juni 30th, 2007

Tien redenen waarom journalistiek een grote toekomst heeft

Lijstjes werken, vooral op internet, maar ook kranten en tv-programma’s spelen er mee. Dat leidt niet per se tot betere journalistiek, want lijstjes zijn meestal niet meer dan een simplistisch format om een verhaal te vertellen dat geen andere bestaansreden heeft dan dat er een lijstje bij kon worden gemaakt. Maar er zijn uitzonderingen.

Tien redenen waarom journalistiek zal blijven bloeien, is zo’n voorbeeld. De Amerikaanse freelance journalist Mark Glaser, bekend van columns voor universiteiten en als auteur van Media Grok – een rubriek in de Industry Standard -, heeft het rijtje samengesteld.

Lijstjes zijn leuk als ze je dwingen nog vijf argumenten te bedenken bij een bijna onhoudbare stelling, die met de eerste vijf al vrijwel al haar geloofwaardigheid had verloren. Goeie kans dat je uiteindelijk toch tien samenhangende argumenten vindt, waarvan er eentje – bijna bij toeval gevonden – een verpletterend inzicht biedt.

Geldt dat ook voor Glasers lijstje? Hij signaleert dat oude media het moeilijk hebben door internet en nieuwe technologie. Vervolgens legt hij de nadruk op de zegeningen van de moderne tijd voor de journalistiek. Hier komen er een paar:

  1. 1. Dankzij internet heb je toegang tot journalistieke producties over de hele wereld.
  2. 2. Personalisatie en verzamelsites is wat de lezers willen.
  3. 3. De journalist heeft zich bevrijd van zijn distributiebeperkingen.
  4. 4. We hebben meer fact checkers dan ooit tevoren.
  5. 5. Journalisten doen onderzoek samen met lezers.
  6. 6. De media zijn meerstemmiger geworden nu journalisten het niet meer alleen voor het zeggen hebben.
  7. 7. Journalistiek wordt transparanter en de toon wordt authentieker en persoonlijker.
  8. 8. De advertentieinkomsten online nemen toe.
  9. 9. Het internet is goed voor het milieu (omdat het geen papier verbruikt).
  10. 10. Verhalen houden nooit meer op.

De eerste negen argumenten zijn al wat langer bekend en kunnen me niet echt overtuigen. Ze dragen wel bij aan de toekomst van de journalistiek, maar garanties zijn er niet. Ik geloof erg in meer transparantie, authenticiteit en accountability – maar heb op de vraag “Welke dwingende, onmisbare rol moet en kan de journalistiek spelen?” nog geen sluitend antwoord.

Ja, het vak is nodig. Journalisten moeten er zijn om de burger te informeren, de macht te controleren, de parlementaire democratie gezond te houden. Maar die wens, dat onmiskenbaar nobele doel, leidt niet zomaar tot een reden van bestaan. Omdat het in de eerste plaats de wens van de journalistiek is, en niet meer per se de wens van het publiek. Daardoor word je wel gedwongen je af te vragen welke legitimiteit de journalistiek overhoudt, laat staan welk business model er aan ten grondslag ligt.
In het rijtje argumenten van Glaser springt er niettemin een uit. Of het inzicht verpletterend is, weet ik niet. Prikkelend is het wel: verhalen houden nooit meer op:

Perhaps one of the weakest points about traditional journalism is that there’s rarely any follow-ups on big stories. It usually takes a professional reporter having to go back and report what’s happened since the big story. But online, stories can live on for much longer in flexible formats, allowing people to update them in comments or add more facts as they happen. Wikinews is one example of user-generated news stories that can be updated and edited by anyone. What do you think? What other reasons do you think journalism has a bright future ahead? Or are you a techno-pessimist who thinks none of this will presage better days for journalism? Share your thoughts in the comments below.

Stem of voeg toe aan Uitleg over het gebruik van deze icons : Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je favorieten op Technorati Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner Maak een notitie op deze pagina met Fleck

Gepost in Blog

26 Comments »

Volg commentaar op deze post in de commentaar RSS 2.0 feed. Pingen nu niet mogelijk.

26 Responses to “Tien redenen waarom journalistiek een grote toekomst heeft”

  1. Arjan Dasselaar:

    Het simpelste argument – economische specialisatie – hoor ik nooit in dit soort discussies. Ik kan best brood bakken, maar laat dat over aan de bakker, want die doet het beter en sneller (en levert dus een beter (of minder slecht) product tegen een lagere prijs).

  2. Henk Blanken:

    @Arjan: een brood bak je niet in een p2p-netwerk. Een encyclopedie en een bierrecept, een theorie over het bestaan van god en een besturingssysteem – je kunt ze allemaal op een open source manier maken. Dat geldt ook voor een recept voor brood, maar niet voor een brood zelf.

    Ik ben ervan overtuigd dat de journalistiek een vak is dat je kunt leren en moet onderhouden, niet anders dan het bakken van brood. Maar netwerktechnologie heeft iets raars gedaan met economische specialisatie.

    Het heeft sommige specialismen minder speciaal gemaakt, het heeft ze open gesteld voor amateurs (om maar te verwijzen naar het boek van Andrew Keen). En dat is, als je er goed over nadenkt, natuurlijk al vaker gebeurd.

    Filosofen, dichters, componisten, tuinarchitecten, godsgeleerden, loodgieters en prostituees hebben allemaal vroeger of later in de geschiedenis concurrentie gekregen van amateurs. Heel vaak, maar niet altijd, vermoed ik, ging daaraan de doorbraak van nieuwe technologie vooraf (het schrift, plastic) of een maatschappelijke onwenteling (welvaart voor de massa, een verdwijnend taboe).

    Internet is zo’n technologie. Journalistiek het slachtoffer, in die zin dat het vak zich niet langer kan beroepen op vanzelfsprekendheden (zoals een loodgieter heeft moeten wennen aan de Gamma).

  3. Lia:

    Henk, wat leuk dat je amongst others mee gaat denken over neverending stories. Ik schreef je al eerder (http://www.henkblanken.nl/?p=397#comment-21297) dat, uitgaande van het principe dat iedereen zijn eigen waarheid heeft, dat een verhaal nooit ‘af’ is, dat geschiedenis een groeiend document is, de krant daarop in zou kunnen gaan spelen. Zelf denk ik dat ‘de journalistiek’ vaak uitgaat van een begin en eind van een verhaal, dat die door de journalistiek afgebakende kaders door anderen vervolgens als verstikkend worden ervaren, of als onjuist, en dat zij hun verhaal daar dan tegenover zetten. De meningen stapelen zich zo op elkaar, maar ondertussen komen we geen steek verder.

    Je zag dit ook terug in de discussie over de uitzending van Zembla over Ayaan, en in de reactie die die uitzending opriep bij Wansink en Berkeljon (http://www.denieuwereporter.nl/?p=1008). Zij verwijten Zembla niet transparant te zijn geweest over het doel van de uitzending (overigens kan dat een groeiproces voor de redactie zijn geweest), maar waren dat zelf ook niet (kan ook een groeiproces zijn geweest). In beide gevallen neemt het niet weg dat ze hoor- en wederhoor toe hadden moeten (blijven) passen (Zembla ook nadat het uitgezonden was) en hadden moeten strijden met open vizier over respectievelijk het doel van de uitzending, de uitgave), al was het alleen al om te kunnen blijven groeien.

    De enige manier om aan neutrale en onafhankelijke berichtgeving te kunnen doen is om, voordat je aan het uitwerken van een onderwerp begint, helder te hebben wat het punt is dat je wilt maken. Goede journalistiek begint daarom bij de zelfkennis van de journalist begint, en bij zijn moed om zichzelf in de spiegel aan te durven kijken.

    Nav een verslag van Volkskrantcorrespondent Alex Burghoorn over de volkomen uit de hand gelopen situatie in Gaza (hoe komt het toch dat niemand op tijd mét woorden in een situatie ingrijpt zodat onnodig bloedvergieten voorkomen kan worden?) schrijft Stan van Houcke (https://www.blogger.com/comment.g?blogID=18389680&postID=774769926689284600&isPopup=true) dat het “de journalisten (zijn) die de geest rijp maken voor geweld.”

    Is het algemeen erkend binnen de journalistiek dat “het de journalisten (zijn) die de geest rijp maken voor geweld”?.

    Op een bericht van mij aan de NRC dat ik naar aanleiding van hun hoofdredactioneel commentaar over het Moluks isolement ((www.nrc.nl/opinie/hoofdartikelen/article721948.ece/Moluks_isolement) de krant opzeg, reageerde Folkert Jensma:


    Geachte mevrouw,
    jammer dat u de krant op zegt n.a.v. dit commentaar. We hebben bedoeld daarin juist te pleiten voor verzoening door aan te geven dat de termen waarin de herdenking van de daders plaatsvond niet passen bij de feiten van toen. De geschiedenis van die ‘anderen’ waar u voor pleit kan niet dienen om de kaping bij de Punt te rechtvaardigen. Die waarheid als een koe heeft weinig te maken met culturele achtergrond of historische context. Daar hebben we behalve kennis van ook begrip voor – in het commentaar worden de daders ook aangeduid als slachtoffers. Maar dat neemt niet weg dat over de feitelijke aanslag op de trein in nuchtere termen gesproken zou moeten worden.
    met vriendelijke groet,
    Folkert Jensma
    NRC Handelsblad
    commentator

    —–

    Ik waardeer het dat Jensma voor verzoening wil pleiten, maar hij doet dat hier wel op een rare manier. Vanuit zijn ‘onafhankelijke derden’-toren heft hij zijn morele vinger en zegt hij dat “de termen waarin de herdenking van de daders plaatsvond niet passen bij de feiten van toen”. Het lijkt mij dat als Jensma meent voor verzoening te moeten pleiten, hij niet had moeten schrijven dat “dat de termen waarin de herdenking van de daders plaatsvond niet passen bij de feiten van toen”, maar had moeten schrijven dat “wij van de NRC vinden dat de termen waarin de herdenking plaatsvond niet passen bij de feiten van toen”.

    —–
    Meneer Jensma,

    dank u voor uw bericht. Ik begrijp dat uw intentie niet het klein maken van anderen is, dat zou een rare intentie zijn, doch ik heb er moeite mee dat u zegt op deze manier voor verzoening te pleiten. Ik zeg niet dat de kapingen goed te keuren zijn, noch dat het een handig middel was om aandacht voor de zaak te vragen (kennelijk werd het destijds als laatste/enige middel gezien – hoe komt dat?), noch zeg ik dat het deel van de Molukse gemeenschap dat gisteren in Assen haar doden herdacht, niet genuanceerder zou kunnen zijn. Maar wat ik me afvraag is dit. Denkt de NRC werkelijk dat zij met commentaren als deze, die nuance bevorderen zal?

    “De treinkaping bij de Punt door Molukkers, dertig jaar geleden, was géén geweldloze actie maar een terreuraanslag. De bevrijding van de passagiers met militair geweld was, ook achteraf, gerechtvaardigd. En zoveel jaar later kan worden vastgesteld dat een deel van de Molukse gemeenschap zich nog niet met deze feiten heeft verzoend. Net zomin als met de slachtoffers en de tegenstanders van toen. /…/ Wie daar de doden van de kaping wil herdenken, moet alle feiten onder ogen zien. De treinkaping was een wandaad, gepleegd door politiek verblinde extremisten, die niet valt goed te praten.”

    Het ziet ernaar uit dat de pot de ketel verwijt dat ze zwart ziet. In uw hoofdredactioneel commentaar beziet u de kaping vanuit één historisch perspectief en het mist daardoor álle nuance. Het is veel te makkelijk om de bal alléén bij de Molukse gemeenschap neer te leggen, de toenmalige regering heeft in het allereerste stadium haar verantwoordelijkheid, namelijk een transparant gesprek aangaan waarin wederzijdse verwachtingen en mogelijkheden werden besproken, laten liggen. Ik had eigenlijk gedacht dat de journalistiek in plaats van zaken dertig jaar na dato nog uit te vergroten, iets in het aanbrengen van nuances betekenen kon.

    Hartelijke groet,

    Jensma schijnt niet te beseffen dat de realiteit van de één een heel andere realiteit kan zijn als die van een ander, maar dat dit hem niet ´minder waar´ maakt. De realiteit van de Molukse jongeren die kapers werden, was een volstrekt andere realiteit dan die van toenmalig minister president Den Uijl en minister van justitie Van Agt. Hij was gebaseerd op en kwam voort uit een andere historische context en een andere culturele achtergrond. Als de Nederlandse regering dat destijds tijdig had erkend en, nadat daar vele malen door de Molukse gemeenschap om was verzocht, op een gesprek ingegaan was, dan was de hele kwestie misschien wel helemaal nooit zo geescaleerd.

    Jensma schrijft vanuit zijn perceptie van de derde, onpartijdige partij. Zijn “waarheid als een koe” is dat er een trein gekaapt is, en dat ongeacht welke historische achtergrond die jongens dan ook hadden, dat niet had gemogen.
    Vervolgens echter probeert hij de kwestie in perspectief te zetten, maar snapt hij niet dat hij in zijn commentaar uitgaat van een ander beginpunt van de hele kwestie dan (een deel van) de Molukse gemeenschap dat doet. Jensma denkt boven de huidige situatie (de herdenking) te hangen en te zeggen, joh, het had jullie gesierd als je tijdens de herdenking de kaping in perpectief gezet had en gezegd had, wat daar gebeurd is, was fout. Maar precies daarmee toont hij aan dat hij uitgaat van het perspectief van de Nederlandse regering van toen. En speelt hij voor moreel rechter. Hij plaatst in zijn commentaar de verschillende contexten niet naast elkaar, maar zegt: “jongens, jullie vrienden waren geen vrijheidsstrijders maar verblinde extremisten met politieke idealen”.

    Ik denk dan: succes met het verzoenen Folkert, maar ik denk eerder dat je vanuit je ‘onafhankelijke derdenpositie die vast niet door alle partijen zo wordt ervaren’ de zaken verscherpt.

    Gelukkig zie ik wel een tendens dat steeds meer mensen dit punt van de journalistiek ter discussie stellen, wat bij mij de hoop oproept dat binnen het journalistieke werkveld het belang van de factor tijd om een goed verhaal te maken weer wordt erkend. Wat nodig is, want de journalistiek wil de geschiedenis beschrijven van vandaag, maar beseft ze niet dat ze zelf de geschiedenis schrijft.
    Groet,

  4. TRS:

    http://www.jibjab.com/originals/what_we_call_the_news

  5. Lia:

    Henk, ik vind het jammer dat je in je reactie op Arjan zegt dat ‘journalistiek het slachtoffer is geworden”.

    Ik denk namelijk dat journalistiek zichzelf lang als onafhankelijke derde heeft beschouwd, hangend boven de wereld om objectief haar werk te kunnen doen, maar dat ze door de komst van infotechnologie betrokkene geworden is. Ze kan zichzelf daardoor niet meer als onafhankelijke derde beschouwen, maar zou vanuit die betrokken positie naar nieuwe wegen moeten zoeken (niet te noemen dat jij daar met anderen al mee bezig bent). Het is een verschil in denkmethodiek. Als je jezelf als onafhankelijke derde ziet, is dat het perspectief van waaruit je schrijft. De vraag is, ervaren anderen dat ook nog op die manier, zien zij de journalist nog als onafhankelijke derde, of niet. Ik denk dus van niet, vandaar de groeiende minachting van het publiek voor de journalistiek, en dat lijkt mij een belangrijk punt van aandacht. De journalistiek haar taken herdefinieren, en daar wordt aan gewerkt, zij het op individueel niveau en nog niet als beroepsgroep in het algemeen. Waarom geen denktank formeren bestaande uit verschillende pluimage, die zich daarmee bezig houdt, die voorstellen doet waar vanuit het vakgebied en elders weer op gereageerd kan worden? Lijkt mij hartstikke leuk, goed, en leerzaam bovendien.

    groet,

  6. Henk Blanken:

    @Lia: je vorige reactie was zo lang en zo off topic dat ik er niet op wil reageren. In je laatste reactie raak je wel aan het probleem (de journalistiek moet betrokkenheid gaan tonen), maar slaag je er niet in mij uit te leggen waarom journalistiek door informatietechnologie al betrokkene is geworden. Was het maar, denk ik dan.

    Overigens valt me op dat jij (en met jou nog wat buitenstaanders) in mijn stukken voortdurend lijkt te willen lezen dat ik de journalistiek bescherm ten koste van alles. Dat verbaast me, omdat ik telkens weer probeer mijn eigen vak en mijn vakgenoten kritisch te benaderen (en ja, ook mijn eigen rol en denken).

    Dat geforceerd schematisch denken vermoeit me soms. Journalisten deugen niet. Hij is journalist. Hij deugt dus ook niet. Of: Journalisten kunnen niet innoveren (wat ik ook geregeld beweer). Hij is journalist. Hij wil dus niet vernieuwen.

    Ik bedoel maar: het is prettig met je in debat te gaan, maar lees ajb wat er staat.

  7. Lia:

    Ha Henk, dat je meent dat ik in je stukken wil lezen dat je de journalistiek ten koste van alles wilt beschermen, is een misverstand. Ik denk helemaal niet dat jij de journalistiek ten koste van alles wilt beschermen, ik denk, en dat gaf ik eerder op DNR ook al aan, dat de journalistiek bezig is haar taken te herdefinieren, dat ze daar zoekende in is, en dat jij amongst others daar een voortrekkende rol in hebt. Ik vind dat een realistische en een positieve insteek, en iets volstrekt anders dan denken dat jij het vak beschermt. Ik hoop dat het misverstand hiermee dan ook de wereld uit is. Wat ik wel denk, maar correct me if I’m wrong, is dat jij die zoektocht naar een herdefiniering van taken van ‘binnenuit’ onderneemt, dus vanuit je rol als journalist, vanuit het kader van journalist, en ik weet niet of het vanuit die plek zo makkelijk is om zo’n zoektocht te ondernemen en om mogelijke nieuwe wegen bloot te leggen/te zien.

    Verder zeg ik dat de journalistiek betrokkene geworden is. En daarmee bedoel ik dit: de journalistiek heeft door de inmiddels talloze mogelijkheden om aan informatie te komen, haar rol als enige informatieverschaffer verloren. Zij is niet meer zoals dat voorheen wel het geval was (of beter gezegd: zoals dat tijdens de verzuiling ervaren werd) de enige onafhankelijke derde die ons informatie verschaft, er zijn heel veel zichzelf onafhankelijke derde noemenden gekomen die informatie verschaffen. En die zeggen: waarom zou de journalistiek zichzelf wel als onafhankelijke derde mogen beschouwen en mag ik, die het werk op dezelfde manier uitvoert, of: mag ik, die ook een podium biedt, mij niet als onafhankelijke derde beschouwen. Die zichzelf afvragen waar dat onderscheid ligt.

    Ik schreef al eerder dat mensen, organisaties, bedrijven zich bijna niet meer laten beinvloeden, zich alleen nog maar laten beinvloeden door dat waar ze zich door willen laten beinvloeden en zeker niet meer gevoelig zijn voor beinvloeding van ‘bovenaf’ zoals dat tijdens de verzuiling wel het geval was. Met andere woorden: mensen zoeken hun eigen pad. Ze zijn onafhankelijk geworden: in hun relaties, van hun omgeving, van hun werkgever, van nou ja, noem maar op, omdat ze veel meer dan vroeger keus hebben en keuzes mógen, kunnen, willen, durven maken. Dat de journalistiek daar nog een taak meent te hebben liggen, is een volstrekt zelfoverschattend idee, en ik denk dan ook dat tenzij de huidige zichzelf serieus nemende journalistiek zou zeggen: laten we de huidige afhankelijkheidsverhoudingen eens in kaart brengen, hoe zien die er momenteel eigenlijk uit, hoe ziet onze ‘nieuwe omgeving’ die niet meer in de kaders van de verzuiling past, er eigenlijk uit, ten dode opgeschreven is. Maar misschien is dit te schematisch gedacht en zie jij het op een heel andere manier?
    Met groet,
    van Lia,

  8. Henk Blanken:

    @Lia: als je het zo formuleert, ben ik het volstrekt met je eens. Dat ik van binnenuit redeneer, is waar. Maar ik ben nu eenmaal wie ik ben, sinds een jaar of dertig journalist.

  9. Lia:

    haha, zo hebben we allemaal wat ;->>
    groeten,

  10. Mark Deuze:

    Henk, al deze redenen – inclusief nummer elf van Arjan – missen een belangrijke dimensie: dat “crowdsourcing” online journalisten economisch nagenoeg overbodig maakt. Die trend zet zich al enige tijd in: massa-ontslagen bij alle gevestigde nieuwsmedia, en de enige banen die er aan de onderkant bijkomen zijn van tijdelijke, projectmatige of anderszins contingente aard.

    We kunnen dan wel van alles vinden en willen van de journalistiek, maar er IS helemaal geen “journalistiek” als beroep meer – louter een enorme verzameling individuen die onder elkaar moeten vechten voor de contractuele broodkruimels die op verschillende manieren falende broodheren hen toe (kunnen, willen of moeten) toe gooien.

    Moet een van die redenen niet zijn – of moet de basis voor al die redenen niet zijn – een nieuwe vorm van arbeidsorganisatie van journalisten? Dus niet in de zin van redactieraden, FNV Kiem of (met alle respect) NVJ, maar veel meer in de zin van georganiseerde, internationale netwerken en samenwerkingsverbanden, kennisdeling, uitwisseling, et cetera?

    Ik moet hieraan denken nu ik het pittige maar ook ontluisterende boek Organized Networks van Ned Rossiter (in 2006 uitgegeven in Rotterdam) lees – dat gaat over de exploitatie van arbeid (zowel het werk van beroepsmensen als dat van de vrijwilligers in bijvoorbeeld de ‘burgerjournalistiek’) in de media.

  11. Henk Blanken:

    Mark, er werken in Nederland nog steeds tienduizend journalisten. Dat zijn er minder dan vroeger. Maar je bent voorbarig: het vak is nog niet verdwenen. Dat laat onverlet dat het vak bedreigd wordt (we hebben daar een boek over gemaakt), en dat het allicht tijd wordt voor een andere organisatievorm dan een beroepsorganisatie, naast die beroepsorganisatie, niet noodzakelijkerwijs in plaats ervan.

  12. Mark Deuze:

    7-8 jaar geleden had al ruim een vijfde van die 10.000 journalisten geen vaste aanstelling meer – en die groep bestond destijds vooral uit: vrouwen, jongeren, en etnische minderheden. enkele jaren eerder stond dat percentage nog op ongeveer 10%, en voor de jaren negentig was het minder dan 2%. recent internationaal onderzoek stelt het aantal “atypische” werkers in de journalistiek op tenminste 30% maar erkent dat het er waarschijnlijk nog veel meer zijn, omdat veel journalisten op deze manier niet met formele contracten maar juist met “mondelinge afspraken” werken.

    Ik ben het met je eens dat we naar een nieuwe beroepsorganisatie toe moeten NAAST de bestaande – dat zeker. maar hoe ziet deze er dan uit en hoe kunnen we voor die deels autonome en deels uitgebuite beroepsgroep de noodzakelijke garanties en voorwaarden scheppen zodat ze echt mooie, kritische, onafhankelijke, ethische journalistiek kunnen gaan maken?

    Technologie kan hierbij een rol spelen (met een HD handheld camera, een mobieltje en een laptop kom je als eigengereid journalist al een heel eind), maar wat van werkbescherming?

    ik weet via Erik van Heeswijk dat de NVJ zich hier het hoofd al over breekt – maar wat kunnen wij daaraan bijdragen?

    Henk ik denk dat ik het deels ook heb over de consequenties van onze argumentatie in PopUp. Daar sta ik nog steeds volledig achter (zurige recensies van voormalige krantenmannen – nu – als – hoogleraren – weggesaneerd daargelaten), maar ik wil verder doordenken over de praktische gevolgen, vooral voor de individuele journalist, de nieuwkomer, het aanstormend talent.

  13. Henk Blanken:

    Mark: we zijn het eens.:-)

  14. Lia:

    Henk en Mark, is er een profiel (en dan bedoel ik meer dan (meer dan mooie, kritische, onafhankelijke, ethische journalistiek) van een “aankomend journalistiek talent”? Als je dat hebt, kun je ook de kaders definieren van een journalistieke organisatie, lees: het organiseren van het journalistieke beroep anders dan een vakbond’.
    grt.
    Lia

  15. Mark Deuze:

    Lia: prachtvraag. wat denk je zelf? in principe is iedereen journalist. alleen niet iedereen zal zich geroepen voelen het onderste uit de kast te halen, onderzoek te doen, diepgaande reportages te maken, enzovoorts. dat betekent niet dat we daarvoor professionals nodig hebben – dat betekent dat we daarvoor mensen nodig hebben waarbij we voor wiens activiteiten iets tegenover kunnen zetten: vrijheid van meningsuiting, shield laws, zelfbeschikking over het eigen auteursrecht (!), wettelijke regeling die het lonend maakt om onafhankelijk aan het werk te gaan.

    het profiel van de nieuwe journalist bestaat wat mij betreft uit zij of hem, die onze “negen geboden” als uitgangspunt neemt – samen met een diepgewortelde passie voor het publieke belang – en dit dan ook als hoofdbezigheid wil uitoefenen (hetgeen betekent: daar ook de boterham mee wil/zou moeten kunnen verdienen).

    maar ik denk nu hardop na/mee… dus ben er zeker nog niet uit. tips?

  16. Lia:

    Tuurlijk Mark, altijd.

    :->>

    Communiceren over verwachtingen en mogelijkheden, zowel binnen de beroepsgroep als
    tussen beroepsgroep en publiek.

    Definieer publiek: Je schrijft over wie voor wie. Geinterviewd maar lezer tegelijk.

    Communicatie mogelijk maken en openingen bieden, zowel binnen de beroepsgroep als tussen beroepsgroep en publiek.

    mvrgrt.

    p.s. Heb jij ambacht onder die negen geboden staan?
    grt.

  17. Lia:

    Een belangrijke, die ik voor een profielschets van journalist niet zou willen vergeten:

    is in staat:
    ruimte voor interpretatieverschillen te verkleinen;

    gewenste te behalen resultaten te benoemen;

    met beroepsgenoten te communiceren over verwachtingen en mogelijkheden;

    met publiek te communiceren over verwachtingen en mogelijkheden;

    publiek belang te definieren;

    publiek te definieren;

  18. Erik van Heeswijk:

    Ik hoorde mijn naam vallen en klim maar even in mijn toetsenbord. Wie claimt zeker te weten welke kant het met de professionele journalistiek op gaat is een fantast. Maar een ding is duidelijk: de journalistiek, zoals zovele beroepsgroepen, zal zichzelf opnieuw moeten uitvinden. De meningsverschillen gaan over de vraag hoeveel en op welke manier. Ik persoonlijk denk dat de gemiddelde journalist (even afgezien van de superspecialist die altijd belangrijk zal blijven, crowdsourcing of niet) steeds meer alle informatielijntjes samenbrengt, weegt en in mooie mootjes voor consumenten hakt. Informatie van instellingen, burgers, overheden, bedrijven, wegend, ordenend als een spin in zijn web. In zo veel mogelijk transparantie, zo veel mogelijk samen met zijn doelgroep.

    Maar dat blijft naar mijn smaak wel een vak en een verdomd tijdsrovend moeilijk vak, met onafhankelijkheid (van politiek en commercie) en stijl als belangrijkste wapens. De journalist of de redactie als informatieregisseur, volksmenner op kleine schaal, massatherapeut en bronnenkoppelaar. Niet slechts degene die een verhaal verteld, maar vaak ook laat zien hoe het verhaal ontstaat. Samen met zijn publiek, maar wel in het al of niet opvallende middelpunt daarvan. Maar dat die professie (en ook de aan journalistiek bijdragende amateur) met de enorme toename van (het belang van) informatie juist een bloeiende toekomst tegemoet gaat, staat voor mij vast.

    Daarbij is het voor mij geen kwestie van of/of. Zo erg is de doodsnood van de professionele journalistiek absoluut niet en zo goed is de bijdrage van de ‘crowd and the machine’ af en toe wel. Het hele spectrum (betaald/onbetaald, fulltime/parttime, betrouwbaar/onbetrouwbaar, machinaal/persoonlijk) zal er over 50 jaar zijn. Uiteraard zullen er uitstekende informatiesystemen zijn waar geen journalist meer aan te pas komt. Maar ik zie geen reden waarom niet alle andere quasi-, semi- en volprofessionele systemen niet naast elkaar kunnen bestaan. Een kant en klare formule lijkt me onzin. Wat de beste journalistiek is hangt er helemaal van af waar het over gaat en welke eisen de consument stelt aan de informatie stelt. Als schaker wil ik van de schaakjournalist andere dingen (sfeer/duiding/persoonlijk commentaar) dan als eventueel belegger van de financieel specialist. Die veelheid vind ik dat als journalist ook niet bedreigend. Als we maar serieus op zoek gaan naar onze meerwaarde.

    “Dat laat onverlet dat het vak bedreigd wordt (we hebben daar een boek over gemaakt), en dat het allicht tijd wordt voor een andere organisatievorm dan een beroepsorganisatie, naast die beroepsorganisatie, niet noodzakelijkerwijs in plaats ervan.”

    Ik denk ook, en dat klinkt misschien vreemd voor de vice-voorzitter van de NVJ, dat de journalistenvakbond en journalistenberoepsorganisatie van de jaren 70 zijn beste tijd heeft gehad. De wereld van de journalistiek is in vele opzichten, maar met name economisch, organisatorisch en technologisch veranderd. Daarover verschil ik met jullie op geen enkele manier van mening. Maar ik heb er vooralsnog voor gekozen ( het al eerder genoemde van binnenuit-perspectief) om die verandering maar van binnenuit te bekijken en tegen de beroepsvereniging te duwen in plaats van terzijde te schuiven. Laat het beeld van de t-shirtjes en petten vakbond even los. Ik vind een beroepsvereniging juist ontzettend modern. Het biedt een mogelijkheid om een netwerk te maken met elk type journalist dat je maar kunt verzinnen, voor kennisuitwisseling en educatie, een levende community (waarin de leden weliswaar nog te weinig met elkaar praten, maar daar wordt aan gewerkt.). Tegenwoordig droomt men van zulke losse netwerkverbanden.

    De NVJ ziet heel goed de noodzaak om de vereniging te herdefiniëren, de taken en zelfs de definitie van wat een journalist is, en is dus waarschijnlijk veel minder versteend of abstract dan velen denken. Ze verandert snel.
    Maar gooi niet alles te snel overboord. We hebben immers nog meer dan 8000 leden (waarvan eenderde overigens freelancers en eigen ondernemers!) die behalve die NVJ ook nog op 1000 andere manieren georganiseerd zijn. En dat ledenaantal loopt zeker niet dramatisch terug. Ik snap en herken het ongeduld, maar dat soort belangrijke veranderingen gaan nu eenmaal niet in een dag.

    “Overigens valt me op dat jij (en met jou nog wat buitenstaanders) in mijn stukken voortdurend lijkt te willen lezen dat ik de journalistiek bescherm ten koste van alles.”
    En dat klinkt me zeer bekend in de oren, Henk! ;-)

  19. Lia:

    Uit Marks’ woorden haalde ik dat hij nadenkt over of een journalistieke organisatie (lees: het organiseren van het journalistieke beroep anders dan een vakbond, en anders dan een (kranten)bedrijf) voorwaardescheppend kan/moet zijn. Mij lijkt het helemaal geen slecht idee om een journalistieke organisatie te hebben die voorwaardescheppend is. In de eerste plaats kun je eraan verbinden dat je kwaliteitseisen mag stellen, en een tweede bijkomstigheid is dat er dan ook ruimte moet zijn voor herstel. Zo werkt dat immers -en gelukkig maar- in de meeste organisaties, en het zou goed zijn als dat ook binnen de journalistieke professie veel gangbaarder wordt, omdat het ruimte geeft voor groei: van zowel personen als bedrijfstak als en vul maar in.

    Het organiseren van het journalistieke beroep, anders dan in een bedrijf en/of een vakbond, is echter tegelijkertijd het ingewikkelde ervan.
    Zoals Mark ook al zei zijn het vooral eenlingen die het beroep beoefenen danwel zijn het eenlingen die zich hebben ‘verenigd’ in een krantenbedrijf/uitgeverij/medium.
    In het laatste geval is het makkelijker: de belangen van de organisatie zijn het uitgangspunt voor het werk. Over die belangen kun je kort of lang praten, maar ze komen op één ding neer, en dat is het Bestaansrecht. Dit hoeft niets af te doen aan de onafhankelijkheid in de berichtgeving, danwel dit zou er niets af aan moeten hoeven doen. Dat dit soms wel en mogelijk in steeds grotere mate wel gebeurt, is een andere discussie die misschien wel opnieuw gevoerd moet worden.

    In het tweede geval is het lastiger: wat moet het uitgangspunt zijn voor een journalistieke organisatie anders dan een bedrijf of een vakbond? Wie moet het uitgangspunt zijn? Welke belangen gaat het om? Wiens belangen gaat het om?
    De journalist, die onder bepaalde voorwaarden zijn werk moet kunnen doen (voorwaardescheppend)? De lezer, die het recht heeft dat te lezen wat hij wil lezen?
    De burger, die van informatie voorzien wil worden?
    Het democratisch land, waarin alle partijen en meningen zich gehoord moeten mogen voelen?

    Ik zeg niet dat ik het antwoord weet, ik stel zo maar een paar vragen waarvan ik denk dat ze gesteld moeten worden om meer helderheid te krijgen in deze ingewikkelde problematiek. Ik hoop dat dat mag.
    groet,
    Lia

  20. Lia:

    Henk, twijfel jij wel eens over het vak, de beoefening van het vak, de manier waarop journalisten hun vak beoefenen, hoe jij je vak beoefent? Ik vraag me af of je het, door het in twijfel te trekken, juist niet sterker maken kunt, kernachtiger.

  21. Henk Blanken:

    Lia, lees PopUp en je zult zien dat ik van twijfel over mijn vak een heel boek heb gemaakt.

  22. Lia:

    Gelezen. Leuk boek. Alleen is me niet duidelijk geworden waaraan ‘de journalistiek’ haar bestaansrecht ontleent.
    Waarom bestaat de journalistiek? Waaraan ontleent de journalist de wil om dit vak te beoefenen?

  23. Henk Blanken:

    @Lia: Staat er wel in, ergens. Journalistiek wil van oudsher de burger informeren omdat een parlementaire democratie alleen kan functioneren als burgers met kiesrecht geinformeerde burgers zijn. Ik zeg niet dat de journalistiek daarin altijd slaagt, of altijd zal blijven slagen, ik stel alleen vast dat vakgenoten dit ongeveer vinden.

  24. Lia:

    Henk, dank je. Begint de journalist in dat proces van informeren met een neutraal uitgangspunt? Of zeg je: de uitvoering van het informatieproces is neutraal (gewaarborgd door toepassen van hoor- en wederhoor en strijden met open vizier), maar het uitgangspunt van een journalist kan verschillen? M.a.w. is de motivatie van de journalist ‘informeren’ of is het iets anders, bijvoorbeeld overtuigen/invloed hebben?

    Eén van mijn journalistieke docenten zei mij eens “waar gaat het nu om Lia, om invloed”; vanuit dat uitgangspunt keek hij naar al onze artikelen en wilde hij ons bijbrengen (zeg maar gerust: opleggen) wat journalistiek is – waarmee hij ons de mogelijkheid ontnam om zelf te ontdekken wat journalistiek is. Vandaar dat ik nog met deze vragen zit, bezig ben te ontdekken of er nog andere wegen zouden kunnen zijn. En vandaar dat ik het plezierig vind dat je antwoordt. Ik leer nog steeds, zal ik maar zeggen, of beter gezegd: het leren begint hier pas.

  25. Henk Blanken:

    Om misverstanden te voorkomen: er is een groot verschil tussen wat journalisten gemiddeld denken van hun vak en de persoonlijke intenties waarmee ze dat vak bedrijven. Ethische uitgangspunten vind je in de code van Bordeaux en de code van het Genootschap van Hoofdredacteuren. Daarin staan beginselen waarover journalisten het ongeveer wel eens zijn. Dan gaat het inderdaad over een neutraal vertrekpunt, over het feit dat feiten heilig zijn en wederhoor bijna altijd verplicht is.
    Nergens in de code staat dat journalisten invloed moeten hebben. Toch is dat wat veel journalisten nastreven, zonder het overigens altijd hardop te zeggen. Geregeld komt het voor dat journalisten nog maar op een manier naar de feiten kunnen kijken, omdat hun opvattingen in de weg zitten: de verslaggeving over de Balkanoorlog is daar een goed voorbeeld van (geeft iedereen nu ook wel toe).

  26. Lia:

    OK, dank je Henk. Altijd alert blijven dus, begrijp ik hieruit, zowel mbt (de ontwikkelingen) de omgeving van het vak (waar jullie mee bezig zijn), als mbt de omgeving (ook de abstracte) van een onderwerp/verhaal/geinterviewde. Als journalist moet je je dus eigenlijk voortdurend bewust zijn, je steeds bedenken wat de (denk)kaders zijn waarbinnen een onderwerp zich afspeelt (gebaseerd op historische contexten, culturele achtergronden, belangen eventueel). Liever dan nieuws verslaan, wil ik die kaders helder krijgen, en daar verslag over doen. Het is doodzonde dat zo’n school geen enkele aandacht aan de inhoud besteedt en al haar aandacht naar keuzeprocessen uit laat gaan omdat achter de keuze van deeltijders om een opleiding te kiezen vaak al heel gefundeerde ideeen schuilen.
    mvrgrt.

Reageer

XHTML: Gebruik van deze tags mag <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>