november 23rd, 2007

Wie is er blij met dat verschoningsrecht?

Minister Hirsch Ballin van Justitie en een deel van de Tweede Kamer willen het verschoningsrecht voor journalisten gaan regelen bij wet. De NVJ is daar heel blij mee – totdat Hirsch Ballin in reacties laat doorschemeren dat natuurlijk niet iedereen straks van dat zwijgrecht gebruik kan maken; niet iedereen zal zich zomaar journalist kunnen noemen.

Daar heeft ook Thomas Bruning, algemeen secretaris van de NVJ, het moeilijk mee. En terecht. Als journalisten nu weigeren hun bronnen te noemen, kan de rechter eraan te pas komen als ze de gevangenis ingaan. Die rechter beoordeelt dan of de journalisten zich terecht beroepen op hun positie van journalist.

Wie journalist is, is geen probleem, hoorde ik Bruning op de radio zeggen. De NVJ is voor een ruime interpretatie. Ook een weblogger kan journalist zijn. Het is een vrij toegankelijk beroep. Niemand, en zeker de overheid niet (of de NVJ, zoals de commissie Dommering voorstelde), moet volgens mij kunnen bepalen wie journalist mag zijn, of wie – als ‘t ze niet meer bevalt – dat recht verliest.

Hirsch Ballin was geen voorstander van een wettelijk geregeld verschoningsrecht. Hij vond het niet nodig, en dat was het ook niet. Naar aanleiding van de Britse Goodwin-zaak – die leidde tot een uitspraak van het Europese Hof – is de jurisprudentie in Nederland al veranderd. Sinds de zaak-Van den Biggelaar kent de Hoge Raad ook een beperkt zwijgrecht aan journalisten toe.

De gevangenneming van journalist Koen Voskuil – toen van Spits! – gedurende achttien dagen liet echter zien dat die jurisprudentie niet door elke rechter hetzelfde werd geinterpreteerd. Nu het Europese Hof voor de Rechten van de Mens Nederland in de zaak-Voskuil op de vingers heeft getikt, voelt Hirsch Ballin zich gedwongen toch iets in de wet te regelen.

Ik weet niet of we er per saldo blij mee moeten zijn. De facto zal er voor journalisten niet zo veel veranderen: nog steeds moet de rechter bepalen of ze zich terecht beroepen op een verschoningsrecht. Maar storender is dat Hirsch Ballin zal proberen de journalistiek te reguleren. Je moet een perskaart hebben en lid zijn van de NVJ om te journalist te mogen noemen, suggereert de VVD nu al.

Ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ging er al vanuit dat journalisten een bijzondere groep zijn, met in sommige gevallen rechten die de “gewone burger” niet toekomen. En niet elke journalist heeft evenveel zwijgrecht, vond het Hof: het moet wel om “serieuze journalistiek” gaan. En de laatste vraag is, wie dat bepaalt, of mag bepalen.

De NVJ vindt dat de beroepsgroep dat zelf moet doen, en daar zit wat in. Liever de beroepsgroep dan de minister. Maar met dat mooie streven zijn we er niet, want wie bepaalt wie tot de beroepsgroep behoort? Dat was tien jaar geleden eenvoudig: iedereen die voor een serieus medium werkt. Maar met internet is het veel moeilijker te beoordelen. Niet dat iedereen ineens journalist is, uiteraard niet, maar er is een nieuwe categorie bijgekomen waarop de oude beroepsgroep misschien niet zit te wachten. En dat, vind ik, verdraagt zich slecht met de vrijheid van meningsuiting.

Een wettelijke regeling van het verschoningsrecht voegt weinig toe, maar leidt tot nieuwe onduidelijkheden (lees bijvoorbeeld dit overzichtsartikel). De NVJ, begrijp ik van Bruning, kijkt belangstellend uit naar het gesprek dat Hirsch Ballin met de journalistenbond zegt te willen hebben. Dat snap ik wel. Ook de NVJ voelt aan dat je om een verschoningsrecht kunt vragen en persbreidel kunt krijgen.

[noot: in een eerdere versie van dit stuk haalde ik een vorige en de huidige minister van Justitie door elkaar. Mogelijk zaten Donners bemoeienis met de pers en de GPD-affaire me even in de weg]

Stem of voeg toe aan Uitleg over het gebruik van deze icons : Plaatsen/stemmen op eKudos Plaatsen/stemmen op NUjij Plaatsen/stemmen op MSN Reporter Plaatsen/stemmen op Digg Stumble it! Voeg dit artikel toe aan Del.icio.us Voeg toe aan je favorieten op Technorati Voeg toe aan je Google bladwijzers Voeg toe aan je Facebook-profiel Abonneer je op de RSS-feed van deze site Verstuur deze pagina per e-mail via Feedburner Maak een notitie op deze pagina met Fleck

Gepost in Blog, Media en ethiek

10 Comments »

Tags: , , ,

Volg commentaar op deze post in de commentaar RSS 2.0 feed. Reageer, of trackback.

10 Responses to “Wie is er blij met dat verschoningsrecht?”

  1. Gelkinghe:

    Hoeveel webloggers zijn er die zelfstandig uitgaan op nieuwsgaring, en hoor en wederhoor plegen? Niet zo vreselijk veel. Maar dat lijken me wel de onderscheidende criteria.

  2. Gelkinghe:

    Is er ook een mogelijkheid om die capslock bij de reacties uit te zetten, Henk?

  3. Henk Blanken:

    Veruit de meeste webloggers hebben niet de ambitie voor een breed publiek te schrijven. Van het kleine restant is het merendeel weer vooral commentaar en zelden nieuwsmaker. Maar dat laatste lijkt me in elk geval geen criterium voor de vraag wie zich journalist mag noemen. Je kunt heel goed journalist zijn en uitsluitend commentaren schrijven.

    Vraag is waar je de scheidslijn wel moet trekken, en of je die moet willen trekken; je kunt het ook aan de rechter overlaten de afweging te maken. Ik pleit daarvoor, omdat ik zie aankomen dat een wettelijke regeling voor het verschoningsrecht meer beperkingen oplevert dan vrijheden.

    PS geen idee wat er met je capslock mis is.

  4. Bart Brouwers:

    Ja, er kleven bezwaren aan een wet. En risico’s ook. En nee, het is niet wenselijk om de vrijheid van journalistiek handelen in de knel te laten komen door – bijvoorbeeld – vakbondslijsten met namen van “echte” journalisten.
    Desondanks is het volgens mij onverstandig de overwegingen van Hirsch Ballin en Bruning meteen bij het grof vuil te zetten. Er is simpelweg regelgeving nodig om te voorkomen dat er een nieuwe Koen Voskuil achter de tralies belandt. Wat dat betreft heeft Hirsch B. de terechtwijzing van het Europees Hof goed begrepen.

    Misschien kunnen we de Kamer wel een handje helpen. Even kort door de bocht wat principes die de kracht van zo’n verschoningswet zouden kunnen bevorderen:
    1. iedereen die feiten of meningen publiek maakt, is publicist. Iedere publicist kan op basis van de vrijheid van meningsuiting, binnen de kaders van de Nederlandse wet, publiceren wat hem/haar goed dunkt.
    2. een publicist die de (nog te verschijnen) nieuwe code van het genootschap van hoofdredacteuren onverkort onderschrijft, mag zich journalist noemen.
    3. een journalist heeft het recht op verschoning.
    4. een journalist heeft de plicht zich, in het geval van een klacht, te verantwoorden voor de raad voor de journalistiek. De code van het genootschap en de leidraad van de raad vormen de basis voor de oordelen van de raad.
    5. het oordeel van de raad wordt gepubliceerd in/op het medium waar de gewraakte publicatie oorspronkelijk op verscheen en op de manier die de raad (of een daaraan verbonden ombudsman) bepaalt.
    6. de raad voor de journalistiek (of die ombudsman) kan het genootschap van hoofdredacteuren adviseren een door de raad veroordeelde journalist een waarschuwing te geven. Dat kan gebeuren door de zwaarte van de overtreding of de herhaling ervan. Als het GvH het advies overneemt, wordt deze openbaar gemaakt en kan door een rechter worden meegewogen in het al dan niet toekennen van een recht op verschoning.
    7. het GvH kan ook op eigen gezag oordelen dat een journalist de code niet respecteert.
    8. een publicist die geen journalist wil zijn, hoeft zich ook niets gelegen te laten liggen aan de oordelen van de RvdJ, maar heeft evenmin recht op verschoning.
    9. de NVJ kan een door haar betwiste waarschuwing van het GvH ter toetsing aan de RvdJ voorleggen.

    Ik heb bewust gekozen voor het individu als ijkpunt in plaats van het medium waar dit individu voor werkt. Dat geeft meer speelruimte: een krant, een tv-programma of een site/weblog kan bijvoorbeeld bestaan uit zowel journalistieke als niet-journalistieke bijdragen, al dan niet in de vorm van user generated content. Ook staat dit alles los van de (juridische) verantwoordelijkheid van de uitgever over het gehele product; het is zeker interessant daar ook nog eens een boom over op te zetten.

    Misschien moeten we er de komende tijd nog maar eens wat verder over doordenken. Ook de Kamer zal zijn tijd nog wel nodig hebben. Het is trouwens nog maar zeer de vraag of bijvoorbeeld het GvH de hierboven geschetste rol uberhaupt wel wil hebben.

    Bijkomend voordeel zou wel zijn dat het gezag van de raad voor de journalistiek door dit geheel wordt vesterkt. Immers, geen gedoe meer met verweerders die zich geen journalist willen noemen (de geenstijl-achtigen) en helderdere consequenties voor het medium van een veroordeelde journalist.

    Reageer, dan volgen de nuances vanzelf en komen we misschien nog wel ergens!

    Groet,
    bart (trouwens, Henk, het is “Sp!ts” en niet “Spits!”)

  5. Henk Blanken:

    @Bart: Je opmerkingen over het verschoningsrecht zijn beslist de moeite van het doordenken waard. Maar je haalt wel een paar dingen stevig overhoop. In feite geef je de Raad voor de Journalistiek een veel steviger positie als intern tuchtcollege door journalisten te verplichten zich aan het oordeel van de Raad te onderwerpen. Consequentie daarvan is dat de Raad journalisten uit het vak kan zetten (dan zijn ze alleen nog publicist).

    Ook verbindt je de erkenning van de Raad door media aan de vraag wie journalist is. Dat lijkt me wat inconsequent, omdat je elders van het individu uitgaat. In deze redenering zou Elsevier, als het volhardt in de weigering uitspraken van de Raad te publiceren, geen journalisten meer in dienst hebben die een beroep kunnen doen op verschoningsrecht. Misschien moet je daarom deze voorwaarde verzachten.

    Bij 6. voer je naast de Raad het Genootschap op als tuchtcollege. Dat verbaast me. Waarom is het nodig, denk je?

    Ook de rol van de NVJ is een curieuze. De vakbond functioneert in jouw voorstel als een beroepsinstantie. Maar staat die weg dan ook open voor niet-leden?

    Ik denk dat je wel wat verstandige dingen zegt en dat je terecht een vorm van intern tuchtrecht introduceert, maar afgezien van de Raad lijken me de bestaande instanties niet de aangewezen partijen om daar een rol in te spelen. Het Genootschap is een eerbiedwaardige vereniging, de NVJ een vakbond.

    Weet jij of er behalve door de commissie Dommering elders indringend over een journalistiek tuchtcollege is gepubliceerd?

  6. Willem K.:

    ‘Wie is er blij met dat verschoningsrecht ?’.

    Ik !

  7. Bart Brouwers:

    Henk,
    Inderdaad haal ik nogal wat overhoop met die 9 uitgangspunten. Maar soms is dat nodig om vooruit te komen ;-)
    Ik denk wel dat je sommige punten wat zwaarder aanzet dan nodig. Zo zou ik niet meteen spreken van “uit het vak zetten” als de raad een constatering aan het genootschap overhandigt. Nee, het gaat er mij eerder om dat we BINNEN de journalistiek een instantie hebben die we het toevertrouwen om een oordeel te vellen over ons gedrag, ons handelen en het resultaat daarvan. Dat zou in elk geval iets kunnen zeggen over de prestaties van individuele journalisten in relatie tot hun beroepsethiek en misschien zelfs kunnen bijdragen aan een beter zicht op de “stand van het vak”.
    Wel terecht constateer je een inconsequentie in mijn redenering tussen media en individuele journalist. Ik denk, bij nader inzien, dat het goed is om de persoonlijke redenering door te trekken naar de media zelf. Dus: zoals een individuele journalist de code al dan niet kan accepteren en bij een faux pas terechtgewezen kan worden, zou dat ook voor een krant of site (als verzameling van journalisten en als journalistiek platform) kunnen gelden.
    De NVJ zie ik inderdaad als een soort beroepsinstantie, een soort controlemechanisme. Maar dan wel met de NVJ in haar rol als beroepsvereniging, niet als vakbond. Lidmaatschap van een betrokkene hoeft daarbij geen rol te spelen.

    Je slotvraag kan ik helaas niet beantwoorden.

  8. henk:

    Bart,
    wat ik lastig vind is jouw grondgedachte dat er zoiets bestaat als een afgesloten groep journalisten, waar BINNEN je een oordelende instantie hebt. Ik hecht zelf zoveel waarde aan het open karakter van de beroepsgroep dat ik die koppeling niet wenselijk acht. Ik kan prima leven met een oordelende instantie als de RvdJ, maar juist omdat die niet bepaalt wie wel en wie niet journalist is (behalve om te bepalen over wie wel en wie geen uitspraak hoeft te worden gedaan). De RvdJ sluit niemand buiten het vak van journalistiek.

    Nog meer moeite heb ik met de NVJ in een duorol, als vakbond en als beroepsvereniging. De eerste komt voor me op en is onderhandelaar met werkgevers, de tweede beoordeelt me. Dat lijkt me een funeste rolverwarring, die je ook in andere sectoren niet veel tegenkomt, vermoed ik. Beter is die beide uit elkaar te halen, als de journalistiek al een toetsende beroepsvereniging nodig heeft naast het instituut van de Raad. Maar vooruit, daar ben ik nog niet over uitgedacht.

  9. De nieuwe reporter » Blog Archive » Wie is journalist? Negen principes!:

    [...] van Hirsch Ballins uitspraken over wetgeving rondom het journalistiek verschoningsrecht. Zie bij Henk Blanken bijvoorbeeld; hij is weliswaar genuanceerd, maar uiteindelijk toch negatief. Zie ook dit al wat [...]

  10. Digitale archieven kwetsbaar voor smaadprocedures « De nieuwe reporter:

    [...] Aan het Europese Hof dankt de pers een beter recht op bronbescherming, maar het baanbrekende Goodwin-arrest ging nog over oude media. Het slappe, kool en geit sparende vonnis in het Times-proces draait om de [...]

Reageer

XHTML: Gebruik van deze tags mag <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>