Tagged: jarvis

De jaarlijkse treurdeun van Pew: het gaat niet goed en het wordt niet snel beter

Amerikaanse adverteerders geven dit jaar voor het eerst meer geld uit aan online dan aan kranten en tijdschriften. Dat bericht, en het vermoeden dat Google de grootste veelvraat is, kan er nog wel bij na het lezen van The State of the News Media, het rapport van Het Pew Project For Excellence in Journalism, dat dit Amerikaanse onderzoeksinstituut sinds 2005 jaarlijks publiceert.

Het gaat beroerd met het nieuws, en het wordt niet snel beter, luidt opnieuw de treurdeun. De kredietcrisis richtte een slagveld aan. In 2009 verloren kranten in de VS een kwart van hun advertentie-inkomsten. Dat komt redelijk overeen met wat de Nederlandse dagbladuitgevers overkwam, nadat ze in het decennium sinds de eeuwwisseling al een kwart van hun oplage kwijt raakten.

Bron: Pew

De cijfers van Pew zijn ontluisterend, vooral zodra je je realiseert dat de Amerikaanse mediamarkt een jaar of twee op de Europese vooruit loopt. Enerzijds wordt vastgesteld dat kranten nog steeds de grootste journalistieke slagkracht hebben, en dat – anders dan we soms denken – vorig jaar slechts een dozijn dagbladen werden opgedoekt. Maar dat neemt niet weg dat sinds 2000 pakweg een derde van alle journalistieke banen in de VS verdwenen.

Aftakeling

De economische crisis versnelt het proces van aftakeling. Kranten (minus 26% vorig jaar, min 43% over de afgelopen drie jaar) zijn het zwaarst getroffen door het wegvallen van reclame-inkomsten. Erger dan locale tv (-22%), radio (-22%), tijdschriften (-17%), netwerk-tv (-8%) en ook online (-5%). De hele advertentiemarkt liep 12,9% terug. En analisten verwachten dat de advertentie-inkomsten van kranten ook bij herstel van de economie verder zullen afnemen.

Bron: Pew

Het goede nieuws? Meer dan bij ons wordt in de VS geëxperimenteerd. Dat daar al langer, en makkelijker, en meer, journalisten op straat worden gezet, zal er iets mee te maken hebben. Ze beginnen nieuwssites, waarvan een aantal “hyperlocaal”, het nieuwste buzzword (en in Nederland onder andere in de praktijk gebracht door Bart Brouwers bij De Telegraaf Media Groep). Of ze doen iets met social media, het vorige beste idee.

De hamvraag is natuurlijk of er geld mee kan worden verdiend, genoeg om de journalistiek in de benen te houden. Google bewijst dat er online een advertentiemarkt bestaat, maar die is kleiner dan de oude offline markt was, en wordt bovendien kaalgeplukt door Google zelf, dat stug blijft beweren dat het geen nieuwsbedrijf is. Daarna moet nog blijken of met een klein, hyperlokaal publiek een verdienmodel te bouwen valt, naast grote sites als ProPublica die zich nauwelijks van klassieke massamedia onderscheiden:

For all the invention and energy, however, the scale of these new efforts still amounts to a small fraction of what has been lost. While not all of the blogs and citizen efforts can be quantified, J-Lab, a project led by Jan Schaffer that studies new media, estimates that roughly $141 million of nonprofit money has flowed into new media efforts over the last four years (not including public broadcasting). That is less than one-tenth of the losses in newspaper resources alone.

Banners

Volgens Pew wijst weinig op een houdbaar verdienmodel voor online journalistiek. Een nieuwe studie stelt dat 79% van de nieuwsconsumenten op internet zelden of nooit op een advertentie klikt. Dat slaat de bodem weg onder veel sites die het niet moeten hebben van betalende klanten, en het doet vermoeden dat Google gelijk heeft met zijn advertentiemodel; dat is niet op views gebaseerd maar op relevante views, Google verkoopt geen zichtbaarheid maar belangstelling.

Als de advertentiemarkt voor online nieuws weliswaar minder krimpt dan de meeste andere markten, maar grotendeels gebaseerd is op lucht (we kijken om die banners heen), blijft voor online nieuwsmedia misschien alleen de betalende klant over. Rupert Murdoch en andere persbaronnen zijn niet zo wereldvreemd als ze soms lijken. Het mag zo zijn dat nieuwsconsumenten niet willen betalen, veel alternatieven zijn er niet.

Wat zijn de uitwegen, behalve het geduldig exploiteren van printmedia (die meestal nog winstgevend zijn, en dat met zorgvuldig uitgeverschap nog jaren zullen blijven)? Betaalpoorten zijn een dappere poging, en zullen voor een klein aantal prominente kranten ook wel inkomsten genereren, maar alleen als ze een slim model bedenken waarin hoogwaardige verhalen via een systeem van micropayments worden verkocht in de slipstream van meer algemene content.

Bot

De paywall van Murdoch – straks ook bij Le Monde en The New York Times, om twee belangrijke kranten te noemen – is een grof middel. Er gaat een signaal van uit: niet alles kan gratis blijven, maar voor de nieuwsindustrie als geheel is het te bot, te weinig subtiel. Gelukkig, stelt Pew vast, zijn veel nieuwsmedia tot de ontdekking gekomen dat ze het in niches moeten zoeken, dat klein het nieuwe groot is.

Samenwerken met lezers dan? Het buzzword – user generated content – van een jaar of wat geleden? Het is lastig, zo blijkt. Gebruikers zijn ook niet gek; ze delen met elkaar, en doen dat vaak belangeloos, althans zonder geldelijke vergoeding, maar zijn minder gretig als het om een mediabedrijf gaat dat er louter op uit is geld aan ze te verdienen.

En wat te denken van die andere categorie “gebruikers”? De persvoorlichters, spin doctors en marketingspecialisten die om de journalistieke media heen werken, eigen sites openen en zich daarbij soms – zegt Pew – voordoen als de onafhankelijke bronnen die ze beslist niet zijn? Nick Davies heeft al beschreven hoe funest dat voor de nieuwsmedia in Groot-Brittannië blijkt te zijn.

Hoe wel?

De vraag die ik me stel, werkend aan een nieuw boek, is deze: genereert een samenleving zijn eigen journalistiek als de oude bronnen opdrogen? Hebben we zoveel behoefte aan nieuws, aan verhalen, aan een Fourth Estate die de macht controleert en de collectieve agenda bepaalt, dat “als vanzelf” iets nieuws ontstaat dat vergelijkbaar is met de journalistiek uit het tijdperk van de massamedia?

Is, anders gezegd, een andere driver denkbaar dan commercieel gewin, de bron van de journalistiek van de afgelopen eeuw (zij het meer van de Amerikaanse dan van de Nederlandse, die zijn roots heeft in de bekeringsdrang der  zuilen)?

Ik wil er een koninkrijk onder verwedden dat nieuwe generaties de oplossingen zullen bedenken, en ik weet ook wel wat de ingrediënten zullen zijn, althans enkele: het nieuws zal locaal zijn, uit zijn op onthullingen, volledig met elkaar verknoopt (“cover what you do best, and link to the rest”, zei Jarvis al), waarbij het beslissende criterium voor journalistieke media de “organisatie van vertrouwen” zal zijn.

LIAR

Ik heb dat eerder het “LIAR-principe” genoemd, naar de Engelse termen local, investigative, aggregation en reputation. Wie denkt dat er niets nieuws onder de zon is, ziet het goed. Maar de vier hoekstenen van de journalistiek hebben wel een nieuwe betekenis gekregen.

Lokaal kan ook betekenen: mentaal dichtbij. Onderzoek zal vaker gebaseerd zijn op crowdsourcing (betrek je lezers bij je onderzoek, want ze weten samen meer dan jij). Aggregeren lijkt op het proces waarbij een krant wordt samengesteld uit de belangrijkste artikelen, maar is complementair aan wat Amerikanen unbundling noemen; de oude pakketverpakking valt uit elkaar, waarna on the fly nieuwe, tijdelijke, persoonlijke en topic-gebaseerde bundels ontstaan, die nota bene volledig verbonden zijn met alle andere bundels.

Vertrouwen tenslotte is niet langer gekoppeld aan een nieuwsmerk, maar aan de even vluchtige bereidwilligheid van consumenten om te geloven in de reputatie van een auteur, van een groep, van een platform, en eventueel van een merk dat begrijpt dat die drie andere entiteiten belangrijker zijn dan het eigen merk.

Maar wat, blijft de knagende vraag, is het lot van informatie die wel belangrijk is, voor de samenleving als geheel, maar niet wordt gepruimd door individuen die elk moment opnieuw kiezen? Wat houden we over als elke consument zijn eigen nieuwsbehoefte bevredigt, en niet meer verder kijkt dan zijn favorietenlijst lang is?

Nick Davies en vier andere oplossingen voor de journalistiek

Ook Nick Davies weet niet wat de toekomst van het nieuws is. Van de week verscheen het prachtige Flat Earth News van de Britse onderzoeksjournalist als Gebakken lucht in Nederland. Davies analyseert daarin hoe ook de serieuze media, half lam geslagen als ze zijn door oplagedalingen en andere crises, zich de ene na de andere waarheid op de mouw laten spelden door bedrijven, politieke spindoctors en ook progressieve actiegroepen als Greenpeace.

Ontluisterend boek. Maar een oplossing staat er niet in. Omdat Davies die niet heeft. Dat is het eerlijke antwoord op een vraag in het Volkskrant-interview dat vandaag met hem verscheen. Omdat ik ondertussen het verslag van Jeff Jarvis uit Davos las, realiseerde ik me dat er tenminste vijf scholen zijn in het denken over de economische toekomst van de journalistiek.

1. Davies. We zien de waarheid onder ogen, gruwen ervan, en doen elk van ons stinkend ons best om de verhalen te vertellen die verteld moeten worden, ook als de baas zegt dat het wel wat lichter verteerbaar kan zijn. En we hopen dat iemand een list bedenkt.

2. Murdoch. We ontkennen de simpele economische werkelijkheid die zegt dat er een verband is tussen aanbod en prijs. Hoe meer nieuws er beschikbaar is, hoe lager de prijs die consumenten ervoor willen betalen. Murdoch wil betaalhekken rond zijn News Corp-kranten.

3. Boekhoorn. We hopen dat een mecenas met hele diepe zakken het nog leuk vindt een krant te hebben. Type Marcel Boekhoorn (De Pers) – al zal die zichzelf niet als mecenas maar als investeerder zien. Soms kijken we verwachtingsvol naar Google. Of Bill Gates.

4. Laroes. Pessimisten houden er rekening mee dat we uiteindelijk op de overheid zijn aangewezen om de journalistiek in de benen te houden. Dat hoeft niet meteen te leiden tot staatsmedia; Hans Laroes maakt met de NOS hele onafhankelijke kwaliteits-tv.

5. Jarvis. De Amerikaan Jeff Jarvis, docent aan CUNY en blogger, stelt dat journistiek niet institutioneel maar entrepreneurial zal zijn. Niet gedomineerd door mediaconcerns maar door netwerken en kleinere startende ondernemers.

Zelf denk ik dat deze vijf scholen niet alleen naast elkaar zullen bestaan, maar ook tot mengvormen zullen leiden (samenwerkingen tussen overheid en concerns, tussen geldschieters en netwerken, etc). De belangrijkste vraag lijkt me in welk tempo ze zich zullen ontwikkelen, welke van de modellen zullen winnen, en welke primair zullen bloeien in de overgangsfase van dit naar een nieuw mediatijdperk.

[update]

Bovenstaande lijst is geen limitatieve opsomming van mogelijke journalistieke verdienmodellen. Hooguit hoofdstromingen in het debat. Een heel bruikbaar verdienmodel bijvoorbeeld is het bestaande: drukken die krant en bezorgen bij abonnees. Daar gaan uitgevers en journalisten nog jaren plezier van hebben (al wordt het langzaam minder).

Een ander model is dat van The Guardian. Zorg dat je de grootste bent, en gratis toegankelijk, en je hebt misschien wel voldoende advertentie-inkomsten.

Vertel betere verhalen en vertel ze beter

Journalisten moeten betere verhalen vertellen, en die verhalen beter vertellen. Dit is de mantra waaraan ik me vast hou als het om de toekomst van de journalistiek gaat. Ik ben niet de enige, storytelling wordt heel breed gezien als het laatste bastion. En daarbij dreigen we over het hoofd te zien dat het bij nieuwe media niet langer alleen om de journalist en zijn verhaal gaat, waarschuwt Jeff Jarvis.

Als zo vaak heeft Jarvis – oud-tijdschriftenmaker, mediagoeroe, blogger en docent in New York – helemaal gelijk. Hij erkent wel dat de grootste toegevoegde waarde voor een journalist in het vertellen van verhalen zit, maar is bang dat journalisten door zichzelf centraal te zetten over het hoofd zien dat nieuws “een conversatie” is geworden.

Er is zoveel meer. In het internettijdperk – en ik parafraseer Jarvis nu heel vrij – is data ook journalistiek, krijgen sociale netwerken een journalistieke functie, neemt Google de rol van filter over, en blijken nieuwsgebeurtenissen via Twitter te worden “verteld”. Journalistiek, zegt Jarvis nog maar eens, is een “proces”. En verhalen zijn een “product”.

LIAR

Jarvis is bang dat de journalistiek vlucht in de laatste veilige haven die er lijkt te bestaan. Maar door je louter op storytelling te concentreren, dreig je allerlei andere, minder voor de hand liggende mogelijkheden over het hoofd te zien. Het hemd nader dan de rok.

Ik heb eerder opgeschreven dat nieuwe journalistiek gemaakt moet worden volgens het LIAR-prinicipe. Dat acroniem staat voor Local (het nieuws moet dichtbij zijn, in geografische of mentale zin), Investigation (door onderzoek te doen brengen we feiten aan het licht die zonder journalisten verborgen zouden blijven), Aggregation (journalistiek moet gebruik maken van wat er al is aan feiten, meningen en metadata, en die informatie ontsluiten), en Reputation (ergens moet duidelijk worden of die informatie betrouwbaar is).

Het LIAR-principe moet volgens mij de basis zijn voor de betere verhalen die journalisten willen vertellen. En voor mij staat buiten kijf dat ze die verhalen ook beter moeten gaan vertellen, met meer vakmanschap, meer overtuigingskracht, meer passie, meer taalgevoel, een betere cameravoering, meer … met meer kwaliteit kortom.

Wint Obama door internet?

Barack Obama Foto: Barack ObamaWordt Barack Obama de eerste Amerikaanse president die gekozen is door internet, vraagt Jeff Jarvis zich af. Hij doet het beter onder jongeren in Iowa en New Hampshire, terwijl jongeren vroeger wel een mening hadden maar zich niet lieten zien. Wat is er anders? Jarvis: “He spoke to young people on their turf and they responded.”

De vraag wat internet gaat betekenen in deze Amerikaanse presidentsverkiezingen is mateloos interessant. Bij de vorige verkiezingen werd het net al ingezet op campagne te voeren, zoals dat ook werd gedaan bij de Tweede Kamer-verkiezingen in Nederland en parlementsverkiezingen elders.

Nu is het anders. Tot voor kort was het net een platform om je boodschap te ventileren. Je ging langs de deur, je kocht billboards en tv-spotjes, je bewerkte de pers en je hield een blog bij. Nu breng je de massa in beweging door – als je internetsavvy bent – de social sites in beweging te brengen. (En door zelf een Flickr-account te hebben)

Het helpt, zegt Jarvis, dat een van de oprichters van Facebook een supporter is van Obama. Maar de organizing power van het net is belangrijker:

To hell with the phone bank and campaign office downtown. And to heck with rallies, for that matter. The internet is the greatest organizational tool ever and both the campaign — and, importantly, the citizens themselves — used it to organize supporters to get out and support.

Netwerkmedia’s Jarvis op Guardian-zonder-hek

Jeff Jarvis, blogger op Buzzmachine en docent op de New Yorkse school voor de journalistiek, is misschien wel de meest uitgesproken mediavernieuwer onder Amerikaanse journalisten. Onvermoeibaar betogend en prekend, alert op andere bloggers, voortreffelijk schrijvend en mede daardoor zeer leesbaar.

Jarvis heeft een column in The Guardian, waarvan hij en passant meldt dat website Guardian Unlimited, internationaal de grootste Britse nieuwssite (al wordt dat betwist door The Daily Telegraph), zijn registratiehek verwijderd heeft. Dat werd tijd. Zo hip als The G is, zo sloom was dat hek.

In zijn column vat Jarvis nog eens de lessen samen van de conferentie over netwerkjournalistiek die hij vorige week aan de Newyorkse universiteit organiseerde. Netwerkjournalistiek is de term die Jarvis gebruikt voor journalistiek die in samenspraak met lezers tot stand komt.

We gathered more than 150 news networkers to share best practices, lessons learned and hopes for the future. These included collaborative, pro-am efforts to dig into local scandals; hyperlocal blogs; new and profitable print publications made up of citizens’ content; and an effort to mobilise an audience to find out who’s paying too much for a bottle of beer.