal van internet is het businessmodel onder of achter die informatieclans. Wat kun je als uitgever (of hardwareprovider of telecombedrijf) toevoegen aan een clan, of aan heel veel verschillende clans? En waarom is dat zinvol?

Om met die tweede vraag te beginnen: de Amerikaan David Reed, prof aan het MIT in Boston, heeft beredeneerd dat de waarde van een netwerk als eBay of Google veel sneller toeneemt dan de waarde van een klassiek netwerk. Reed heeft er een simpele formule voor. Zijn stelling is dat een traditioneel netwerk, bijvoorbeeld dat van een krant, lineair toeneemt met het aantal gebruikers: a*N, waarbij a een constante is (laten we zeggen de winst die een uitgever aan een abonee overhoudt, pakweg 5% van 200 euro per jaar).

Bob Metcalfe, de uitvinder van Ethernet, heeft laten zien wat het “netwerkeffect” in zijn meest ruwe vorm is. De waarde van een netwerk waarin alle punten met alle andere punten verbonden zijn, neemt volgens Metcalfe niet lineair toe, maar kwadratrisch (b*N2). Met elk punt dat er bij komt, elke ethernetkaart die aangesloten wordt, neemt het aantal communicatiemogelijkheden steeds sneller toe. Waar de waarde van een krantennetwerk met tien abonnees 10 * 5 euro is, is de waarde van Metcalfes netwerkje 10 tot de macht 2, ofwel 100 maal een constante.

Met andere woorden: je hoeft op internet per aangesloten abonnee veel minder te verdienen om toch een waardevol netwerk – en uitgeefmodel – te hebben. En nog belangrijker: als je netwerken aan elkaar knoopt, is de waarde van de samengevoegde netwerken vele malen groter dan die bij de twee afzonderlijke netwerken bij elkaar opgeteld. Deze wet van Metcalfe verklaart mede de enorme groei van internet.

David Reed heeft hier de Wet van Reed aan toegevoegd (ik las er voor het eerst over bij Howard Rheingold, in diens boek Smart Mobs). Hij stelt dat de waarde van netwerken waarin de bijdragen van mensen dominant worden nog veel sneller toeneemt. Reed spreekt van Group Forming Networks: netwerken rond een thema – clubs, chatrooms, trading rooms op de beurs – waarbinnen kleinere subsets van gebruikers ontstaan. Die deelgroepen lijken verdacht veel op wat ik informatieclans heb genoemd.

Telecombedrijven en kabelaars koppelen wel grote groepen gebruikers aan elkaar, en profiteren dus van de Wet van Metcalfe. Maar ze zijn technisch niet in staat subgroepen te laten ontstaan. De uit internet zelf voortgekomen bedrijven – Google, Amazon, eBay – kunnen dat wel. Ze maken groepvorming mogelijk, sterker nog: het is de kern van wat ze doen (al is Amazon daarnaast ook gewoon een boekenverkoper).

Exponentieel
Reed heeft ontdekt dat de waarde van zo’n groepvormend netwerk niet kwadratisch groeit met het aantal gebruikers, maar veel sneller. Dat komt doordat het aantal mogelijke groepen binnen een netwerk zo snel toeneemt. Simpel gezegd: de waarde van een netwerk waarin mensen op basis van technische mogelijkheden onderling groepen vormen, neemt exponentieel toe. In een formule uitgedrukt: c*2 tot de macht n (waarbij c de constante is, de gelijk blijvende winst per gebruiker) en n het aantal gebruikers. In euro’s: bij tien gebruikers is de waarde van het netwerk niet 10 maal de constante, of 100 maal, maar 1028 maal.

Een ook door The Economist genoemd voorbeeld van een groepvormend netwerk uit de oude wereld, is de aandelenbeurs. Je ziet de mechanismen: een netwerk waarin alle handelaren met elkaar verbonden zijn, maar subgroepen vormen rond kleinere markten of zelfs aandelen. Waarbij ik me wel afvraag of zo’n systeem ook zou bestaan zonder de regulering van overheden: zou de beurs als onderneming niet zijn waarde verliezen als iedereen overal aandelen mocht verhandelen?

De adder onder het gras is die constante “c” in de Wet van Reed: als je niets aan een gebruiker verdient, en “c” dus nul is, kan het netwerk schalen tot aan de hemel maar blijft de waarde nul. Van de andere kant geredeneerd: dat je als uitgever niet in staat bent waarde aan het systeem toe te voegen (en het er dus ook weer uit te halen) betekent niet dat het systeem zelf geen waarde heeft.

Ik kan me goed voorstellen dat de gebruikers van een informatieclan enorm veel waarde hechten aan hun groep. Al denken ze er waarschijnlijk zelden zo over na: ze hebben de groep zelf gevormd, zijn collectief eigenaar, en plukken er samen de vruchten van. David Reed ziet dat ook: wat van waarde is, verandert met de aard van het netwerk. Een traditioneel netwerk, zeg de krant, draait om content. In een technisch netwerk dat wordt gedomineerd door de Wet van Metcalfe, draait het om transacties. En in informatieclans draait het om de gemeenschappelijk toegevoegde waarde.

[wordt vervolgd]

Googles kwaad: zijn of doen

Er is een groot verschil tussen kwaad doen en het kwaad zijn – om het niet te hebben over kwaad zijn, want daar gaat het hier niet om. De lijfspreuk van Google kom je niettemin in de pers in beide vormen tegen. Don’t be evil naast Do no evil. De eerste is de officiele, de kreet die volgens Internetnews zelfs terecht kwam in het prospectus van de beursgang.

Welke van de twee is het meest van toepassing op Google? Ik denk soms dat de spreuk bedacht is door een ingenieur die zich in een moment van grote helderheid realiseerde dat lekker freaken met algoritmes de planeet best een beetje beter kon maken, maar dat het mis kon gaan zodra er marketeers en een paar miljard dollar omzet bij zouden komen.

Google doet geen vlieg kwaad, vermoed ik – nog niet. Want in potentie is de onderneming precies wat ze even hardnekkig niet wil zijn, althans zegt niet te willen zijn: voor zover een mediabedrijf het kwaad kan belichamen, doet Google dat. Te groot, te machtig, te monopolistisch.

Google is een parasiet die oude mediabedrijven leegzuigt: miljarden aan advertentiegelden gaan naar Mountain View omdat Google News content verkoopt die niet van Google is. Google is de rattenvanger van Hamelen die miljoenen volgelingen achter zich aan krijgt, terwijl niet duidelijk is wat Google met ze doet. Google weet meer van jou dan jij van Google, schreef The Washington Post.

Ten derde is Google – dat claimt informatie te willen ordenen, en het niet zal maken – in aanleg een concern dat wereldwijd een onvoorstelbare greep kan krijgen op nieuwsstromen. Wat overigens allemaal niet wegneemt dat Google ook een fascinerende, volledig uit het web zelf voortgekomen avontuur is.

“Alles wat gratis is, verloedert”

Uitspraak van Theo Bouwman, scheidend bestuursvoorzitter van PCM, in een interview met de Volkskrant: “Alles wat gratis is, verloedert”. Toont feilloos de kloof tussen oudere en jongere mediagebruikers. Want Bouwman kan zich niet voorstellen dat iets van waarde gratis is, en dan van waarde blijft, terwijl consumenten onder de veertig met die gedachte niet de minste moeite hebben.

Bouwmans credo is des te opmerkelijker gezien zijn rooie achtergrond. Afkomstig uit een arbeidersgezin, snel succes als ondernemer, afgeslagen naar de uitgeverij waarin hij eerst opklom bij de Weekbladpers – zijn grote liefde -, toen naar VNU Tijdschriften ging, met die inboedel werd overgenomen door het Finse Sanoma om tenslotte in dagen van ontij het roer in handen te nemen bij PCM.

In al die jaren is Bouwman een linksige ondernemer gebleven. Uyliaan, zegt hij zelf. Pragmaticus, vermoed ik. Maar zo links is hij niet, of bij collaboratieve media kan hij zich niets voorstellen. Open source is, denk ik, een concept waarvan Bouwman bultjes krijgt. Burgerjournalistiek moet hem, elitair als hij is, een gruwel zijn.

Zijn gebrek is dat hij waarschijnlijk – die indruk wekt Bouwman in elk geval – weigert in te zien dat jongere consumenten, aan deze zijde van de generatiekloof, zijn opgegroeid met “gratis” media, niet beter weten dan dat breaking news even gratis is als tal van handige gereedschappen die je online gebruikt, en dat dat wat hen betreft nooit meer over zal gaan.

“Alles wat gratis is, verloedert” – het is een moralistische uitspraak. Ik heb groot respect voor Theo Bouwman, maar misschien is het tijd dat er uitgevers opstaan die in “gratis media” niet de verloedering van de samenleving zien, maar een intellectuele uitdaging om te komen met uitgeefconcepten die nog wel houdbaar zijn.

PopUp – een tussenbericht

Terug van weggeweest. Weekje Frankrijk, weekje daarvoor met wat bezigheden buitenshuis waarin ik kon vertellen over PopUp. Weekje erna met een rijtje boeken over mijn onderwerp: media en samenleving en de wisselwerking tussen die twee. En als je dan terugkijkt en ziet wat je allemaal hebt gemist aan medianieuws, zakt de moed je in de schoenen.

Laat ik er wat highlights uithalen. Rijp en groen. Heb Blogonomics gemist, maar zag dat Peter Olsthoorn in Netkwesties een goed overzichtverhaal heeft gemaakt, waarin hij nog maar eens opnieuw een boom opzet over de journalistieke kwaliteit van weblogs, een onderwerp dat ook al eerder op MediaBlog aan de orde kwam (hier en hier). Dat thema ook in een verhaal van De Nieuwe Reporter over de We Media-conferentie. En nog meer bij Jeff Jarvis van BuzzMachine (en nog meer.

Erwin Boogert heeft in Emerce verslag gedaan van een bijeenkomst van Google over privacy. Een belangwekkend artikel, dat me verder helpt na te denken over een andere vraag in PopUp: is Google niet een beetje als graaf Dracula die zich opdoft voor de spiegel, voorafgaand aan een avondje uit, en grijnzend zegt: Don’t be evil. Ook van Boogert over Google is deze log. En ten derde een aardig verhaal van John Battelle over Adwords (Battelle is co-founder van Wired, de man die The Industry Standard opzette, en recenter een boek schreef over Google, The Search, dat ik zojuist bestelde bij Amazon).

Ook van Webwereld: het overzicht met bezoekcijfers van krantensites. Dat is om nog eens na te lezen, net als het overzicht van de toegekende Webby Awards.

J.D. Lasica wees me op een artikel in de San Jose Mercury News over plagiaat.

Google is het grootste mediabedrijf in de wereld – als het een mediabedrijf is

PopUp zou geen boek over oude en nieuwe media zijn zonder een hoofdstuk over Google en Googlelikes (Google-achtigen). Met een beurswaarde van meer dan 100 miljard dollar is het pas acht jaar oude bedrijf meer waard dan Time Warner, en waarschijnlijk ook meer dan Time Warner en Bertelsmann – de twee grootste traditionele mediabedrijven in de wereld – bij elkaar opgeteld. Maar is Google wel een mediabedrijf?

Wel als het erom gaat dat Google mediaconsumenten bedient met content en advertenties. Niet als het produceren van originele content het voornaamste criterium is. Dit raakt aan de eerste en mogelijk voor PopUp belangrijkste karakteristiek van Google: dat het parasiteert op content van anderen, dat het ondenkbaar zou zijn zonder het primaire, originele, authentieke en vaak creatieve werk van derden.

Tweede karakteristiek: Google is het voorbeeld van een bedrijf dat gebruik maakt van collectieve intelligentie. Het grote verschil tussen Google en andere zoekbedrijven is dat de oprichters Larry Page en Sergey Brin in 1996 besloten slim gebruik te maken van de “kennis” die op internet aanwezig is: de relevantie van een website wordt bepaald door het aantal verwijzingen naar die site, door de kwaliteit van de verwijzers, en door de complete inhoud van een webpagina, inclusief de layout.

Over die twee karakteristieken gaat het hoofdstuk over Google. De dreiging die ervan uitgaat versus de bijdrage die het levert. Werktitel: Do No Evil.