Tagged: cultuur

Journalisten verbloggelen niet

Dat bloggers en journalisten elkaar in de haren vliegen, is niet raar. Dat ze dat nog steeds doen, wel. Want ze doen het al jaren, al zo lang als er bloggers zijn en journalisten zich een houding proberen te geven tegenover de oprukkende hordes “pseudojournalisten”. Leren ze dan nooit?

Journalisten en bloggers verdragen elkaar slecht, met uitzondering van degenen die zowel blogger als journalist zijn; zij zijn meestal wat milder.

Journalisten geven af op het amateurisme van bloggers, verwijten bloggers dat ze zich aan God noch gebod houden en zich overigens aan broodroof schuldig maken.

Bloggers, die zichzelf maar al te vaak als “journalist” typeren zonder hun brood als professioneel journalist te verdienen, ergeren zich aan de arrogantie van professionele journalisten. De beroepsgroep vereenzelvigt zich naar hun mening met de zittende politieke en bestuurlijke macht. Met ‘de media heeft het gedaan’, bedoelen ze: de journalisten.

Scepsis
Ik ben journalist en blogger en voel me al jaren in beide kampen thuis, al was het maar omdat zowel collega-journalisten als bloggers mij gelijkelijk met scepsis, argwaan en erger overladen. De meeste journalisten zien me aan voor een bloggende internetadept, de meeste bloggers scharen me onder de “dooie bomen”. Het is allebei even waar als onwaar.

Journalisten en bloggers kunnen veel van elkaar leren, schreef ik eerder (in Mediamores). En ze leren ook van elkaar. Bloggers begrepen eerder wat sociale media en interactie met je lezers kunnen toevoegen. Geduldige journalisten blijven uitleggen dat hoor & wederhoor belangrijk is. Maar overheersend blijft de wederzijdse argwaan.

Die onverdraagzaamheid heeft iets kinderlijks, maar speelt natuurlijk weer op als zich grotemensenproblemen voordoen. Terecht signaleert Erik van Schaik op VillaMedia dat de invloed van de media op de politiek nog nooit zo groot is geweest, terwijl de kwaliteit van de journalistiek juist nu onder druk staat.

Van Schaik, docent aan de School of Media in Zwolle en voormalig redactiechef van het AD, doelt met name op de kwaliteit van het harde nieuws. Kranten en weekbladen leggen zich toe op duiding en achtergrond, maar brengen nauwelijks nog krakende primeurs en scoops.

Keuze

Grotendeels, beweer ik, is dat een kwestie van keuze. Printmedia – met “nieuwe” uitgevers als Derk Sauer voorop – willen niet langer het nieuws van gisteren brengen; dat kent iedereen al van radio en televisie, van internet en teletekst. Het lagere ritme van kranten gebiedt dat ze het nieuws verrijken, uitleggen en van opinies voorzien. Daarmee gaan ze de versplintering te lijf.

Van Schaik heeft gelijk als hij stelt dat onderzoeksjournalistiek op de tocht staat, maar niet zoals hij denkt. Grote kranten zijn de afgelopen jaren – terecht en godlof – meer tijd en geld gaan steken in onderzoek. Congressen van de VVOJ worden uitstekend bezocht. Er verschijnen ongelofelijk goeie producties (over Trafigura, over ABN Amro, over PCM, over Nina Brink, over “maaggate”). Wat wegkwijnt is onderzoek op microniveau, bij plaatselijke verslaggevers die met te weinig zijn, hun netwerk kwijtraken en te weinig de gelegenheid krijgen zich vast te bijten. Dat is geen keuze, maar economische stress.

Met verbloggeling – prachtig woord van Van Schaik – van het nieuws heeft dat niet zoveel te maken, vrees ik. Van een identiteitscrisis in de journalistiek lijkt me nauwelijks sprake, wel van een crisis. De journalistiek weet best wat haar rol is of moet zijn, maar heeft moeite het publiek te behouden voor wie ze bestaat.

Wat moet de journalistiek met de informatiecrisis? (Slot)

Wat moet de journalistiek? Dat is de vraag in dit zesde en laatste deel van een serie over de informatiecrisis. Die reeks begon met de bewering dat information overload een mythe is, en liep uit op de conclusie dat we samen alles kunnen weten, maar te weinig sámen weten. Onze aandacht versnippert, net als de massamedia.

Gretig klampen journalisten zich vast aan zonnig nieuws over hun eigen toekomst, ook als dat nieuws flinterdun is, of apert onwaar. Lees het vakblad Villamedia, en je ziet dat de kritische houding die verslaggevers hanteren bij elk ander nieuws, opzij wordt gezet zodra het om hun eigen lot gaat. De patiënt is ziek en wil horen dat-ie aan de beterende hand is.

DE INFORMATIECRISIS

1: Information overload is een mythe

2: Ik heb internet uit

3: We weten samen te weinig

4: Shirky’s filter failure

5: Plasterks informatiecrisis: we weten te weinig samen

6: Wat moet de journalistiek?

Mediagebruik jongeren neemt toe’, kopt Villamedia bij een artikeltje over een jongerenonderzoek. Die conclusie klopt misschien, maar is uitgerekend de minst onderbouwde. De onderzoekers vroegen jongeren of ze zelf dáchten dat hun mediagebruik was toegenomen. Wat je verder ook van het onderzoek vindt, het biedt geen gegevens over jongeren door de jaren heen. Nul, nada, nix.

Dat kun je de onderzoekers niet verwijten. Dit jongerenonderzoek was opgezet als momentopname, niet “longitudinaal”. Het toont daarom van alles aan, maar per se geen ontwikkeling. En dus ook niet dat het mediagebruik onder jongeren toeneemt.

Misleidend

Maar ‘meer mediagebruik’ is goed nieuws, net als de kop ‘Jongeren zien krant wel zitten’, welke laatste boven een aankondiging van hetzelfde jongerenonderzoek stond. Zo’n kop is misleidend. De suggestie wordt gewekt dat jongeren in meerderheid dol zijn op kranten en dat de berichten over het tegendeel op een misverstand berusten, of afkomstig zijn van piskijkers en internetfanatici. Maar dat blijkt nergens in het hele onderzoek.

Zulke berichtgeving is tendentieus – je zou er bij elk ander type nieuws chagrijnig van worden. Het is even vooringenomen als dat bericht van de GPD over Franse kranten die hun oplage zien stijgen en frappant genoeg geen website hebben. De suggestie: internet is slecht voor kranten en zonder site zouden die kranten het vast beter hebben gedaan. De ene Franse krant blijkt echter een weekblad, de andere een jongerendagblad. De oplagestijging van beide zegt niets over de toekomst van dagbladen die mikken op een breed, algemeen publiek – pakweg alle andere dagbladen dus.

Hetzelfde patroon bij nieuws over pay walls. Wanneer uitgevers als Murdoch (News Corp) of Montgomery (Mecom) aankondigen dat hun dagbladen achter een betaalhek gaan, laten journalistieke vakbladen elke scepsis varen. Onderzoeken wijzen bij Villamedia steevast uit dat consumenten zullen betalen voor online content, ook als dat maar marginaal waar is of meer kost dan het oplevert. Argwaan slaat hier om in bijna religieuze dankbaarheid.

Haat-liefde

Deze serie begon met het benul dat information overload een mythe is. Dat is zo belangrijk omdat de mythe afleidt van het echte probleem (we weten niet wat we zouden moeten weten). En omdat journalisten zich er achter verstoppen, zoals ze ook van harte wegkruipen achter elke snipper hoopgevend nieuws. Struisvogelen, wordt dat ook wel genoemd.

Net als makelaars en andere informatieprofessionals hebben journalisten een haat-liefde-verhouding met information overload. Ze gruwen van de overdaad aan informatie die op internet wordt rondgepompt, en nog meer van de dubieuze kwaliteit – terecht, trouwens -, maar mogen de overload graag aanroepen om hun eigen bestaan te rechtvaardigen. Leve de overload, wij brengen verlichting. Journalisten zijn immers het filter, en dat – filter failure – was toch stuk?

Het is een misverstand. Journalisten hebben door de jaren heen allerlei functies gehad. Ze vergaren nieuws, selecteren het, verrijken het en vertellen het. Ze geven commentaar, ze duiden en ze onthullen. Maar uitgerekend die ene klassieke functie – die van filter – raken ze nu grotendeels kwijt. Dankzij het net, vinden jongeren, kan dat veel efficiënter zonder journalisten.

LIAR

Ik heb op dit blog vaker beweerd dat de journalistiek een andere rol moet claimen. Die is wel degelijk van belang voor een samenleving die overzicht op het nieuws mist, die de neiging heeft tevreden te zijn met trivia en uit elkaar lijkt te vallen omdat te veel mensen meer met hun eigen besognes besteld zijn dan met een “collectieve agenda”.

De journalistiek moet, zegt mijn LIAR-principe, lokaal nieuws brengen, in geografische of mentale zin (local). Ze moet onderzoeken en tegels lichten (investigate). Naast die twee klassieke beginselen moet ze zich twee typische netwerkgeneratie-waarden eigen maken. Journalistiek moet het nieuws aggregeren, ook als dat van derden komt. En aan dat nieuws een reden geven om het te vertrouwen, een reputation dus.

Dat deze vier kernbegrippen een mix zijn van old fashioned journalism en nieuwlichterij, is geen toeval. Journalistiek en internet kunnen niet zonder elkaar. Ik zou het ene noch het andere willen kwijtraken.

Chagrijnig

Is dit nou een chagrijnig stuk? Ik dacht het niet. Ik ben geen internetgelovige die van het web louter zegeningen verwacht. Wel ben ik eerder optimistisch dan pessimistisch als het om netwerktechnologie en de cultureel-sociologische effecten van netwerken gaat. Ik ontleen dat vertrouwen aan een verbluffend patroon: telkens wanneer nieuwe netwerktechnologie voor problemen zorgt, bleek het netwerk – de mensen en de techniek dus – in staat ook de oplossing te creëren. Die successen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst, ik weet het, maar ze kleuren mijn optimisme.

Wat wil ik dan wel? Pleiten voor vernieuwing van de journalistiek. Die is noodzakelijk omdat de “oude journalistiek” niet goed genoeg is voor jongere mediaconsumenten. Mij gaat het primair om vernieuwing van de journalistieke uitgangspunten – bijvoorbeeld die van LIAR – maar ik zal niet ontkennen dat technologie een rol speelt.

Vernieuwing van de journalistiek bleek lastig. De laatste paar jaar is het taaiste conservatisme wel weg, maar kijk eens vijftien jaar terug en overzie wat we sinds internet aan tastbare en beklijvende resultaten hebben geboekt, op journalistiek en commercieel gebied. De integratie van de NOS-newsroom, NRC Next, en een hele rij me-too innovaties die het allemaal net niet geworden zijn, van Volkskrantblogs tot camjo’s, van lokale nieuwssites als Haaksbergen.nl tot Marktplaats-concurrent Speurders.nl.

Mentaliteit

Het eerste wat de journalistiek moet doen, is de boel eens lekker laten doortochten. Ramen en deuren open. Jonge mensen naar binnen die internet niet hebben bestudeerd, maar domweg niet beter weten. Jonge plannen, jonge beslissers. Snel en veel besluiten, durven mislukken, en mislukkingen snel de nek omdraaien. Dat is geen heel vernieuwend concept voor vernieuwing – het is standaard.

En om elk misverstand uit te sluiten: als ik het over de journalistiek heb, bedoel ik het ambacht, niet de beroepsgroep, de mogelijkheden, niet uitsluitend de klassieke verdiensten, de ambitie van het vak, niet louter het track record, het streven meer dan de positie van koningin der aarde. Het zal me, kort en goed, een biet zijn wie zich journalist noemt, “amateur” of “professional”. Journalistiek is een daad.

Jan Blokker houdt niet van journalisten

Nederlandse journalisten, fulmineert columnist Jan Blokker, houden niet van journalistiek. Waar heuse journalisten de feiten “opzoeken en voorgeleiden”, geven Hollandse dagbladschrijvers, doortrokken als ze zijn van verzuiling, al meer dan honderd jaar de voorkeur aan opinies. Het gaat ze niet om de waarheid, maar om hun waarheid.

Jan Blokker was niet de beste journalist van de vorige eeuw, dat was – volgens collega’s – Henk Hofland. Maar Blokker is wel een van de iconen van de Nederlandse journalistiek, welzeker een van mijn iconen, samen met Martin van Amerongen en Martin Bril. Van beide heb ik, net als van Blokker, leren schrijven.

Meer nog dan Van Amerongen heeft Blokker mij de journalistieke attitude bijgebracht. Argwaan, onafhankelijkheid, scepsis. Daar hoort uiteraard ook nieuwsgierigheid bij, maar dat is niet Blokkers opmerkelijkste eigenschap. Blokker wil alles weten, en weet stuitend veel, maar begint bijna altijd met van alles iets te vinden.

Jan Blokker is voor alles columnist. Al schrijft hij prachtige stukken over geschiedkundige onderwerpen, en begon hij zijn loopbaan in 1952 als filmrecensent (bij Het Parool), ik ken hem toch in de eerste plaats als de man van de tegendraadse provocatie. Gebeeldhouwde zinnen. Geestige stokpaarden. Pesterig toontje. Vilein eigen gelijk.

Missiedrang

Als Blokker zijn vakgenoten de les leest, wil ik weten waarom. In Nederlandse journalisten houden niet van journalistiek (uitgegeven door Bert Bakker), een bundeling van vooral oude, maar stevig naar elkaar toe herschreven artikelen, legt Blokker uit hoe de pers bij ons doortrokken is geraakt van missiedrang, meer dan van nieuwsgierigheid – meer van Blokker, zou je zeggen, dan van iets anders.

Nederlandse journalisten hebben minder op met feiten dan met meningen, of meninkjes. Hun kranten wortelen bijna alle in de verzuiling, niet anders dan hun publieke omroepen, die nu nota bene druk doende zijn met herprofilering en de hemel weet herzuiling. De onverbiddelijke commercie die de Amerikaanse pers groot maakte, de jacht op nieuws voedde, bleef hier lang ondergeschikt aan De Boodschap.

Het is een aardig boek, dat van Blokker. Vooral om het historisch overzicht, en minder om de autobiografische intermezzo’s waarin grootvader nog een keer vertelt. Maar helaas maakt Blokker zijn provocatie niet waar. Dat Nederlandse journalisten niet van journalistiek hielden, geloof ik onmiddellijk, maar dat dit vreemde gebrek hen nog steeds in de weg zit, lijkt me geen boutade – die mag -, maar flauwekul.

Per saldo beweert Jan Blokker weinig of niets verstandigs over de huidige generatie journalisten, over de moderne journalistiek , noch over de pers van de jaren nul. Zijn historisch overzicht houdt zo’n beetje op in de jaren zestig, toen Blokker voor het Handelsblad schreef, en voor hij de overstap maakte naar de Volkskrant.

Rekening vereffend

Dat is des te pijnlijker omdat Blokker in zijn laatste hoofdstuk een rekening vereffent met Pieter Broertjes. De huidige hoofdredacteur van de Volkskrant had Blokker zodanig beledigd of op de ziel getrapt dat de belangrijkste columnist van die krant in 2006 uitweek naar NRC Handelsblad.

Broertjes geloofde, zei hij van de week bij de presentatie van het Blokkerboek, dat het bij een kopje koffie allemaal weer was bijgelegd en uitgepraat, maar “ik had meer op mijn qui-vive moeten zijn”. Broertjes was er beduusd van.

De absolute columnist kan zich geen vrienden permitteren, ik weet het. Zoals ik al zei, waardeer ik Blokker juist om zijn onverbiddelijke pen. Beminnelijke man, daar niet van, maar achter zijn schrijftafel net zo zuur als het moet, net zo haatdragend, chagrijnig en betweterig als nodig is. Van oudedagmildheid niets te merken.

Maar wie zijn gelijk zo scherp binnen schraapt, moet wel gelijk hebben. En dat heeft Blokker niet zodra hij over de moderne dagbladpers begint en Broertjes wegzet als draaikont en dromer.

Dwaallicht

Godlof behoort Blokker niet tot de internethaters, tot het type oudere journalisten dat elke vernieuwing als bedreiging van hun status quo ervaart. Hij citeert W.F. Hermans: “Geen technische ontwikkeling zal ooit door morele verontwaardiging tegengehouden kunnen worden, evenmin als de dood tegengehouden kan worden door de onwil te sterven.”

Maar internet, het medium van de eenentwintigste eeuw, of dan toch van de jaren nul, is voor Blokker louter een hulpmiddel, geen alternatief voor de krant. Wie het tegenovergestelde beweert, zoals Broertjes – die als geen andere dagbladhoofdredacteur in Nederland de multimedia-innovatie heeft nagestreefd – is een angstig dwaallicht, vindt Blokker.

Moderne Nederlandse journalisten houden volgens Blokker niet van journalistiek omdat ze er af en toe ook rekening mee houden dat kranten wel eens zouden kunnen verdwijnen. Ze denken hardop na over nieuwe “dragers”, over iets anders dan papier, en zelfs over verdienmodellen – alleen van anglicisme al moet Blokker het zuur voelen opkomen.

Fatale zwakte

Waar Blokker dik honderd pagina’s lang de verzuilde journalistiek fileert – “Een aanstaande journalist werd in Nederland niet gekozen en getraind als een ‘waakhond van de democratie’, maar als de herdershond van verzuilde kuddes…” – toont hij zich een behoudzuchtige oude man zonder verbeeldingskracht zodra hij vernieuwers de maat neemt.

Blokker typeert de Nederlandse journalistiek, als het hem te pas komt in de persoon van Pieter Broertjes, als afzijdig en passief. Bij de “overrompelde entree van internet” bleek dit “een fatale zwakte”: de dagbladpers reageerde “eerder defensief dan uitdagend (), eerder bang dan strijdbaar, eerder tot capitulatie geneigd dan tot competitie, eerder nederig dan hooghartig en zelfbewust”.

De journalistiek valt stellig veel te verwijten, zeker in verband met internet. Maar Nederlandse journalisten waren de laatste jaren eerder overmatig zelfbewust en arrogant dan bedeesd. Ze waren in grote meerderheid behoudzuchtig, dat is waar, maar vooral zoals Jan Blokker zich conservatief betoont, niet geneigd tot vernieuwing, zelfkritiek of acceptatie van het onafwendbare.

Eigenaardig toch dat uitgerekend Jan Blokker, de “übercolumnist” uit een journalistieke eeuw die, naar hij zelf betoogt, meer van columnisme en missiedrang was gemaakt van dan nieuwsgierigheid – merkwaardig dat juist die Blokker zo streng afgeeft op de Nederlandse journalistiek. Te weinig zelf verslaggever van het nieuws geweest, misschien.

Zeer waarschijnlijk houdt Jan Blokker wel van journalistiek, maar niet van journalisten. En evenmin van de journalist die hij zelf blijkt te zijn geworden.

Jongeren en de krant: betere burgers?

Als het jongerenonderzoek van Nico Drok en Fifi Schwarz iets heeft opgeleverd, dan moet het de ontmaskering van twee of drie sprookjes zijn. Nee, jongeren willen hun nieuws niet altijd mobiel, voelen niets voor een rol als burgerjournalist en willen door de media graag voor vol worden aangezien. Opzienbarend is dat niet, wel nuttig om nog eens te lezen.

Jongeren, nieuwsmedia & betrokkenheid – vorige week verschenen – onderzoekt de samenhang tussen mediagebruik en “burgerschap” bij jongeren van 15 tot 29 jaar. Kijken ze tv, lezen ze kranten, wat vinden ze van die media en hoe gebruiken ze die in “de maatschappij”? Is er een samenhang tussen nieuwsconsumptie en pakweg vrijwilligerswerk? Word je, met andere woorden, een betere burger van de krant?

Ambitieuze vragen. Met teleurstellende antwoorden. Afgezien van het doorprikken van sprookjes (jongeren willen echt geen jongerenhoekje in de krant, jongeren halen nieuws niet uitsluitend online), draagt het onderzoek van Drok en Schwarz niet heel veel bij aan wat we al wisten of konden vermoeden, dankzij eerdere studies (bv Putnam, SCP, Costera Meijer) naar mediagedrag, tijdbesteding en maatschappelijke betrokkenheid.

Goh

Jongeren, zeggen Drok en Schwarz, kijken meer tv dan dat ze de krant lezen. Hogere opgeleide jongeren lezen vaker een betaalde krant dan lager opgeleide. Om meer jongeren te bereiken, zouden hun kranten hun prijs kunnen verlagen (liefst tot nul), hun formaat kunnen verkleinen en het nieuws overzichtelijker kunnen presenteren. Goh, denk je dan.

De onderzoekers zetten zich af tegen te grove generalisaties en stereotypen. De jongere bestaat niet. Ik wil dat graag geloven, maar blijf toch de term Google-generatie gebruiken als ik de huidige jongeren wil vergelijken met pakweg de generatie-X, of met de babyboomers. Drok en Schwarz vergelijken niets; hun studie is een momentopname, zeggen ze zelf.

Dat kunnen de onderzoekers niet helpen – het is de aard van het onderzoek. In tegenstelling tot de vijfjaarlijkse SCP-studie naar tijdbesteding is dit geen longitudinale studie; er zijn geen gegevens van vijf of tien jaar geleden. Dat hindert de beoordeling van de resultaten, want ik wil toch vooral weten hoe mediagedrag zich ontwikkelt: lezen jongeren nu meer of minder kranten, zijn ze minder maatschappelijk betrokken of meer?

Grazen

We weten het niet. Ook niet na dit onderzoek. Waardoor ik blijf zitten met het ongemakkelijke gevoel – meer is het niet – dat de Google-generatie minder op heeft met de instituties van de democratie dan hun ouders. Mijn indruk is dat ze die ouderwets vinden, onhandig in hun communicatie, en onnodig autoritair. Dat gold, ik weet het, ook voor andere generaties jongeren (notoir: the sixties), maar er is iets meer aan de hand. De specifieke cultuur van internet laat wel degelijk sporen na.

Drok en Schwarz geven een goed en genuanceerd beeld van jongeren die volgens mijn definitie (geboren na 1980) de Google-generatie vormen. Het kan geen kwaad nog eens te lezen dat ze nieuws al “grazend” tot zich nemen, wat Costera Meijer “snacken” noemde, en niet zoals hun ouders als maaltijden (een krant als ontbijt, het journaal als diner, etc). Toch houd ik drie vrij stevige vragen over.

Wat is “maatschappelijke betrokkenheid”? Hoe definieer je die? Drok en Schwarz definiëren “maatschappelijke participatie” aan de hand van zestien indicatoren. Vrijwilligerswerk gedaan, bijvoorbeeeld. Of deelname aan een debat. Als een ondervraagde op een van die indicatoren bevestigend antwoordde, geldt hij als “betrokken”.

Dat is een wel heel lage drempel, te meer omdat niet duidelijk wordt over welke periode we het hebben: waren ze de afgelopen week “actief” of waren ze dat “ooit”?. Het is niet zo raar dat dan uit het onderzoek blijkt dat 78% van de jongeren “op de een of andere manier maatschappelijk actief” is; het doorsturen van een mailtje “over een zaak waarbij je je betrokken voelde” is al genoeg.

Betaalde krant

Het onderzoeksrapport stelt dat een kwart van de jongeren minimaal wekelijks een betaalde krant leest. Dat is een heel hoge score als je je realiseert dat bij nog maar de helft van alle huishoudens in Nederland een betaalde krant wordt bezorgd. Ik vrees dat het cijfer de werkelijkheid niet goed weergeeft. Het suggereert dat 1 op de 4 jongeren een krantenlezer is, maar we vergeten even dat de helft van de ondervraagde jongeren nog thuis woont; de krant is de krant van hun ouders.

De meest wezenlijke vraag is of jongeren bereid zijn te betalen voor hun nieuws, of dat ooit zullen zijn. Ze vinden dat algemeen nieuws (“het laatste nieuws”) gratis moet zijn, maar snappen best dat achtergronden en verdieping door professionele redacties duur zijn om te maken. Des te nijpender de vraag wat ze ervoor over hebben om zulk typisch krantennieuws te krijgen. Die vraag wordt door dit onderzoek niet beantwoord.

Hoe verandert internet de manier waarop je denkt?

Het is de jaarlijkse vraag van Edge, misschien wel het spannendste e-zine op aarde: hoe verandert internet de manier waarop je denkt? Ik struikelde over Edge in een column van Nicholas Carr – misschien wel de beste IT-columnist op aarde – die zijn volgende boek zal wijden aan hetzelfde vraagstuk. Wat doe je dan? Eerst Edge lezen? Eerst Carr lezen? Eerst denken?

Eerst een schot voor de boeg. Dan Carr lezen. Dan Edge. Waarom? Omdat ik, qua schot voor de boeg, denk dat we zo denken. We denken hardop. Ik in elk geval sinds ik blog. Sterker nog: ik denk niet alleen hardop als ik blog, maar doe dat ook steeds vaker en gemakkelijker offline, als ik met mensen aan het werk ben.

Is dat goed of slecht – daarover zal het bij Edge wel gaan, vermoed ik. Hardop denken ziet er op internet vaak uit als banale, tenenkrommende comments op GeenStijl bijvoorbeeld. Dat is heel erg hardop, maar van denken is nauwelijks sprake. Doordat we hardop kunnen denken, en dat altijd en overal met anderen kunnen doen, zonder aangesproken te worden of wat we denken, denken we ook minder goed.

Dat is een tweede schot voor de boeg. We denken niet alleen hardop – dat heet conversatie of debat – maar ook sneller en minder zorgvuldig. De winst zou het open debat moeten zijn. Het verlies zit ‘m in de ruis: te veel ruis, te weinig geluid.

Carr

Dan Nicholas Carr. Hij beschrijft hoe boeken uit bibliotheken verdwijnen, en studenten nog alleen van een scherm lezen, alsof de drager er niet meer toe doet. Die doet er wel toe, zegt Carr. Een boek houdt je aandacht vast, terwijl een netwerkcomputer – internet zeg maar – ontworpen is voor het tegenovergestelde: een webpagina is opgebouwd uit links, verwijst en leidt af.

Carr schreef er eerder een prachtig essay over in The Atlantic, Is Google making us stupid. Hij zegt nu op de vraag van Edge:

Knowing that the depth of our thought is tied directly to the intensity of our attentiveness, it’s hard not to conclude that as we adapt to the intellectual environment of the Net our thinking becomes shallower. () My own experience leads me to believe that what we stand to lose will be at least as great as what we stand to gain.

Dan gaan we nu allemaal Edge lezen.

Informatiecrisis: we weten samen te weinig (deel 3)

Onze cultuur wordt niet bedreigd door een overdaad aan informatie, maar door een informatiecrisis. We kunnen alles weten, maar te weinig mensen weten tegelijk hetzelfde. En met samen iets weten beginnen burgerschap en democratie.

DE INFORMATIECRISIS

1: Information overload is een mythe

2: Ik heb internet uit

3: We weten samen te weinig

4: Shirky’s filter failure

5: Crisis, what crisis?

Begon het rond Fortuyn? We hebben een grotere mond, we zeggen waar het op staat, en zijn – zonder dat we het merken – asocialer. Opstandig zijn we, als volk zeg maar, waarbij de overheid en het gezag het moeten ontgelden, maar als het zo uitkomt ook onze buren, als we die tenminste nog kennen.

Als het sneeuwt vegen we de stoep niet schoon. We staan in de bus niet op voor een oudere en snauwen een baliemedewerker af. Sinds Fortuyn en de opstand der burgers lijkt dat niet meer onbeleefd maar een legitieme vorm van assertiviteit. We hebben ons chagrijn omgezet in argwaan en afstand.

Het individualisme van de jaren negentig, zelf al een uitloper van het Ik-tijdperk, is door internet van karakter veranderd. Het begon met de ontzuiling, de wereld werd ruimer en ruimdenkender, het volk verloor zijn bedeesdheid maar kreeg via het net ook de spreekbuis om te zeggen wat het denkt.

Burgerschap

Nu praat de politiek al een jaar of wat over “burgerschap”. Dat kwam van premier Balkenende, die halverwege de jaren nul over normen en waarden begon. Wat je er ook van vindt – ik kan slecht tegen het moralistisch geheven vingertje, en heb niets met de christelijke achtergrond – Balkenende had goed gezien dat burgerschap een issue was.

Welke rol speelt internet daarbij, meer dan als platform voor schreeuwlelijken en echoput van ongenoegen? Als kranten heel langzaam hun rol kwijtraken, kunnen we ons dan nog wel voldoende informeren via andere en nieuwere media? Zijn we op de hoogte? Willen we dat wel zijn, of hebben we genoeg aan gekrabbel op Hyves?

Het probleem van internet is niet dat we te veel of te weinig informatie op ons af krijgen, maar dat we te weinig met voldoende mensen delen. Je kunt daar dat internet niet de schuld van geven, evenmin als je het weer kunt verwijten dat het sneeuwt, of een steen dat die hard is.

Internet leent zich nu eenmaal veel beter voor communicatie in kleine groepen, beweer ik al langer – en het is veel krachtiger onder woorden gebracht door Clay Shirky. Dankzij internet kunnen Amerikaanse heksen, lotgenoten met akelige ziektes en fans van obscure muziek elkaar nu vinden. Ook lijkt me dat er sprake is van democratische vooruitgang nu burgers zich op lokaal niveau dankzij internet efficiënt kunnen inzetten tegen het kappen van bomen in hun straat.

Maar internet is geen massamedium, integendeel: het ondergraaft de positie van massamedia die hun verdienmodel kwijtraken.

The commons

Massamedia – kranten, televisie – hadden in de vorige eeuw een doorslaggevende rol in de democratie doordat ze veel burgers veel lieten weten. Ze waren een bindende factor, wat je verder ook aan kritiek kunt hebben op hun preoccupaties en fouten, verzuild als ze waren.

Internet doet dat niet. Internet is een geweldig platform voor grassroots democratie, voor sociale bewegingen van onderop, het versterkt de positie van het individu – wat we empowerment noemen, de klant aan de macht – maar het doet eerder afbreuk aan burgerschap dan dat het de samenleving als geheel steunt.

Omdat te weinig mensen tegelijk dezelfde informatie delen, treedt een fenomeen op dat verwant is aan the tragedy of the commons. In goed Nederlands: de tragedie van de meent. De vrijheid van het individu, zegt de speltheorie, leidt tot onderbenutting of overexploitatie van een collectief goed. Dat kan een weiland zijn dat overbegraasd wordt als elke boer het onderste uit de kan wil. Of burgerschap, als elke burger de informatie kan krijgen die voor hem of haar het beste is.

Pancake people

We weten steeds minder van steeds meer. We zijn pancake people geworden: ons blikveld is geweldig breed, maar onze belangstelling tamelijk oppervlakkig. We kunnen niet anders, er zitten maar vierentwintig uur in een dag en we gaan niet nog meer tijd aan media besteden dan we al doen, duizend uur per jaar om precies te zijn.

We zijn hard op weg – zie Neil Postman en Aldous Huxleys Brave new world - een triviasamenleving te worden. Vergeven van nutteloze feitjes, zonder diepgang en zonder enige relatie met ons dagelijks leven. Niet dat er iets mis is met infotainment, maar langzamerhand is trivia dominant geworden. Is dat nou een gevolg van het aanbod, dat allengs platter en dommer wordt, of van iets anders?

We missen overzicht. Een coherent begrip van wie we zijn, en waarom. Een helikopterview, zoals dat heet. “We weten niet meer welke informatie relevant is, en welke informatie relevant voor onze levens is”, zei Postman al in 1990. We hebben, zei Postman, geen verweer meer tegen de informatie-overdaad, onze filters deugen niet: “We suffer from a kind of cultural AIDS.”

Mank model

De ironie is dat Postman te hoop liep tegen de massamedia, die nu juist aan invloed verliezen. Hij vreesde de overvloed aan informatie en verlangde terug naar de schaarste van de negentiende eeuw omdat het weinige toen beter was. Met internet keren we terug naar de kleine gemeenschappen van de achttiende eeuw, zij het anders, maar dat model blijkt eveneens mank: het past niet – uiteraard niet – op de geglobaliseerde samenleving van de eenentwintigste eeuw.

In deze eeuw is steeds meer informatie van steeds minder betekenis voor iedereen. Information overload is het probleem niet. In werkelijkheid is sprake van een informatiegat, enigszins vergelijkbaar met het gat in de ozonlaag. Onzichtbaar, en voor elk individu weinig urgent, maar voor het collectief op langere termijn waarschijnlijk een ramp.

[Dit is deel 3 van een serie, De mythe van de information overload. Deel 1 en deel 2 zijn vorige week gepubliceerd. Deel 4 zal gaan over de vraag hoe de crisis te lijf te gaan]

Hoe heet een blogger die niet meer blogt? Een zombie? Een zomblog? Een ex-blog?

Hoe vaak moet een blogger bloggen om nog “blogger” genoemd te kunnen worden? Wat is een acceptabele frequentie? Tenminste dagelijks? Een paar keer per week? Zo nu en dan? Alleen bij Grote Gebeurtenissen? Alleen als hij echt wat te vertellen heeft?

Ik worstel er wat mee :-) . In de weekends schrijf en lees ik veel, niet alleen voor dit blog maar vooral ook werk ik aan stukken van twee boeken. Door de week schiet er te weinig tijd over. Maar los daarvan verschuift mijn bloggedrag, mijn patroon.

Toen ik een jaar of vijf geleden begon te bloggen, reageerde ik op veel meer dan nu. Het meeste Hollandse medianieuws was toen al goed genoeg om even door te geven en om commentaar op te leveren. Nu denk ik soms: ik heb alles al een keer gezegd.

Dat wringt natuurlijk het meest bij mijn stokpaardjes: de generatiekloof tussen oudere mediaconsumenten en de Yahoo-generatie, het conservatisme van de media-industrie, de intelligentie van het netwerk, het belang van – sorry Blom – de infoclans.

Maar er moet toch een ondergrens zijn, een cultureel in de blogosfeer, min of meer per wisdom of the crowd vastgelegde norm. Ik vermoed dat we gezamenlijk vinden dat een blogger eigenlijk dagelijks moet bloggen. Dan volstaat een korte post, maar alleen linkjes zijn natuurlijk ook wat slap.

Tenslotte: hoe noem je een blogger die niet meer blogt, al maanden niets gepost heeft? Een zombie? Een zomblog? Dood hout? Een ex-blog?

2007 was het jaar van Andrew Keen

Keen in Utrecht, november 2007Ja, de cultuur gaat naar de knoppen. Daar heeft Andrew Keen groot gelijk aan. De cultus van de amateur vernietigt de cultuur van de elite, en wat hou je dan over, moet Keen hebben gedacht toen hij zich zette aan het schrijven van The cult of the amateur. Boeken worden niet meer gelezen, muziek illegaal gekopieerd. De dictatuur van de domheid regeert. Dankzij YouTube verwordt de cultuur tot een kakofonie.

Keen, een naar Amerika ge-emigreerde Brit, heeft een punt. Er gaat inderdaad een cultuur naar de vaantjes: de zijne. Niet de cultuur, maar een cultuur, inderdaad. Zoals dat in de geschiedenis wel vaker gebeurd is. Denk aan de oude Egyptenaren, onze brave negentiende-eeuwers, de spruitjeslucht van de na-oorlogse opbouwjaren. Soms ging er meer, soms minder verloren. Maar wie er middenin zat, gruwde van wat kwam.

Wat zich nu ontvouwt is de internetcultuur. Die heeft een eigen dynamiek, een eigen stelsel van normen, eigen iconen, eigen afgoden. Veel daarvan staat haaks op wat we zijn gaan waarderen als de cultuur van de late twintigste eeuw. Dat was een massacultuur met een zeer smalle elite (de “sterren” van muziek, literatuur, politiek, wetenschap). En het was een tamelijk trage, op evolutie gerichte cultuur van oeuvrebouwers (van Mulisch tot Madonna, van gentechneuten tot Bush & Son).

Internetcultuur is vluchtiger. Relaties zijn niet bestendig maar kortdurend. Privacy is een ideefix. Anonimiteit de norm. De bereidheid te delen op internet is groter dan in real life, het respect voor auteursrecht navenant kleiner. Plaats, de hoeksteen van onze alledaagse identiteit (“Where are you from?”), is irrelevant. Experts worden gewantrouw, waar is – naar het woord van hackers – wat werkt. Uniciteit en originaliteit betekenen minder in een knip&plak-universum; combineren – mashup – staat hoger aangeschreven. Vriendschappen zijn pragmatisch en jij bent zo goed als je reputatiealgoritme. En niets is duurzaam, want morgen kan alles anders zijn.

Andrew Keen vindt dat allemaal niet fijn. Maar als de cultuur van dat internet naar de knoppen gaat, moet je het niet het internet verwijten – dat is domme techniek, schuldeloze ip-communicatie. De cultuur zou het zichzelf moeten verwijten. En dat geldt mutatis mutandis dus ook voor de journalistiek. Er is, bedoel ik maar te zeggen tegen collega’s die rouwen om de teloorgang van de cultuur en van hun soort journalistiek (hoe prachtig ook, hoezeer ik die ook hoog acht), geen alternatief.

Adopt and expand. Dat is al decennia het motto van Microsoft. Misschien moesten we eens beginnen met dat na te doen.