Categorie: Mediamores

In 2009 publiceerde ik ‘Mediamores’, over bloggende burgers, digitale cultuur en journalistieke ethiek. Artikelen in deze categorie zijn soms voorstudies voor dat boek, maar vaker gaan ze in op specifieke kwesties van journalistieke ethiek.

De privacynorm is aan het schuiven

Wie begrijpt het nog? Eerst zien we op televisie hoe twee gewapende jongemannen in Den Haag een juwelier overvallen. Op de schokkerige beelden van de beveiligingscamera is het duo, dat zich wat knullig lijkt te hebben vermomd met feestbrillen, tamelijk goed herkenbaar. Als de politie er niet in slaagt de mannen snel aan te houden, zet justitie een zwaarder middel in. De twee mannen hebben juwelier Ruud Stratmann doodgeschoten. Dat rechtvaardigt, vindt het openbaar ministerie (OM), een klopjacht waarbij hun foto’s en namen worden vrijgegeven.

Lees verder

De grens tussen publiek en privé

Wat is publiek en wat is privé? Mogen de media foto’s en informatie van Facebook klakkeloos overnemen of schenden ze dan de privacy? De Vlaamse Raad voor de Journalistiek heeft na de stroom van kritiek op de berichtgeving over het busongeluk in het Zwitserse Sierre een streep getrokken. In een nieuwe richtlijn stelt de Raad dat social media in principe tot het privé-domein behoren, ook als die door iedereen vrij kunnen worden bekeken.

Lees verder

Peter Vandermeersch biedt excuus aan – maar waarvoor eigenlijk?

Hoofdredacteur Peter Vandermeersch biedt zijn excuses aan voor de berichtgeving in NRC Handelsblad kort na het ongeluk van Prins Friso. Dat nieuws klopte niet. Het was ten onrechte geruststellend. In één moeite door lijkt Vandermeersch het boetekleed aan te trekken voor wat zijn krant nog meer misdaan zou hebben. Volgens critici was het onethisch om medische informatie over Friso naar buiten te brengen. NRC schond, zei men, de privacy van de prins.

Lees verder

Alleen echte journalisten tellen mee

Alleen echte journalisten tellen mee. Alleen beroepsjournalisten mogen hun bronnen beschermen, vindt het Openbaar Ministerie. Dat kunnen ook ‘professionele bloggers’ zijn, maar gekker moet het niet worden. Een Nederlandse variant van Wikileaks, gerund door vrijwilligers, zou afgeluisterd en doorzocht mogen worden, en de ‘journalisten’ die de site volschrijven kunnen worden gegijzeld als ze weigeren hun bron te onthullen.

Lees verder

De initialennorm is aan het schuiven

Sinds jaar en dag – om precies te zijn sinds 1953 – hanteert de Nederlandse pers de fatsoensnorm dat verdachten alleen met initialen worden aangeduid, tenzij dat potsierlijk is omdat iedereen al weet welke bekende Nederlander achter die initialen schuil gaat. Over het algemeen respecteren we de privacy van verdachten en veroordeelden, vooral omdat ze ooit weer terug moeten kunnen keren in de maatschappij.

Die norm is aan het schuiven. Lees verder

De prins en de pers

Prins Friso wordt wereldnieuws op vrijdagmiddag om 15.23 uur. Volgens Oostenrijkse media is een lid van het Koninklijk Huis bedolven door een lawine, meldt het persalarm. Minuten later krijgt premier Rutte de eerste vraag over een ski-ongeluk in Lech. Nog tijdens zijn persconferentie wordt duidelijk dat het niet om koningin Beatrix gaat of kroonprins Willem- Alexander, maar om diens broer, prins Friso.

[Dit stuk verscheen vandaag als opiniebijdrage in Dagblad van het Noorden]

Lees verder

Het meisje bij de bushalte: twitter en de journalistieke ethiek

Moeten journalisten op twitter dezelfde normen hanteren als bij hun werk voor oude media? Ze worstelen met de vraag, schrijft de Volkskrant vandaag. Maar afgezien van Engeland, waar de Britse raad voor de journalistiek PCC van plan is tweets van journalisten ook journalistiek te noemen (goh, denk je dan), valt het wel mee met die worsteling.

Lees verder

Wat als iedereen weet hoe Van der V. heet

Binnen enkele uren nadat een man zaterdagochtend in een winkelcentrum in Alphen aan den Rijn begon te schieten op voorbijgangers, meldde dagblad de Telegraaf op zijn website dat die man Tristan van der Vlis heette. Op televisie noemden de NOS en RTL ook zijn volledige naam, net als het persbureau ANP en de GPD, het samenwerkingsverband van regionale dagbladen waarbij ook Dagblad van het Noorden aangesloten is. Tristan van der Vlis, een “autochtone man”, was de dader. Niet Tristan van der V.

Lees verder

Wat is de toekomst van Wikileaks?

Bestaat Wikileaks over tien jaar nog? De vraag komt op bij het lezen van een post van John Battelle die naar eigen zeggen geobsedeerd is door internet-voorspellingen en terug kijkt op scenario’s die eerder werden geschetst. Hij begint bij EPIC 2014, en stelt vast dat GoogleZon er niet gekomen is maar dat de opkomst van social media goed werd voorspeld, zij het dat niemand Facebook of Twitter zag aankomen.

Wat is de toekomst van Wikileaks? Het hangt er sterk vanaf of we het over Julian Assange hebben, over de website Wikileaks, over de soort – een open source achtig netwerkproject dat steunt op velen – of over een alternatief in welke vorm dan ook voor de klassieke journalistiek en haar rol als waakhond. Wikileaks, bedoel ik maar, is groter dan Assange en groter dan Wikileaks zelf.

Over tien jaar is Assange vermoedelijk nog altijd de beroemdste hacker van zijn generatie. Zijn levensverhaal – zo veel kleurrijker dan dat van Marc Zuckerberg – zal verfilmd zijn. Die biografie zal laten zien dat hij de juiste man op de juiste plek was, heel even althans, omdat hij vrijwel onmiddellijk daarna – we schrijven 2011 in de film – alles werd wat hij niet moest zijn.

Als ik Bill Keller en Alan Rusbridger lees, de hoofdredacteuren van The New York Times en The Guardian, realiseer ik me hoe ongrijpbaar Assange is, en hoe hij zichzelf in de weg zit als leider van Wikileaks. Te onbetrouwbaar, te veel een complotdenker. Ik voel iets van verbouwereerde bewondering voor Assange, en vind zijn streven naar een transparantere overheid sympathiek, maar hij is te radicaal in zijn methodes. Naast zijn inmiddels legendarische onuitstaanbaarheid en solipsisme zal dat hem opbreken als leider van Wikileaks.

Zonder Assange

Is Wikileaks houdbaar zonder Assange? Het lijkt me sterk. Hij is zowel de zwakte als de kracht van Wikileaks. De site wordt met hem vereenzelvigd en dat heeft grote voordelen. Als Assange op de cover staat, loopt de kas van Wikileaks vol dankzij aanhangers en weldoeners. Of die stortingen blijven binnenkomen als Assange weg is, waag ik te betwijfelen. Het ligt voor de hand dat OpenLeaks (opgezet door voormalige medestanders) meer kans heeft.

Dat is de meest interessante vraag: heeft Wikileaks fundamenteel iets toegevoegd aan het media-ecosysteem, een werkwijze of platform dat iets toevoegt aan de oude media? Ik ben volstrekt van overtuigd, al weet ik nog niet precies wat dat nieuwe dan is. Dat komt misschien doordat Wikileaks enorme impact heeft, maar nog onduidelijk is waardoor dat nou eigenlijk komt.

Wikileaks introduceert geen opzienbarende nieuwe technologie – de naam suggereert een overeenkomst met Wikipedia die er zelfs helemaal niet is. Ook het fenomeen van een internationaal platform voor anonieme gelijkgestemden is minstens zo oud als de nieuwsgroepen, ouder dus dan pakweg het world wide web.

Ook het klokkenluiden is niet nieuw. Oude media leven van klokkenluiders sinds de schepping. En zelfs de samenwerking tussen oude en nieuwe media kennen we al een aantal jaren – kijk naar wat The Guardian bijvoorbeeld doet. Daar staat tegenover dat de schaal van het lek, een gat zo groot dat er een halve bibliotheek in past, geheel zonder precedent is.

De vraag zal zijn of oude media in staat zijn het vertrouwen van klokkenluiders, en dus van het publiek, zodanig terug te winnen dat een statenloos, ongebonden platform als Wikileaks of OpenLeaks overbodig wordt. De druk op de overheid om transparanter te worden zal verder toenemen, daar twijfel ik niet aan, maar of Wikileaks – of een kloon ervan – daarin over tien jaar nog een rol speelt, hangt af van de mate waarin zo’n platform zich verder ontwikkelt.

De geheimen en wikileaks

Wat Wikileaks ook aantoont, naast enkele grote en veel kleine schandalen, is dat de samenleving nu anders met geheimen omgaat dan nog maar tien jaar geleden. Krampachtiger, paradoxaler en soms een beetje dom.

We hebben ons vrolijk  in de beloftes van de digitale revolutie gestort, opgepookt door cybermanifesten en hackers van wie je kon aannemen dat ze ofwel deugden, ofwel politieke onbenullen waren.

En nu ontdekken we dat het wringt. Dat er grenzen zijn waarover je niet te makkelijk moet heenstappen. Dat absolute transparantie zich niet helemaal vanzelfsprekend voegt naar privacywensen, zoals het opgeven van elke privacy – toch een illusie, volgens sommigen – ook niet lekker voelt.

Dit is wat er onder veel meer door mijn hoofd zoemt nu ik werk aan een lezing voor Studium Generale, komende woensdag aan de RUG in Groningen. Hamvraag is of Julian Assange een held of een boef is. Verkeerde hamvraag, luidt mijn voorlopige antwoord.

Veel belangrijker en minstens even genant als de cables van Assange, laat staan als de man zelf, is de impact van Wikileaks op onze omgang met geheimen. Of misschien – denk ik hardop en heel transparant – nog lastiger: niet de impact, maar de illustratie; Wikileaks laat iets zien over ons dat we ons nog niet realiseerden.

Wat dat is?

Dat vrijheid van meningsuiting niet ongeclausuleerd is (en dat wisten we natuurlijk al), maar in een vrije netwerkomgeving misschien wel meer behoefte heeft aan checkes & balances dan voorheen.

Dat een roep om een transparante overheid aan geloofwaardigheid verliest als die komt van een partij die zich – noodgedwongen, dat kan – verschuilt achter encryptie en mist.

Dat we niet zonder geheimen kunnen. Zoals we ook niet zonder macht kunnen. Of zonder geld. Of zonder geweld. En dat is – vijftig jaar na de vorige culturele revolutie – geen prettige gewaarwording.

Wikileaks, witte geheimen en de waarheid

In een lang stuk dat ik schreef voor Dagblad van het Noorden beweer ik dat Cablegate een “meta-lek” is, een lek over het lekken zelf. Wikileaks ontmaskert vooral hoe westerse democratieën met de waarheid omgaan, en met hun leugens. Die houding is verkrampt, maar noodzakelijk.

Als Wikileaks Collateral Murder uitbrengt, stelt ze militaire nonchalance en erger aan de kaak. Dat is belangrijk nieuws. Als Julian Assange een campagne begint voor absolute openbaarheid – wat hij met Cablegate deed – onthult hij geen misstand, maar valt hij de democratie zelf aan.

Dat zit me dwars. Onze democratie is niet zonder fouten. De opdracht van de pers is te streven naar meer openheid, en ja, sinds The War On Terror is de staat niet bepaald opener geworden. Maar een democratie kiest er ook voor te leven met geheimen, met een commissie stiekem, met de leugentjes van de diplomatie. We accepteren een leugen om bestwil, the white lie, laten we zeggen “witte geheimen”.

Onhandig

Er zit een wereld van verschil tussen meer openheid – ben ik voor – en absolute openheid – lijkt me onhandig. Alles discussies over Wikileaks die ik volg draaien rond dit dilemma. De kant die je kiest bepaalt ook hoe je over acties tegen bijvoorbeeld Mastercard denkt: gerechtvaardigde steun aan Assange – of onverantwoordelijk vandalisme.

Volgens Jeff Jarvis hoort Wikileaks bij “het ecosysteem van het nieuws”. Jarvis vindt niet dat we zonder geheimen kunnen, maar de staat heeft er meer dan noodzakelijk is. De regering, zegt Jarvis, moet transparant by default zijn, en geheim indien noodzakelijk.

Naar mijn smaak gaat Jarvis echter te ver als hij Wikileaks kritiekloos binnen het domein van de journalistieke media trekt:

We in journalism must recognize that Wikileaks is an element of a new ecosystem of news. It is a new form of the press. So we must defend its rights as media. If we do not, we could find our own rights curtailed. Asking whether Wikileaks should be stopped is exactly like asking whether this newspaper should be stopped when it reveals what government does not want the public to know. We have been there before; let us never return.

Dat Wikileaks geen krant is, vind ik minder relevant dan de vaststelling dat Wikileaks journalistiek bedrijft maar dat niet altijd even zorgvuldig doet. Journalistiek is een daad, heb ik eerder beweerd. We moeten Julian Assange op zijn journalistiek handelen beoordelen.

Naast alle lof die ik heb voor zijn onthullingen, heb ik moeite met zijn gebrek aan transparantie (over de eigen organisatie, over zijn werkwijze, over de status en volledigheid van de “cables”, over zijn gebrek aan wederhoor, over de vraag wat belangrijker is: het onthullen van hypocrisie en leugenachtigheid, of het onthullen van een leugen).

De oorverdovende stilte bij de Vlaamse Code

Wat het meest opvalt bij de Vlaamse Code voor de Journalistiek: de oorverdovende stilte die erop volgde. Op websites vind je hooguit het bericht dat de 2500 Vlaamse beroepsjournalisten sinds 12 oktober een nieuwe ethische code hebben, maar geen spoor van heftig debat. Terwijl er toch tenminste één controversieel aspect aan die Code kleeft.

Anders dan de Nederlandse Leidraad kent de Vlaamse Code een “gewetensclausule”. Die komt erop neer dat een journalist een opdracht mag weigeren als die niet “ethisch” is. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als zijn uitgever hem opdraagt een vriendelijk stuk te schrijven over de nering van een grote adverteerder.

Onafhankelijkheid staat voorop. Dat is in Nederland niet anders, maar de verhouding tussen journalisten en hun uitgevers is bij ons primair geregeld in redactiestatuten. In België is de onafhankelijke positie van journalisten wat minder stevig verankerd, de uitgever is nog een meneer-in-driedelig die zeggenschap claimt over de redactionele koers.

Perssteun

Des te opmerkelijker is wat de Vlaamse minister van Media Ingrid Lieten zei bij publicatie van de nieuwe Code. De Standaard:

“Lieten zei te geloven in zelfregulering ‘zonder politieke inmenging’, maar ze houdt wel een stok achter de deur. De subsidies die haar departement aan de pers toekent, zijn voortaan afhankelijk van de voorwaarde ‘dat het mediabedrijf de Raad voor de Journalistiek erkent en de nieuwe code effectief ter harte neemt’.”

Uitspraken van de Vlaamse Raad voor de Journalistiek krijgen hierdoor meer gewicht. Een veroordeling kan subsidie kosten.

Nog wezenlijker lijkt me dat de Vlaamse Code nu samen met de minister een schuttinkje optrekt rond de beroepsjournalistiek. De nieuwe Code was nodig geworden omdat oude regels – de laatste code dateerde van 1982 – en richtlijnen onvoldoende rekening hielden met de opmars van het beeld en met internet. Maar de nieuwe Code bevestigt eerder – stel ik aarzelend vast – de positie van oude media dan dat ze nieuwe omarmt.

Reacties

Dat blijkt bijvoorbeeld uit de norm voor “reaguurders”. Waar de Nederlandse norm in de Code van het Genootschap van Hoofdredacteuren en de Leidraad van de Raad rekening houdt met de praktijk van internet (een vloed van anonieme reacties die niet vooraf gecontroleerd kunnen worden), stelt de Vlaamse Code dat een redactie per se verantwoordelijk blijft voor comments, die uiteraard alleen bij hoge uitzondering anoniem mogen zijn, terwijl “de redactie alleszins over de identiteitsgegevens van de inzender moet beschikken”. Op mij komt dit alleszins wereldvreemd over.

Heel veel andere grote verschillen tussen de Vlaamse en Nederlandse ethiek zijn er op het eerste gezicht niet. De Vlaamse Code, een “grondwet voor de journalistiek” (sic) die is goedgekeurd door journalisten en uitgevers, lijkt wat dwingender dan de normen van de Nederlandse Raad voor de Journalistiek, die niet voor niets liever van een Leidraad spreekt. Dat klinkt al minder verplichtend.

Een fijn verschil in formulering is te vinden in de normen die met stigmatisering te maken hebben. In Nederland melden we – zegt de Raad – etnische afkomst, ras, religie of seksuele geaardheid alleen als het nodig is om de context van een nieuwsbericht te begrijpen. Bij een verhaal over eerwraak, bijvoorbeeld, kun je niet zonder die culturele achtergrondinformatie.

De Vlaamse norm is wat ruimer. De journalist daar mag volgens de nieuwe Code etniciteit, huidskleur en seksuele geaardheid vermelden, maar “vermijdt stereotypering, veralgemening en overdrijving, en zet niet aan tot discriminatie”. Geen “nee, tenzij”, maar een “ja, mits”, dus. Opvallend is dat “religie” hier niet wordt genoemd, terwijl juist dat – de islamisering, nietwaar – de samenleving bezig houdt.

Loyaal wederwoord

Codefetisjisten zoeken het verder in de details. Waar Nederlanders “wederhoor” plegen, geven Vlamingen “wederwoord” – ik weet nog niet wat beter klinkt. Waar wij royaal of ruimhartig een fout rechtzetten, doen zij dat “loyaal” – wat mij maar raar in de oren klinkt. En de Vlaamse norm dat een journalist geen plagiaat pleegt, zul je in de Nederlandse codes niet vinden, misschien omdat het te vanzelfsprekend is, of vastligt in de Auteurswet.

Tenslotte nog dit. De Vlaamse Code is opgesteld door een commissie onder aanvoering van Wim Criel, uitgever bij Roularta en vooraanstaand lid van de Vlaamse Raad voor de Journalistiek. In een interview met Knack – waarvan hij zelf uitgever is – legt Criel uit dat ethiek geen “smaak” mag hebben, geen moreel uitgangspunt. “In tegenstelling tot de Nederlandse Raad voor de Journalistiek nemen wij geen morele standpunten in.”

Die boutade lijkt mij een mooi uitgangspunt voor een Vlaams-Nederlands debat over ethische codes. Na de stilte die volgde op de publicatie van de Vlaamse Code (net als op de Nederlandse trouwens) kan een beetje rumoer geen kwaad.

Bert Brussen en de mislukte grap over Wilders

Een grap is mislukt als je erbij moet zeggen dat-ie leuk bedoeld was. Dat geldt ook voor ironie en dus ook voor het ironische citaat onder het kopje “Wilders met de dood bedreigen doe je zo” waarvoor Bert Brussen zich bij de politie moest melden, verdacht van haatzaaien.

In NRC Next mag GeenStijl-blogger Brussen vandaag uitleggen dat het OM hem domweg niet snapt. Natuurlijk deed hij geen oproep Wilders met de dood te bedreigen, laat staan dat de PVV-leider van Brussen mag worden vermoord. Het was een grapje, ironie.

Brussen heeft natuurlijk gelijk. Zo min als Youp van ’t Hek – Brussen geeft dit voorbeeld ook zelf – wordt vervolgd als hij god, koningin en vaderland op ironische wijze beledigt, zo min moet Brussen zich verantwoorden voor haatzaaien. Maar er is wel een verschil tussen de een en de ander, een verschil dat belangrijk genoeg is om op te merken.

Pijnlijk

Ironie is iets anders zeggen dan je bedoelt. Toen Wim Kan een minister “een hele bekwame man” noemde, begrepen we dat de bewindsman een sukkel moest zijn. Maar ironie veronderstelt dat de grappenmaker begrepen wordt, dat iedereen weet dat dit leuk bedoeld is. Onbegrepen ironie leidt tot pijnlijke misverstanden, en erger.

Het verschil tussen Youp en Brussen is dat we er bij de eerste allemaal en altijd vanuit gaan dat hij een grap maakt. Als Van ’t Hek op het toneel staat, weten we dat zelfs zeker – de cabaretier zou heel veel moeite moeten doen om in zijn kekke jasje tussen twee grappen door heel serieus en gemeend pakweg hare majesteit te beledigen.

Bij Brussen ligt dat anders. De ironie van GeenStijl en GS-adepten is wat lomper (“Ga ’s deaud”), humor en ernst lopen nogal door elkaar heen – een beetje zoals dat ook het geval was bij wijlen Gerard Reve: je wist nooit zeker of de volksschrijver het helemaal meende. Die verwarring van de niet helemaal begrepen of ontkende ironie is zelfs een stijlkenmerk, van Reve zowel als van GS.

In Next stelt Brussen vast dat het OM zijn ironie niet begreep. Dat klopt. Het zou dwaas zijn Brussen te vervolgen voor een slechte grap. Maar het kan geen kwaad vast te stellen dat de plek van de grap (niet het theater maar twitter een blog), de persoon (niet een bekende cabaretier maar een beetje bekende blogger) en de stijlvorm (Reviaanse ironie) nogal bijdroegen aan het misverstand.