Tagged: netwerkjournalistiek

Klimaatsceptici, alarmisten en de wijsheid van de massa

Informatie over de klimaatcrisis is notoir onbetrouwbaar, of het nieuws nu van sceptici komt of van alarmisten. Internet speelt daarin een rol en het lijkt me de moeite waard eens uit te zoeken welke. Moet iets te maken hebben met specialisten die onvoldoende transparant zijn en hypes die in een netwerk gedijen als zwammen in het donker.

‘Er is een heel groot niet verteld verhaal over waarom dit op dit moment zo’n hype is,’ zegt Maarten Hajer, directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving, deze week in Vrij Nederland. Hij suggereert dat er meer aan de hand is dan wetenschappelijke controverse over het klimaatpanel. Maar wat? Economische belangen? Reputaties?

Intrigerend is vooral de balans tussen wetenschappers en sceptici. Net als andere informatiespecialisten verliezen wetenschappers aan status en gezag naar mate meer “amateurs” zich met hun specialisme bemoeien – en dat is wat er gebeurt op internet. Het is de schaduwzijde van wat ten onrechte wisdom of the crowds wordt genoemd.

Toen de Amerikaanse journalist James Surowiecki – hij werkt voor The New Yorker – zijn boek over de wijsheid van de massa schreef, legde hij uit hoe schattingen van heel veel mensen onder bepaalde omstandigheden verbluffend juist kunnen zijn. Het aantal bonen in een pot. De winnaar van een hondenrace. Surowiecki bedoelde niet dat de massa op internet “wijs” was, en had het ook niet over massale samenwerkingsprojecten als Wikipedia.

In het klimaatdebat struikelen wetenschappers over het weerwoord van duizenden “amateurs”. In het beste geval corrigeert die massa de wetenschap; ze zijn met zovelen dat ze inconsistenties vinden, feiten checken, rapporten lezen. Maar in het ergste geval kakelen ze elkaar na, gaan spookverhalen rondzingen, en debatteren de sceptici alleen nog met elkaar.

Meer nieuws dan de koppen willen we niet

De Google-generatie leest geen nieuws, maar kijkt koppen. Dat is een overdrijving, ik weet het, maar de werkelijkheid er onder is huiveringwekkend zat. Bijna de helft van alle bezoekers van Google News klikt niet door naar de nieuwssites achter de headlines. Hoe fanatieker de gebruiker, hoe meer hij genoegen neemt met Google News.

Dat nieuws van paidContent zal uitgevers sterken in hun overtuiging dat Google een parasiet is. Google stroopt het nieuws bij elkaar, aggregeert koppen dus, en doet er te weinig voor terug. De helft van Googles bezoekers komt niet eens meer naar je eigen site, en zal dus ook de banners en buttons niet zien die jouw nieuwsorganisatie financieren.

Dat is maar half waar. Zonder Google News hadden die nieuwssites ongetwijfeld minder bezoek gehad dan met Google News. Je kunt Google News ook zien als een uitgangbord, een vorm van reclame. Als je maar zichtbaar bent, dat werk. En uitgevers zijn gewend aan het idee dat reclame niet werkt. Zoals iemand zei: “De helft van mijn advertenties werkt niet, maar ik weet niet welke helft.”

Teletekst

Mij lijkt het ondezoek waarnaar paidContent verwijst belangrijk, omdat we nu misschien wat scherper gaan kijken naar wat nieuws is. Dat wordt helaas niet meer bepaald door de nieuwsmakers, journalisten voorop, maar door de gebruiker. Als het aanbod groter is dan de vraag, daalt de prijs niet alleen, maar dicteert de consument ook andere elementen: waar hij het nieuws wenst, hoe laat, in welke vorm, etc.

Nieuws is, in de ogen van de consument, vaak niet langer dan een kop. Dat is misschien ontluisterend voor wie gelooft in kwaliteitsjournalistiek, maar er zit gelukkig een andere kant aan. Tegenover het oprukken van de ultrakorte journalistiek (een regel teletekst, 140 twittertekens, een kop en intro bij Google News), staat de permanente mogelijkheid van verdieping.

Niet alles op internet is kort. Lang kan ook. De paradox wil dat een homepage van een site uiterst krap is, vooral als je je realiseert dat wat belangrijk is “boven de vouw” moet staan, meteen in beeld moet zijn, terwijl tegelijkertijd de ruimte onbeperkt is. Dossiers van duizenden pagina’s kun je opbouwen.

Uiteraard is verdieping op internet niet in de eerste plaats een kwestie van nog langere verhalen schrijven. Linken naar bronnen buiten het eigen document is natuurlijk een veel krachtiger middel. Internet is een netwerk, geen eindeloze rol papier.

Nick Davies en vier andere oplossingen voor de journalistiek

Ook Nick Davies weet niet wat de toekomst van het nieuws is. Van de week verscheen het prachtige Flat Earth News van de Britse onderzoeksjournalist als Gebakken lucht in Nederland. Davies analyseert daarin hoe ook de serieuze media, half lam geslagen als ze zijn door oplagedalingen en andere crises, zich de ene na de andere waarheid op de mouw laten spelden door bedrijven, politieke spindoctors en ook progressieve actiegroepen als Greenpeace.

Ontluisterend boek. Maar een oplossing staat er niet in. Omdat Davies die niet heeft. Dat is het eerlijke antwoord op een vraag in het Volkskrant-interview dat vandaag met hem verscheen. Omdat ik ondertussen het verslag van Jeff Jarvis uit Davos las, realiseerde ik me dat er tenminste vijf scholen zijn in het denken over de economische toekomst van de journalistiek.

1. Davies. We zien de waarheid onder ogen, gruwen ervan, en doen elk van ons stinkend ons best om de verhalen te vertellen die verteld moeten worden, ook als de baas zegt dat het wel wat lichter verteerbaar kan zijn. En we hopen dat iemand een list bedenkt.

2. Murdoch. We ontkennen de simpele economische werkelijkheid die zegt dat er een verband is tussen aanbod en prijs. Hoe meer nieuws er beschikbaar is, hoe lager de prijs die consumenten ervoor willen betalen. Murdoch wil betaalhekken rond zijn News Corp-kranten.

3. Boekhoorn. We hopen dat een mecenas met hele diepe zakken het nog leuk vindt een krant te hebben. Type Marcel Boekhoorn (De Pers) – al zal die zichzelf niet als mecenas maar als investeerder zien. Soms kijken we verwachtingsvol naar Google. Of Bill Gates.

4. Laroes. Pessimisten houden er rekening mee dat we uiteindelijk op de overheid zijn aangewezen om de journalistiek in de benen te houden. Dat hoeft niet meteen te leiden tot staatsmedia; Hans Laroes maakt met de NOS hele onafhankelijke kwaliteits-tv.

5. Jarvis. De Amerikaan Jeff Jarvis, docent aan CUNY en blogger, stelt dat journistiek niet institutioneel maar entrepreneurial zal zijn. Niet gedomineerd door mediaconcerns maar door netwerken en kleinere startende ondernemers.

Zelf denk ik dat deze vijf scholen niet alleen naast elkaar zullen bestaan, maar ook tot mengvormen zullen leiden (samenwerkingen tussen overheid en concerns, tussen geldschieters en netwerken, etc). De belangrijkste vraag lijkt me in welk tempo ze zich zullen ontwikkelen, welke van de modellen zullen winnen, en welke primair zullen bloeien in de overgangsfase van dit naar een nieuw mediatijdperk.

[update]

Bovenstaande lijst is geen limitatieve opsomming van mogelijke journalistieke verdienmodellen. Hooguit hoofdstromingen in het debat. Een heel bruikbaar verdienmodel bijvoorbeeld is het bestaande: drukken die krant en bezorgen bij abonnees. Daar gaan uitgevers en journalisten nog jaren plezier van hebben (al wordt het langzaam minder).

Een ander model is dat van The Guardian. Zorg dat je de grootste bent, en gratis toegankelijk, en je hebt misschien wel voldoende advertentie-inkomsten.

Wat moet de journalistiek met de informatiecrisis? (Slot)

Wat moet de journalistiek? Dat is de vraag in dit zesde en laatste deel van een serie over de informatiecrisis. Die reeks begon met de bewering dat information overload een mythe is, en liep uit op de conclusie dat we samen alles kunnen weten, maar te weinig sámen weten. Onze aandacht versnippert, net als de massamedia.

Gretig klampen journalisten zich vast aan zonnig nieuws over hun eigen toekomst, ook als dat nieuws flinterdun is, of apert onwaar. Lees het vakblad Villamedia, en je ziet dat de kritische houding die verslaggevers hanteren bij elk ander nieuws, opzij wordt gezet zodra het om hun eigen lot gaat. De patiënt is ziek en wil horen dat-ie aan de beterende hand is.

DE INFORMATIECRISIS

1: Information overload is een mythe

2: Ik heb internet uit

3: We weten samen te weinig

4: Shirky’s filter failure

5: Plasterks informatiecrisis: we weten te weinig samen

6: Wat moet de journalistiek?

Mediagebruik jongeren neemt toe’, kopt Villamedia bij een artikeltje over een jongerenonderzoek. Die conclusie klopt misschien, maar is uitgerekend de minst onderbouwde. De onderzoekers vroegen jongeren of ze zelf dáchten dat hun mediagebruik was toegenomen. Wat je verder ook van het onderzoek vindt, het biedt geen gegevens over jongeren door de jaren heen. Nul, nada, nix.

Dat kun je de onderzoekers niet verwijten. Dit jongerenonderzoek was opgezet als momentopname, niet “longitudinaal”. Het toont daarom van alles aan, maar per se geen ontwikkeling. En dus ook niet dat het mediagebruik onder jongeren toeneemt.

Misleidend

Maar ‘meer mediagebruik’ is goed nieuws, net als de kop ‘Jongeren zien krant wel zitten’, welke laatste boven een aankondiging van hetzelfde jongerenonderzoek stond. Zo’n kop is misleidend. De suggestie wordt gewekt dat jongeren in meerderheid dol zijn op kranten en dat de berichten over het tegendeel op een misverstand berusten, of afkomstig zijn van piskijkers en internetfanatici. Maar dat blijkt nergens in het hele onderzoek.

Zulke berichtgeving is tendentieus – je zou er bij elk ander type nieuws chagrijnig van worden. Het is even vooringenomen als dat bericht van de GPD over Franse kranten die hun oplage zien stijgen en frappant genoeg geen website hebben. De suggestie: internet is slecht voor kranten en zonder site zouden die kranten het vast beter hebben gedaan. De ene Franse krant blijkt echter een weekblad, de andere een jongerendagblad. De oplagestijging van beide zegt niets over de toekomst van dagbladen die mikken op een breed, algemeen publiek – pakweg alle andere dagbladen dus.

Hetzelfde patroon bij nieuws over pay walls. Wanneer uitgevers als Murdoch (News Corp) of Montgomery (Mecom) aankondigen dat hun dagbladen achter een betaalhek gaan, laten journalistieke vakbladen elke scepsis varen. Onderzoeken wijzen bij Villamedia steevast uit dat consumenten zullen betalen voor online content, ook als dat maar marginaal waar is of meer kost dan het oplevert. Argwaan slaat hier om in bijna religieuze dankbaarheid.

Haat-liefde

Deze serie begon met het benul dat information overload een mythe is. Dat is zo belangrijk omdat de mythe afleidt van het echte probleem (we weten niet wat we zouden moeten weten). En omdat journalisten zich er achter verstoppen, zoals ze ook van harte wegkruipen achter elke snipper hoopgevend nieuws. Struisvogelen, wordt dat ook wel genoemd.

Net als makelaars en andere informatieprofessionals hebben journalisten een haat-liefde-verhouding met information overload. Ze gruwen van de overdaad aan informatie die op internet wordt rondgepompt, en nog meer van de dubieuze kwaliteit – terecht, trouwens -, maar mogen de overload graag aanroepen om hun eigen bestaan te rechtvaardigen. Leve de overload, wij brengen verlichting. Journalisten zijn immers het filter, en dat – filter failure – was toch stuk?

Het is een misverstand. Journalisten hebben door de jaren heen allerlei functies gehad. Ze vergaren nieuws, selecteren het, verrijken het en vertellen het. Ze geven commentaar, ze duiden en ze onthullen. Maar uitgerekend die ene klassieke functie – die van filter – raken ze nu grotendeels kwijt. Dankzij het net, vinden jongeren, kan dat veel efficiënter zonder journalisten.

LIAR

Ik heb op dit blog vaker beweerd dat de journalistiek een andere rol moet claimen. Die is wel degelijk van belang voor een samenleving die overzicht op het nieuws mist, die de neiging heeft tevreden te zijn met trivia en uit elkaar lijkt te vallen omdat te veel mensen meer met hun eigen besognes besteld zijn dan met een “collectieve agenda”.

De journalistiek moet, zegt mijn LIAR-principe, lokaal nieuws brengen, in geografische of mentale zin (local). Ze moet onderzoeken en tegels lichten (investigate). Naast die twee klassieke beginselen moet ze zich twee typische netwerkgeneratie-waarden eigen maken. Journalistiek moet het nieuws aggregeren, ook als dat van derden komt. En aan dat nieuws een reden geven om het te vertrouwen, een reputation dus.

Dat deze vier kernbegrippen een mix zijn van old fashioned journalism en nieuwlichterij, is geen toeval. Journalistiek en internet kunnen niet zonder elkaar. Ik zou het ene noch het andere willen kwijtraken.

Chagrijnig

Is dit nou een chagrijnig stuk? Ik dacht het niet. Ik ben geen internetgelovige die van het web louter zegeningen verwacht. Wel ben ik eerder optimistisch dan pessimistisch als het om netwerktechnologie en de cultureel-sociologische effecten van netwerken gaat. Ik ontleen dat vertrouwen aan een verbluffend patroon: telkens wanneer nieuwe netwerktechnologie voor problemen zorgt, bleek het netwerk – de mensen en de techniek dus – in staat ook de oplossing te creëren. Die successen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst, ik weet het, maar ze kleuren mijn optimisme.

Wat wil ik dan wel? Pleiten voor vernieuwing van de journalistiek. Die is noodzakelijk omdat de “oude journalistiek” niet goed genoeg is voor jongere mediaconsumenten. Mij gaat het primair om vernieuwing van de journalistieke uitgangspunten – bijvoorbeeld die van LIAR – maar ik zal niet ontkennen dat technologie een rol speelt.

Vernieuwing van de journalistiek bleek lastig. De laatste paar jaar is het taaiste conservatisme wel weg, maar kijk eens vijftien jaar terug en overzie wat we sinds internet aan tastbare en beklijvende resultaten hebben geboekt, op journalistiek en commercieel gebied. De integratie van de NOS-newsroom, NRC Next, en een hele rij me-too innovaties die het allemaal net niet geworden zijn, van Volkskrantblogs tot camjo’s, van lokale nieuwssites als Haaksbergen.nl tot Marktplaats-concurrent Speurders.nl.

Mentaliteit

Het eerste wat de journalistiek moet doen, is de boel eens lekker laten doortochten. Ramen en deuren open. Jonge mensen naar binnen die internet niet hebben bestudeerd, maar domweg niet beter weten. Jonge plannen, jonge beslissers. Snel en veel besluiten, durven mislukken, en mislukkingen snel de nek omdraaien. Dat is geen heel vernieuwend concept voor vernieuwing – het is standaard.

En om elk misverstand uit te sluiten: als ik het over de journalistiek heb, bedoel ik het ambacht, niet de beroepsgroep, de mogelijkheden, niet uitsluitend de klassieke verdiensten, de ambitie van het vak, niet louter het track record, het streven meer dan de positie van koningin der aarde. Het zal me, kort en goed, een biet zijn wie zich journalist noemt, “amateur” of “professional”. Journalistiek is een daad.

Netwerkmedia’s Jarvis op Guardian-zonder-hek

Jeff Jarvis, blogger op Buzzmachine en docent op de New Yorkse school voor de journalistiek, is misschien wel de meest uitgesproken mediavernieuwer onder Amerikaanse journalisten. Onvermoeibaar betogend en prekend, alert op andere bloggers, voortreffelijk schrijvend en mede daardoor zeer leesbaar.

Jarvis heeft een column in The Guardian, waarvan hij en passant meldt dat website Guardian Unlimited, internationaal de grootste Britse nieuwssite (al wordt dat betwist door The Daily Telegraph), zijn registratiehek verwijderd heeft. Dat werd tijd. Zo hip als The G is, zo sloom was dat hek.

In zijn column vat Jarvis nog eens de lessen samen van de conferentie over netwerkjournalistiek die hij vorige week aan de Newyorkse universiteit organiseerde. Netwerkjournalistiek is de term die Jarvis gebruikt voor journalistiek die in samenspraak met lezers tot stand komt.

We gathered more than 150 news networkers to share best practices, lessons learned and hopes for the future. These included collaborative, pro-am efforts to dig into local scandals; hyperlocal blogs; new and profitable print publications made up of citizens’ content; and an effort to mobilise an audience to find out who’s paying too much for a bottle of beer.