november 1st, 2009

Heimelijk opnemen schaadt de journalistiek

Mag een journalist zonder het te zeggen een telefoongesprek opnemen? De Raad voor de Journalistiek worstelt met die vraag, nu blijkt dat veel onderzoeksjournalisten geen been zien in heimelijke opnames. Waarom houdt de Raad vast aan het beginsel dat journalisten met open vizier horen te handelen?

Met zijn allen nemen we tegenwoordig alles op. We zenden het ook onbekommerd uit. Niets zo bizar of het wordt met een mobieltje geregistreerd en op YouTube gekwakt. Hoe we pesten, vechten en copuleren. Hoe we over straat gaan. Hoe we sterven. Niets lijkt nog privé en dus wordt iedereen ooit, zij het kortstondig, een bekende Nederlander.

Met telefoongesprekken is het in de informatiesamenleving niet anders. Twintig jaar geleden moest je nog hannesen met een zuignapje en een cassetterecorder. Nu bel je met Skype en slaat je pc al je gesprekken automatisch op. Of betaal je negentien cent aan een internetbedrijf dat het voor je regelt – handig als je moet bewijzen dat je een dure impuls-aankoop hebt geannuleerd.

Dat allerhande callcentra “voor trainingsdoeleinden” gesprekken vastleggen wordt onderhand normaal gevonden. En waarschijnlijk vindt de Googlegeneratie (iedereen onder de 35) het al tamelijk vanzelfsprekend dat journalisten telefonische interviews opnemen. Jongeren zijn opgegroeid met de gemakken van digitale techniek – en met de ongemakken.

Zo bezien passen moderne journalisten die hun gesprekken opnemen zich gewoon aan. Bovendien hebben met name onderzoeksjournalisten nog een andere reden om gesprekken vast te leggen. In een steeds verder juridiserende samenleving kun je je maar beter wapenen tegen claims (“Dat heb ik niet gezegd… het is uit zijn context gerukt… daar ga ik jou voor laten betalen…”).

Heimelijk

De informatierevolutie verandert de samenleving, en beïnvloedt ook de journalistieke ethiek, heb ik laten zien in mijn boek Mediamores. Niet alle oude beginselen blijven overeind. Maar geldt dat ook voor het principe dat journalisten hun werk met open vizier doen, transparant en fair? Op die grondregel is artikel 2.1.6 van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek terug te voeren. Dat artikel zegt dat een journalist niet heimelijk telefoongesprekken opneemt.

De Raad worstelt met de spanning tussen zijn wat verwarrend geformuleerde Leidraad, de eigen door de jaren heen niet even consistente oordelen en de praktijk van onderzoeksjournalisten, zo bleek toen een klacht tegen NRC-verslaggever Joep Dohmen gegrond werd verklaard. Ik ben lid van de Raad, maar laat mij niet uit over de kwestie-Dohmen. Ook wil ik niet de indruk laten ontstaan dat de uitspraak in de zaak-Dohmen nog kan worden herroepen. De Raad kent (nog) geen procedure om uitspraken te herzien.

Los van de aanleiding, meng ik mij nu wel graag in het door de Raad geëntameerde debat (zie Dohmen, Evers) over het principe: mag een journalist zonder het te zeggen een telefoongesprek opnemen?

Het hangt er vanaf.

Van de wet mag het. Anders dan veel mensen denken is het opnemen van je eigen telefoongesprekken niet strafbaar. Maar het voert te ver om – zoals onderzoeksjournalist Jeroen Trommelen (de Volkskrant) doet – daaruit te concluderen dat de Raad dus niet iets anders mag of kan vinden. Beroepsethiek en wetgeving vallen vaak wel, maar soms ook niet samen. Een enkele keer is de ethiek minder streng dan de wet (over het publiceren van gestolen documenten bijvoorbeeld), in een andere situatie is die ethiek wat strenger (als ze de privacy van verdachten en veroordeelden beschermt).

In de tweede plaats scheelt het of de journalist voor een krant werkt, of voor radio en tv. De meeste dagbladjournalisten zullen een telefoongesprek niet opnemen om het uit te zenden, terwijl rtv-verslaggevers met lege handen staan zonder die ene digitale quote. Het is geen toeval dat de meeste uitspraken van de Raad in dit type zaken over radio- en televisiejournalisten gingen. Hoewel de Raad niet consistent is geweest, is de lijn helder: een rtv-journalist hoort geen voor uitzending bedoeld telefoongesprek op te nemen zonder dat vooraf aan zijn gesprekspartner te vertellen.

Mag een schrijvende journalist het dan wel?

Dat hangt er nog steeds vanaf. Gek genoeg ook van de geïnterviewde, bijvoorbeeld. In het verleden heeft de Raad dat wel eens een rol laten spelen. Naar mate, luidt ongeveer de redenering, iemand meer ervaring heeft met de pers, als woordvoerder of bekende Nederlander bijvoorbeeld, zal hij minder verrast zijn als zijn uitspraken heimelijk worden opgenomen: it takes one to know one. Een wat te cynische kijk op ons vak.

Stiekem

Nu het technisch eenvoudiger wordt telefoongesprekken op te nemen, zullen ook steeds meer schrijvende journalisten dat doen. Omdat het handig is. Omdat je preciezer kunt citeren. Omdat je beter luistert. Meestal niet om die conversaties uit te zenden (al moeten we niet vergeten dat journalisten multimediaal worden, en krantenredacties experimenteren met radio of tv).

Ironisch genoeg kraait er waarschijnlijk geen haan naar als de journalist zonder het te zeggen een bandje laat meelopen. Voor de geïnterviewde maakt het immers geen verschil of de journalist snel schrijft, een goed geheugen heeft, steno beheerst of een iPhone-app het gesprek laat opnemen. Wat niet weet, wat niet deert. Niks aan de hand, toch?

Je zou kunnen zeggen: zolang de geïnterviewde er geen last van heeft, moeten we niet moeilijk doen over het heimelijk opnemen van telefoongesprekken. Dat lijkt pragmatisch, maar het stuit mij tegen de borst. Niet alleen omdat de journalist vaak nog een tweede reden had het gesprek vast te leggen: het is een verzekering tegen juridisch gelazer van een bron die ontkent iets gezegd te hebben. Dat een journalist zich indekt tegen schadeclaims is legitiem en verstandig, maar de vraag blijft of hij dat stiekem mag doen. Vooralsnog niet, vind ik. Een journalist speelt open kaart en gebruikt geen trucs.

Maar er zijn uitzonderingen. Ik snap wel dat je als onderzoeksjournalist je scoop om zeep helpt als je altijd braaf meldt dat “er een bandje meeloopt”. Als je al weken werkt aan een vastgoedfraude of politiek schandaal, en je na veel duwen en trekken die ene uiterst schuwe bron eindelijk aan de telefoon hebt, zit je niet te wachten op ethische puristen. Opnemen dus. Als geheugensteun én bewijsmiddel.

Zolang deze situaties de uitzondering zijn, en niet de regel, is er niets mis. Net als bij de vraag of je als journalist under cover mag gaan of een verborgen camera mag gebruiken, maakt de Raad voor de Journalistiek in een specifieke casus, na een klacht dus, een afweging: is met het journalistieke onderzoek een gewichtig maatschappelijk belang gemoeid en kon het doel op geen andere manier worden bereikt? Als dat zo blijkt te zijn, kan de methode door de beugel.

Waarom til ik hier zo zwaar aan?

De relatie tussen pers en publiek is al een jaar of tien niet best: “de media heeft ‘t gedaan”, nietwaar? Des te belangrijker dat een journalist in principe met open vizier te werk gaat. Voor een deel is daarop het vertrouwen gebaseerd dat de samenleving in de journalistiek stelt. De pers controleert de macht die van alles te verbergen heeft, maar moet zelf transparant zijn – want niemand controleert de pers dan die pers zelf. Het alternatief, stringentere regulering door de wet, verkies ik niet.

Het ethische beginsel over het opnemen van telefoongesprekken, moet overeind blijven, zij het beter geformuleerd. De Leidraad zegt dat een journalist geen gesprek mag opnemen als dat bedoeld is voor publicatie of uitzending. Dat is nodeloos verwarrend. Want wat is “publiceren”? Hoe doe je dat met een audio-opname, anders dan hem uit te zenden? Publiceer je als je in een krantenstukje uit de opname citeert? Is van publiceren pas sprake als je de gesproken tekst van het bandje verbatim in de krant afdrukt? Of bedoelt de Leidraad juist te zeggen dat opnemen is toegestaan zolang je de opname maar niet als opname gebruikt?

Waarschijnlijk is het verschil irrelevant, en wordt gewoon bedoeld dat een journalist transparant te werk gaat. Hoewel de Googlegeneratie er allicht wat makkelijker mee omgaat, denk ik dat de meeste mensen het nog altijd een onaangename gedachte zouden vinden als ze zouden weten dat hun gesprek met een journalist heimelijk wordt vastgelegd.

Dat die journalist dat alleen “voor eigen gebruik” doet, dat je er dus niks van merkt, dat het zelfs ook in jou belang is als je wordt “afgeluisterd” – ik kan het niet uitleggen. Er zit iets onbetrouwbaars in, want als er gedoe komt, is de journalist niet te beroerd zijn bandje als bewijsmateriaal te overleggen. Dat opportunisme deugt niet. Het lijkt mij per saldo funest voor het vertrouwen van de burger in de journalistiek, en dus voor de journalistiek zelf.

Henk Blanken is adjunct-hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden, en lid van de Raad voor de Journalistiek.

Stem of voeg toe aan Uitleg over het gebruik van deze icons : Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je favorieten op Technorati Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner Maak een notitie op deze pagina met Fleck

Gepost in Media en ethiek

5 Comments »

Volg commentaar op deze post in de commentaar RSS 2.0 feed. Reageer, of trackback.

5 Responses to “Heimelijk opnemen schaadt de journalistiek”

  1. Rolf Bosboom:

    Het voornaamste is dat de journalist open is over zijn bedoelingen (‘open vizier’). De geïnterviewde moet dus weten wanneer zijn uitspraken ‘for the record’ zijn – en dus kunnen worden gebruik voor publicatie – en in welke context deze worden geplaatst.

    De wijze waarop de journalist het gesprek vastlegt, is daarbij van ondergeschikt belang. Er is, naar mijn idee, geen wezenlijk verschil tussen met pen en papier aantekeningen maken (zou de journalist dat dan ook vooraf moeten melden?) of een bandje laten meelopen, zolang de opname maar uitsluitend met dat doel wordt gebruikt.

    Ik zie overigens niet in wat er mis zou zijn met het gebruiken van het bandje als ‘bewijsmateriaal’ bij eventuele conflicten. In de judas-affaire met Wouter Huibregtsen (1998) moesten we het doen met aantekeningen op de achterkant van bankafschriften van de betrokken Volkskrant-journalist. Dan lijkt me, voor beide partijen, een geluidsopname een beter alternatief.

  2. Heimelijk opnemen schaadt de journalistiek « De nieuwe reporter:

    [...] stuk verscheen eerder op de weblog van Henk Blanken. [...]

  3. Bart Brouwers:

    Henk, dat zijn wel heel veel woorden om alle gewenste nuanceringen kwijt te raken. Maar geeft dat niet nét aan dat de “oude lijn” (stiekem opnames maken is onwenselijk) onhoudbaar is geworden? Zoals op zo veel fronten is het ook hier de techniek die de cultuur verandert. Je stelt zelf al vast dat een skype-gesprek automatisch wordt opgenomen, of dat je provider dat voor je doet. Die trend zal alleen maar sterker worden. De vraag is dus niet óf we het opnemen van telefoongesprekken maatschappelijk ooit als vanzelfsprekend gaan zien, maar vooral wanneer dat het geval is.
    En nu weet ik ook wel dat de raad niet het meest vooruitstrevende orgaan is dat we kennen, maar in dit geval zou het mooi zijn als juist hier een heldere stap gezet kan worden. En die is volgens mij niet een vasthouden aan oude waarden met steeds meer nuanceringen, maar juist een flukse sprong voorwaarts: wie spreekt met een journalist moet er van uit gaan dat het gesprek wordt vastgelegd – met alle middelen die de journalist heeft.

  4. Jan-Willem:

    Als je van de wet je eigen gesprekken mag opnemen (let wel: niet uitzenden), waarom zouden we het dan volgens jou ethisch gezien niet moeten doen? In een wereld waar 3 voorlichters op 1 journalist werken en steeds meer gedreigd wordt met juridische stappen, lijkt me een tapeje een goed hulpmiddel om je punt te maken. Nog los van het feit dat je door op te nemen letterlijker en dus beter kan citeren.
    Ik vind dat jouw publicatie van je standpunt over opnames het vertrouwen in de journalistiek meer schaadt dan het af en toe opnemen van belangrijke telefoongesprekken. De journalistiek heeft het al moeilijk genoeg.

  5. henk blanken:

    @Jan Willem, Bart: Ik heb alle (hoop ik) argumenten op een rij willen zetten in de discussie. Het nut van het debat lijkt me dat ook de tegenovergestelde argumenten scherp worden. Jullie formuleren het heel helder. We zouden er voortaan vanuit kunnen gaan dat telefonische gesprekken met journalisten altijd worden opgenomen; en als het met de bedoeling is dat gesprek uit te zenden (of de audio op internet te zetten, wat net niet hetzelfde is als uitzenden), dan zeggen we dat er nog steeds bij.

    Ik denk dat veel journalisten wel toe zijn aan zo’n benadering. Ik geloof ook dat, zoals ik al schreef, de Googlegeneratie er geen probleem mee zal hebben. Maar geldt dat ook voor de rest van ons publiek. Vergeet niet dat tweederde van de bevolking boven de 12, van het mediapubliek zeg maar, van voor 1980 is, en dus niet is opgegroeid met nieuwe media en alles wat daarbij komt, qua cultuur en techniek.

    Je zou kunnen bedenken dat je geen 25 of 30 hoeft te zijn om die cultuur ook te snappen. Maar ik aarzel. Mijn huidige standpunt komt niet voort uit wat journalisten vanzelfsprekend vinden, maar wat ons publiek accepteert. Ik geloof dat dat leidend moet zijn voor het standpunt dat de raad uiteindelijk inneemt.

Reageer

XHTML: Gebruik van deze tags mag <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>