Tagged: Nieuwe tag toevoegen

Systeemkranten

Bestaan er systeemkranten? We kennen systeembanken; dat zijn banken die onmisbaar zijn in de financiële wereld, ze mogen niet omvallen, want dan stort het hele internationale kaartenhuis in. Je zou kunnen zeggen dat systeemkranten onmisbaar zijn in een parlementaire democratie. Zonder die kranten is de burger niet goed geïnformeerd en staat hij feitelijk buitenspel.

Ik heb de term “systeemkranten” niet verzonnen. Ook de analogie met de systeembanken is al eerder bedacht. In een column op Frankwatching vroeg Joost Steins Bisschop zich begin vorig jaar al af of de overheid niet alleen miljarden moest investeren in het overeind houden van banken, maar ook een fractie van dat bedrag in kranten als De Telegraaf, NRC en de Volkskrant moest steken, “zodat systeemkranten over het bestaansrecht van systeembanken kunnen schrijven”.

Omdat ik wil weten hoe de relatie tussen de media en de samenleving verandert door internet, loont het misschien de moeite wat langer hardop na te denken over “systeemkranten”. Gemakshalve betrek ik meteen maar andere klassieke media – NOS Nieuws bijvoorbeeld – in de analogie. Het gaat me om journalistiek, niet alleen om print.

Dubbelzinnig

Overigens is “systeemkrant” een dubbelzinnige en misbruikte term. Extreemrechtse websites als Stormfront spreken van “systeemkranten” als ze oude media – kranten van De Telegraaf tot NRC – willen wegzetten als elitair en behorend tot de gevestigde orde die uiteraard tot op het bot corrupt is.

Zonder te willen beweren dat extreemrechts en populistische partijen als die van Geert Wilders helemaal samenvallen – dat doen ze niet -, valt de overeenkomst op. Populistische bewegingen, beschrijft Maarten van Rossem in Waarom is de burger boos?, “zijn systeemvijandig”. Het volk wordt bedrogen door politici die per definitie “zakkenvullers” zijn. Ze zijn tegen de elite, tegen “vreemden”, en snakken naar een charismatische leider.

Dat extreemrechts en het populisme zich beide afzetten tegen “het systeem” is lastig. Het geeft de term “systeemkranten” een vervelende negatieve lading. Ik wil leentjebuur spelen bij de neutrale, wetenschappelijke betekenis van “systeem” – een geheel van elkaar beïnvloedende componenten. Tegelijkertijd is de agressieve “systeemhaat” jegens gevestigde media van extreemrechts wel relevant.

Het gaat mij om de betekenis van de journalistiek. En het succes van het populisme wordt, zeg ik Van Rossem na, bevorderd door de televisie:

“Ongelukkig genoeg valt de ‘medialogica’ deels samen met de ‘populistische logica’. De medialogica vraagt theater en drama, alles is goed wat de dagelijkse routine overstijgt en de kijker emotioneert. De charismatische leiders van het populisme zijn hier precies op hun plaats, ze weten hoe je de media moet bespelen.() Zij zijn meesters van de verbale provocatie, van de schaamteloze overdrijving, de goed georganiseerde pseudogebeurtenis, die veel belooft maar weinig geeft, en van het politieke theater. Omdat de televisie zich slecht of helemaal niet leent voor de doorgifte van abstracte informatie, personaliseert hij de politiek.”

Ik bedoel maar: wie onderzoekt hoe de media de democratische burger informeren, hoe dat systeem in elkaar steekt, moet niet raar opkijken als hij op “systeemfouten” stuit. Je zou de kloof tussen burger en politiek misschien een defect van het systeem kunnen noemen. En “systeemhaat” een “crash”.

Relatief

Terug naar systeemkranten. Over welke journalistieke media hebben we het dan? NOS Nieuws op radio en tv hoort er als gezegd bij; ik kan me niet voorstellen dat dit land nog fatsoenlijk zou functioneren zonder het NOS Journaal. Maar alles is relatief. De Groene Amsterdammer lijkt me minder onmisbaar dan De Telegraaf – domweg vanwege de oplage van beide. Hart van Nederland lijkt me minder cruciaal dan NOVA, zoals RTL Boulevard voor de democratie van minder betekenis is dan Pauw & Witteman. Of om het over personen te hebben: mijn weblog lijkt me minder relevant dan de columns van HJA Hofland.

Waarom is zo’n vergelijking belangrijk? Omdat ik het niet wil laten bij de stelling dat kwaliteitsjournalistiek – onderzoek en duiding met name – onmisbaar is in een parlementaire democratie. Dat is me te gemakzuchtig. Ik wil analyseren wat dat voor journalistiek is, hoe die precies in dit “systeem” functioneert of disfunctioneert, en vooral: hoe dat “systeem” verandert door de opkomst van nieuwe media.

Zo’n onderzoek zou er toe kunnen leiden dat nieuwe vormen van journalistiek op internet – bloggers, sociale netwerken – ook tot de “systeemkranten” moeten worden gerekend. Wie ze bij voorbaat uitsluit en de term reserveert voor klassieke media of de kwaliteitskranten, negeert volgens mij een deel van de werkelijkheid.

Een uitkomst kan ook zijn dat die klassieke media inderdaad onmisbaar zijn, en dat de democratie zich niet kan veroorloven dat ze omvallen. Dan zullen ze inderdaad, op den duur, als er geen uitweg meer is, net als systeembanken door de overheid in leven moeten worden gehouden.

Jan Blokker houdt niet van journalisten

Nederlandse journalisten, fulmineert columnist Jan Blokker, houden niet van journalistiek. Waar heuse journalisten de feiten “opzoeken en voorgeleiden”, geven Hollandse dagbladschrijvers, doortrokken als ze zijn van verzuiling, al meer dan honderd jaar de voorkeur aan opinies. Het gaat ze niet om de waarheid, maar om hun waarheid.

Jan Blokker was niet de beste journalist van de vorige eeuw, dat was – volgens collega’s – Henk Hofland. Maar Blokker is wel een van de iconen van de Nederlandse journalistiek, welzeker een van mijn iconen, samen met Martin van Amerongen en Martin Bril. Van beide heb ik, net als van Blokker, leren schrijven.

Meer nog dan Van Amerongen heeft Blokker mij de journalistieke attitude bijgebracht. Argwaan, onafhankelijkheid, scepsis. Daar hoort uiteraard ook nieuwsgierigheid bij, maar dat is niet Blokkers opmerkelijkste eigenschap. Blokker wil alles weten, en weet stuitend veel, maar begint bijna altijd met van alles iets te vinden.

Jan Blokker is voor alles columnist. Al schrijft hij prachtige stukken over geschiedkundige onderwerpen, en begon hij zijn loopbaan in 1952 als filmrecensent (bij Het Parool), ik ken hem toch in de eerste plaats als de man van de tegendraadse provocatie. Gebeeldhouwde zinnen. Geestige stokpaarden. Pesterig toontje. Vilein eigen gelijk.

Missiedrang

Als Blokker zijn vakgenoten de les leest, wil ik weten waarom. In Nederlandse journalisten houden niet van journalistiek (uitgegeven door Bert Bakker), een bundeling van vooral oude, maar stevig naar elkaar toe herschreven artikelen, legt Blokker uit hoe de pers bij ons doortrokken is geraakt van missiedrang, meer dan van nieuwsgierigheid – meer van Blokker, zou je zeggen, dan van iets anders.

Nederlandse journalisten hebben minder op met feiten dan met meningen, of meninkjes. Hun kranten wortelen bijna alle in de verzuiling, niet anders dan hun publieke omroepen, die nu nota bene druk doende zijn met herprofilering en de hemel weet herzuiling. De onverbiddelijke commercie die de Amerikaanse pers groot maakte, de jacht op nieuws voedde, bleef hier lang ondergeschikt aan De Boodschap.

Het is een aardig boek, dat van Blokker. Vooral om het historisch overzicht, en minder om de autobiografische intermezzo’s waarin grootvader nog een keer vertelt. Maar helaas maakt Blokker zijn provocatie niet waar. Dat Nederlandse journalisten niet van journalistiek hielden, geloof ik onmiddellijk, maar dat dit vreemde gebrek hen nog steeds in de weg zit, lijkt me geen boutade – die mag -, maar flauwekul.

Per saldo beweert Jan Blokker weinig of niets verstandigs over de huidige generatie journalisten, over de moderne journalistiek , noch over de pers van de jaren nul. Zijn historisch overzicht houdt zo’n beetje op in de jaren zestig, toen Blokker voor het Handelsblad schreef, en voor hij de overstap maakte naar de Volkskrant.

Rekening vereffend

Dat is des te pijnlijker omdat Blokker in zijn laatste hoofdstuk een rekening vereffent met Pieter Broertjes. De huidige hoofdredacteur van de Volkskrant had Blokker zodanig beledigd of op de ziel getrapt dat de belangrijkste columnist van die krant in 2006 uitweek naar NRC Handelsblad.

Broertjes geloofde, zei hij van de week bij de presentatie van het Blokkerboek, dat het bij een kopje koffie allemaal weer was bijgelegd en uitgepraat, maar “ik had meer op mijn qui-vive moeten zijn”. Broertjes was er beduusd van.

De absolute columnist kan zich geen vrienden permitteren, ik weet het. Zoals ik al zei, waardeer ik Blokker juist om zijn onverbiddelijke pen. Beminnelijke man, daar niet van, maar achter zijn schrijftafel net zo zuur als het moet, net zo haatdragend, chagrijnig en betweterig als nodig is. Van oudedagmildheid niets te merken.

Maar wie zijn gelijk zo scherp binnen schraapt, moet wel gelijk hebben. En dat heeft Blokker niet zodra hij over de moderne dagbladpers begint en Broertjes wegzet als draaikont en dromer.

Dwaallicht

Godlof behoort Blokker niet tot de internethaters, tot het type oudere journalisten dat elke vernieuwing als bedreiging van hun status quo ervaart. Hij citeert W.F. Hermans: “Geen technische ontwikkeling zal ooit door morele verontwaardiging tegengehouden kunnen worden, evenmin als de dood tegengehouden kan worden door de onwil te sterven.”

Maar internet, het medium van de eenentwintigste eeuw, of dan toch van de jaren nul, is voor Blokker louter een hulpmiddel, geen alternatief voor de krant. Wie het tegenovergestelde beweert, zoals Broertjes – die als geen andere dagbladhoofdredacteur in Nederland de multimedia-innovatie heeft nagestreefd – is een angstig dwaallicht, vindt Blokker.

Moderne Nederlandse journalisten houden volgens Blokker niet van journalistiek omdat ze er af en toe ook rekening mee houden dat kranten wel eens zouden kunnen verdwijnen. Ze denken hardop na over nieuwe “dragers”, over iets anders dan papier, en zelfs over verdienmodellen – alleen van anglicisme al moet Blokker het zuur voelen opkomen.

Fatale zwakte

Waar Blokker dik honderd pagina’s lang de verzuilde journalistiek fileert – “Een aanstaande journalist werd in Nederland niet gekozen en getraind als een ‘waakhond van de democratie’, maar als de herdershond van verzuilde kuddes…” – toont hij zich een behoudzuchtige oude man zonder verbeeldingskracht zodra hij vernieuwers de maat neemt.

Blokker typeert de Nederlandse journalistiek, als het hem te pas komt in de persoon van Pieter Broertjes, als afzijdig en passief. Bij de “overrompelde entree van internet” bleek dit “een fatale zwakte”: de dagbladpers reageerde “eerder defensief dan uitdagend (), eerder bang dan strijdbaar, eerder tot capitulatie geneigd dan tot competitie, eerder nederig dan hooghartig en zelfbewust”.

De journalistiek valt stellig veel te verwijten, zeker in verband met internet. Maar Nederlandse journalisten waren de laatste jaren eerder overmatig zelfbewust en arrogant dan bedeesd. Ze waren in grote meerderheid behoudzuchtig, dat is waar, maar vooral zoals Jan Blokker zich conservatief betoont, niet geneigd tot vernieuwing, zelfkritiek of acceptatie van het onafwendbare.

Eigenaardig toch dat uitgerekend Jan Blokker, de “übercolumnist” uit een journalistieke eeuw die, naar hij zelf betoogt, meer van columnisme en missiedrang was gemaakt van dan nieuwsgierigheid – merkwaardig dat juist die Blokker zo streng afgeeft op de Nederlandse journalistiek. Te weinig zelf verslaggever van het nieuws geweest, misschien.

Zeer waarschijnlijk houdt Jan Blokker wel van journalistiek, maar niet van journalisten. En evenmin van de journalist die hij zelf blijkt te zijn geworden.

Het informatiegat: Shirky’s filter failure (deel 4)

We gaan niet ten onder aan information overload, dat is een mythe. Eerder is er een informatiegat: we kunnen per individu alles weten, en als het echt belangrijk is kijken we allemaal naar CNN. Maar tussen die uitersten ontbreekt het midden. Te weinig weten we samen. Deel 4 van een serie over information overload: Clay Shirky en filter failure.

Als iets al heel lang een probleem is, citeert Clay Shirky oud-premier Rabin, is het geen probleem meer, maar een feit. Waar Rabin het ongetwijfeld had over het Israëlisch-Palestijnse conflict, bedoelde Shirky dat information overload geen probleem is, maar a fact of life.

DE INFORMATIECRISIS

1: Information overload is een mythe

2: Ik heb internet uit

3: We weten samen te weinig

4: Shirky’s filter failure

5: Plasterks informatiecrisis: we weten te weinig samen

6: Wat moet de journalistiek?

Al een half millennium hebben we meer informatie beschikbaar dan we in een mensenleven kunnen consumeren. Omdat sinds Gutenberg niet alles door iedereen kon worden gelezen, hadden uitgevers een nuttige functie. Zij bepaalden wat genoeg kwaliteit had, en wat niet. Zij waren het filter.

Sinds internet is het verspreiden van informatie vrijwel gratis geworden, zei Clay Shirky eind 2008 in een veelbesproken lezing (zie video). De economische noodzaak om als uitgever onderscheid te maken tussen wat deugt en wat niet – scoor een bestseller om je drukpers terug te verdienen -, viel weg.

Filter failure

Niet informatie-overdaad is het probleem – want die was er altijd al -, maar filter failure, zei Shirky. Daarbij doelde hij niet op technische softwarefilters, niet op Google of Delicious, maar op sociale filters. Dat was nogal ironisch. Net nu we Facebook, Myspace en Hyves hebben, net nu we daar met honderd miljoen mensen bovenop gesprongen zijn, lijkt web 2.0 dus al stuk.

De vanzelfsprekende filters die we onder “echte” vrienden hanteren – wat vertel je aan wie? – blijken volgens Shirky op Facebook niet te werken. Privacy is niet wat je dacht dat het was. En samenwerking blijkt ineens illegaal als je met 147 “vrienden” een proefwerk maakt; wat werd toegestaan als je het met zijn vijven op je studeerkamer deed, heet op Facebook fraude.

Tussen het persoonlijke en het publieke, schreef ik eerder in Mediamores, is door internet een derde domein gekomen, iets wat half-openbaar is, semi-publiek. Shirky illustreert dat met een anekdote over een collega wier verloving beëindigd is. Als ze op Facebook aanvinkt dat ze weer “single” is, zijn meteen veel te veel mensen op de hoogte. Ze had het liever aan vier echte vrienden verteld, die het zouden hebben doorverteld, en zo verder. Maar dit ongewenste effect, zei Shirky, is geen bug van sociale netwerken, het is een feature.

Journalistieke informatie

Clay Shirky doceert nieuwe media aan New York University en geldt als een van de helderste denkers over de sociale effecten van internet. Zijn verhaal ging over sociale netwerken, privacy en samenwerking – niet over journalistieke informatie. Toch geldt ook daarvoor dat niet overdaad het probleem is, maar gebrekkige filtering.

Wat is het gevolg van filter failure? Dat niet de juiste informatie bij de juiste mensen komt. Dankzij het enorme aanbod van informatie kunnen we allemaal steeds meer weten, en weten we samen ongetwijfeld ook meer dan ooit. Maar – en dat is een cruciaal verschil – we weten onvoldoende samen, te weinig informatie delen we met voldoende mensen.

Badkuip

Zie het voor je als een badkuip. Aan de hoge randen weten we heel veel. Aan de ene kant als individu of in kleine groepen: we gebruiken meer informatie dan ooit tevoren, en wisselen die eenvoudig uit. Aan de andere kant van de kuip gebruiken we informatie als massa: als het nieuws echt belangrijk is – 9/11, tsunami, Haiti – kijken we wereldwijd massaler dan ooit.

Maar in het midden van de badkuip staat het water steeds lager. We delen steeds vaker steeds minder informatie in grotere groepen, in wat we vroeger misschien ook al sociale netwerken zouden hebben genoemd: de sportvereniging, de vakbondsafdeling, het lokale schoolbestuur, de vrijwilligersorganisatie, de politieke partij.

Internet is niet – anders dan je zou denken – op die grotere groepen gebouwd. De technologie van internet blijkt ideaal voor kleine, flexibele, tijdelijke groepen en veel minder voor langdurige, grotere en hechte verbanden. Of nog beter geformuleerd: groepen op internet zijn niet hetzelfde als groepen in real life. Dat weten we ook wel: je vrienden ontvrienden doe je op internet makkelijker dan in het echt. Maar ook andere mechanismen werken op Facebook anders dan in het klaslokaal: roddel kan op een website venijniger zijn dan in het echt, en in een virtuele gemeenschap zal een enkeling eerder van het collectief profiteren – de freerider – dan in een gewone dorpsgemeenschap.

[Dit is deel 4 van een uitdijende serie over de informatiecrisis, overload en burgerschap. In deel 5 antwoord op de vraag of journalisten iets kunnen doen aan filter failure]

Informatiecrisis: we weten samen te weinig (deel 3)

Onze cultuur wordt niet bedreigd door een overdaad aan informatie, maar door een informatiecrisis. We kunnen alles weten, maar te weinig mensen weten tegelijk hetzelfde. En met samen iets weten beginnen burgerschap en democratie.

DE INFORMATIECRISIS

1: Information overload is een mythe

2: Ik heb internet uit

3: We weten samen te weinig

4: Shirky’s filter failure

5: Crisis, what crisis?

Begon het rond Fortuyn? We hebben een grotere mond, we zeggen waar het op staat, en zijn – zonder dat we het merken – asocialer. Opstandig zijn we, als volk zeg maar, waarbij de overheid en het gezag het moeten ontgelden, maar als het zo uitkomt ook onze buren, als we die tenminste nog kennen.

Als het sneeuwt vegen we de stoep niet schoon. We staan in de bus niet op voor een oudere en snauwen een baliemedewerker af. Sinds Fortuyn en de opstand der burgers lijkt dat niet meer onbeleefd maar een legitieme vorm van assertiviteit. We hebben ons chagrijn omgezet in argwaan en afstand.

Het individualisme van de jaren negentig, zelf al een uitloper van het Ik-tijdperk, is door internet van karakter veranderd. Het begon met de ontzuiling, de wereld werd ruimer en ruimdenkender, het volk verloor zijn bedeesdheid maar kreeg via het net ook de spreekbuis om te zeggen wat het denkt.

Burgerschap

Nu praat de politiek al een jaar of wat over “burgerschap”. Dat kwam van premier Balkenende, die halverwege de jaren nul over normen en waarden begon. Wat je er ook van vindt – ik kan slecht tegen het moralistisch geheven vingertje, en heb niets met de christelijke achtergrond – Balkenende had goed gezien dat burgerschap een issue was.

Welke rol speelt internet daarbij, meer dan als platform voor schreeuwlelijken en echoput van ongenoegen? Als kranten heel langzaam hun rol kwijtraken, kunnen we ons dan nog wel voldoende informeren via andere en nieuwere media? Zijn we op de hoogte? Willen we dat wel zijn, of hebben we genoeg aan gekrabbel op Hyves?

Het probleem van internet is niet dat we te veel of te weinig informatie op ons af krijgen, maar dat we te weinig met voldoende mensen delen. Je kunt daar dat internet niet de schuld van geven, evenmin als je het weer kunt verwijten dat het sneeuwt, of een steen dat die hard is.

Internet leent zich nu eenmaal veel beter voor communicatie in kleine groepen, beweer ik al langer – en het is veel krachtiger onder woorden gebracht door Clay Shirky. Dankzij internet kunnen Amerikaanse heksen, lotgenoten met akelige ziektes en fans van obscure muziek elkaar nu vinden. Ook lijkt me dat er sprake is van democratische vooruitgang nu burgers zich op lokaal niveau dankzij internet efficiënt kunnen inzetten tegen het kappen van bomen in hun straat.

Maar internet is geen massamedium, integendeel: het ondergraaft de positie van massamedia die hun verdienmodel kwijtraken.

The commons

Massamedia – kranten, televisie – hadden in de vorige eeuw een doorslaggevende rol in de democratie doordat ze veel burgers veel lieten weten. Ze waren een bindende factor, wat je verder ook aan kritiek kunt hebben op hun preoccupaties en fouten, verzuild als ze waren.

Internet doet dat niet. Internet is een geweldig platform voor grassroots democratie, voor sociale bewegingen van onderop, het versterkt de positie van het individu – wat we empowerment noemen, de klant aan de macht – maar het doet eerder afbreuk aan burgerschap dan dat het de samenleving als geheel steunt.

Omdat te weinig mensen tegelijk dezelfde informatie delen, treedt een fenomeen op dat verwant is aan the tragedy of the commons. In goed Nederlands: de tragedie van de meent. De vrijheid van het individu, zegt de speltheorie, leidt tot onderbenutting of overexploitatie van een collectief goed. Dat kan een weiland zijn dat overbegraasd wordt als elke boer het onderste uit de kan wil. Of burgerschap, als elke burger de informatie kan krijgen die voor hem of haar het beste is.

Pancake people

We weten steeds minder van steeds meer. We zijn pancake people geworden: ons blikveld is geweldig breed, maar onze belangstelling tamelijk oppervlakkig. We kunnen niet anders, er zitten maar vierentwintig uur in een dag en we gaan niet nog meer tijd aan media besteden dan we al doen, duizend uur per jaar om precies te zijn.

We zijn hard op weg – zie Neil Postman en Aldous Huxleys Brave new world - een triviasamenleving te worden. Vergeven van nutteloze feitjes, zonder diepgang en zonder enige relatie met ons dagelijks leven. Niet dat er iets mis is met infotainment, maar langzamerhand is trivia dominant geworden. Is dat nou een gevolg van het aanbod, dat allengs platter en dommer wordt, of van iets anders?

We missen overzicht. Een coherent begrip van wie we zijn, en waarom. Een helikopterview, zoals dat heet. “We weten niet meer welke informatie relevant is, en welke informatie relevant voor onze levens is”, zei Postman al in 1990. We hebben, zei Postman, geen verweer meer tegen de informatie-overdaad, onze filters deugen niet: “We suffer from a kind of cultural AIDS.”

Mank model

De ironie is dat Postman te hoop liep tegen de massamedia, die nu juist aan invloed verliezen. Hij vreesde de overvloed aan informatie en verlangde terug naar de schaarste van de negentiende eeuw omdat het weinige toen beter was. Met internet keren we terug naar de kleine gemeenschappen van de achttiende eeuw, zij het anders, maar dat model blijkt eveneens mank: het past niet – uiteraard niet – op de geglobaliseerde samenleving van de eenentwintigste eeuw.

In deze eeuw is steeds meer informatie van steeds minder betekenis voor iedereen. Information overload is het probleem niet. In werkelijkheid is sprake van een informatiegat, enigszins vergelijkbaar met het gat in de ozonlaag. Onzichtbaar, en voor elk individu weinig urgent, maar voor het collectief op langere termijn waarschijnlijk een ramp.

[Dit is deel 3 van een serie, De mythe van de information overload. Deel 1 en deel 2 zijn vorige week gepubliceerd. Deel 4 zal gaan over de vraag hoe de crisis te lijf te gaan]

Here comes Cluetrain: drie misvattingen over internet

Op tenminste drie terreinen hebben de goeroes van de jaren negentig zich vergist in het internet van de jaren nul. Internet is niet de motor geworden van een nieuwe grassroots democratie, het heeft de meeste ondernemingen geen nieuwe, parallelle markt geboden, en van internetjournalistiek is het nog nauwelijks gekomen.

Onder alle drie misvattingen over internet – er zijn er vast meer – ligt dezelfde fascinerende fundamentele fout. Internet is geen massamedium maar een conversatieplatform voor kleine groepen, zoals de Amerikaanse socioloog Clay Shirky beschreef in Here comes everybody.

Het gaat niet over het grootste bereik, maar het kleinst mogelijke en toch nog relevante, beweer ik al sinds begin deze eeuw.

Cluetrain Manifesto

Bedrijven moeten snappen dat ze op internet praten met hun klanten, niet tegen hun klanten, schreven Doc Searls en drie andere marketingspecialisten in 1999 in The Cluetrain Manifesto. Dat manifest bevat 95 stellingen – a la Luther ja – waarvan de rode draad is dat niet de onderneming, maar zijn klant op internet bepaalt wat er gebeurt.

Ik lees Cluetrain opnieuw, in een bijgewerkte uitgave. Het manifest heeft in tien jaar tijd verbijsterend weinig aan zeggingskracht en relevante verloren. Het is nog even actueel, en dat kun je niet zeggen van de optimistische vergezichten die sommige internetgoeroes eind vorige eeuw schetsten van de nieuwe democratie die zou ontstaan.

Dat we op internet massaal communiceren, betekent niet dat we massa-communiceren. Een samenleving laat zich nog altijd efficienter besturen via krant en televisie dan via Twitter. Dat verandert pas als de schaal kleiner wordt, als het om een dorpsrel gaat, of om een liefst kortlopend, afgebakend onderwerp.

Gepassioneerde journalistiek

Met journalistiek is het niet anders. Afgezien van het gebrek aan collectieve inventiviteit en fondsen om daar wat mee te doen, hebben journalisten ook de onweerstaanbare neiging op internet te doen wat ze altijd al deden. Praten tegen hun publiek en niet met hun publiek.

Zelfs het idee dat er een “publiek” bestaat op internet dat vergelijkbaar is met een klassiek publiek, dat er een markt bestaat die vooral lijkt op de oude bekende markt, dat je die met marketing kunt aanzetten tot koopgedrag zoals dat kon met massamedia, is een misverstand.

Zoals dat ook met ondernemingen op internet ging, zien we in de journalistiek de innovaties niet aankomen. Ze komen uit een andere hoek dan we dachten. Wat Google deed met het zoeken en vinden van informatie, Marktplaats en GraigsList met rubrieksadvertenties, Monster met personeelsadvertenties en Facebook of Hyves met “het publiek”, doen non-gouvernemente organisaties met opinie-journalistiek.

Op De Nieuwe Reporter stelt Bas Broekhuizen bij die trend de juiste vragen. Is het erg als er een journalistiek ontstaat die kapitaalkrachtig is, gepassioneerd voor een onderwerp, maar niet meer onafhankelijk? En is er een alternatief?

Het continuüm

Google is samen met The New York Times en de Washington Post een proef begonnen met “living stories”. Verhalen die – automatisch denk ik – worden aangevuld met recent nieuws. Matt Thompson, een van de twee makers van EPIC 2014, verwees ernaar bij de conferentie Show me the money, bericht Maarten Reijnders op De Nieuwe Reporter.

Thompson wees er op dat Wikipedia al op deze manier een nooit eindigend verhaal is, geen realtime web maar een timeless web, Wat mij weer doet denken aan de meme dat nieuws op internet geen product is maar een proces.

Op DNR postte ik deze reactie:

Maarten, goed gezien. Nog niet zo lang geleden noemden we zo’n groeiende aantal thematisch verbonden verhalen een dossier op internet. Was arbeidsintensief om bij te houden en had nog niet zo’n fijne timeline. De samenwerking van NYT en Google zal hier veel aan helpen.

Minstens zo belangrijk vind ik dat het concept van levende verhalen, van een timeless web, mooi illustreert waarom archieven niet gemanipuleerd of gemutileerd mogen worden (en wel gecorrigeerd natuurlijk). Het archief is nodig om het heden te begrijpen.

Oude krantenlezers begonnen vroeger elke dag opnieuw aan de geschiedenis. De internetgeneratie vindt het terecht volkomen vanzelfsprekend dat je altijd van alles overal de context, bevestiging of ontkenning van kunt vinden. Het nieuws is een continuüm geworden.

Duits verbod op gratis citeren uit kranten

Google verdient miljarden aan het nieuws van anderen omdat het vrijwel overal citaten uit het nieuws mag gebruiken voor Google News en zijn zoekmachine. Op basis van het Amerikaanse fair use-beginsel en het Europese citaatrecht mag Google koppen en aankeilers van het nieuws overnemen. Maar in Duitsland wordt nu gewerkt aan een wet die daar een eind aan maakt, schrijft The New York Times.

In een verhaal over uitgeverij Axel Springer en de lobby tegen de gratisfilosofie van internet wordt de anti-citaat-wet vergeleken met regelingen voor het gebruik van muziek in bijvoorbeeld kroegen. Via organisaties als BUMA/Stemra krijgen de auteurs van die muziek miljoenen betaald voor het hergebruik. Waarom zou dat met nieuws ook niet kunnen, denkt Springer.

Hoewel er veel op af te dingen is – het lijkt me een vlucht achteruit – zit er ook iets redelijks in. Google maakt gebruik van een citaatrecht dat verouderd is en de lading niet meer dekt. Het is nooit bedoeld geweest voor aggregatie op de schaal van Google; niemand verwachtte dat er met de citaten (in de vorm van zoekresultaten) meer geld te verdienen zou zijn dan met het oorspronkelijke spul.

Betaalmiddel

Dat dat inmiddels wel zo is, bewijst dat het citaat geen citaat meer is, geen onaandoenlijke, hoffelijke verwijzing naar een beter ingelichte bron. Het citaat in de vorm van een hyperlink is een economische entiteit, een betaalmiddel, zoiets als een vat olie.

Dat voelt ongemakkelijk, want een citaat is maar een citaat nietwaar? Niet waar. Een citaat op Google News bevat vaak alles wat je wilt weten. Scan de pagina maar. Je klikt niet op alle artikelen door; bij de meeste is het genoeg de kop te lezen, net als bij Teletekst.

De kop is (vaak) het hele bericht – dat is de ene component. Het andere bestanddeel in de waarde van online nieuws bestaat uit metadatering. Dat is informatie over de informatie, informatie over het nieuws. Die metadata – niet alleen meegegeven door de site die het nieuws publiceerde, maar ook door Google verzameld – bepaalt hoe het nieuws tevoorschijn komt bij Google, en dus hoe goed het gelezen wordt.

Het hek van Murdoch werkt

Het hek van Murdoch werkt, maar tegen welke prijs? Sinds News Corp-topman Rupert Murdoch aankondigde dat hij de sites van zijn kranten achter een betaalhek ging zetten, voeren we een discussie van tien jaar geleden nog eens opnieuw. Dat is niet erg, de wereld is veranderd, maar het zou fijn zijn als we ook wat nieuwe argumenten en inzichten lieten meespelen. Nu klampen we ons vast aan dooddoeners: Ze Moeten Wel Betalen … Kwaliteit Is Geld Waard… Nieuws Is Niet Gratis.

Nieuw onderzoek uit Engeland suggereert dat online lezers liever voor kwaliteit betalen dan voor pulp, geen trek hebben in een vast webabonnement (ook al kost dat slechts een paar euro per maand), en misschien wel willen betalen voor losse artikelen omdat ze dan tussen verschillende nieuwsbronnen kunnen switchen.

Ik kijk er niet van op. Onderzoek ziet er gedegen (er werden 2600 personen voor ondervraagd in interviews, wat beter is dan ze alleen meerkeuzevragen laten invullen) uit en bevestigt wat we al wisten. Maar roept net als eerdere onderzoeken een aantal uiterst belangrijke vragen op:

  • wat is de leeftijdsopbouw van de onderzochte groep en hoe wijken de resultaten van de groep 35-min van de rest? Dat is belangrijk als je je realiseert dat er qua mediaconsumptie sprake is van een moeilijk te dichten generatiekloof: het is erg lastig een krant te maken die aantrekkelijk is voor de bestaande lezers en niettemin de jongere groep ook aanspreekt.
  • wat precies verstaan we onder nieuws? Zijn dat alle berichten over nieuws van gisteren die vandaag in de krant staan (80% van al het nieuws is van dat type, een klein percentage slechts gaat over nieuws dat vandaag of morgen nog gaan gebeuren, de “anticiperende” verhalen. Je kunt vermoeden dat die laatste categorie steeds belangrijker wordt, omdat een krant zich daarmee onderscheidt en de agenda niet volgt, maar bepaald (en alles met mate uiteraard, het nieuws van gisteren blijft voor veel lezers nieuw)
  • wat verstaan we onder kwaliteit? Dat mensen in Engeland iets meer bereid zijn te bepalen voor The Guardian-nieuws dan voor The Sun-nieuws bevestigt dat kwaliteit wat mag kosten, maar hoe zou dat in de praktijk werken? Een nagelharde onthulling over een seksschandaal in het parlement zou mogelijk meer geld opleveren dan een consistente reeks columnn van vooraanstaande auteurs in The Guardian. Je kunt, met andere woorden, mensen heel moeilijk naar hun betaalbereidheid voor nieuws vragen als je het niet heel concreet kunt maken.
  • hoe wegen we de kosten? We hebben het voortdurend over marginale inkomsten, maar doen alsof de content al betaald is, alsof het nieuws al gemaakt is voor de kranten en alleen nog maar hoeft te worden doorverkocht. En dat is niet het hele verhaal. Nieuws moet voor online bijvoorbeeld eerder, of korter, of meer verrijkt worden gebracht dan het in de krant stond, wil het worden gepercipieerd als kwaliteitsnieuws. Daar staan kosten tegenover waarover ik zelden iemand hoor praten.

Google vindt alles behalve wat Bing vindt

In alle heisa rond Murdochs betaalhekken rond het nieuws zien we misschien over het hoofd waar het echt om gaat. Murdoch wil de eindgebruiker – jou en mij – niet laten betalen voor het nieuws, al zegt hij dat wel, maar Google. En de ceo van News Corp gebruikt de grootste concurrent van Google, Microsofts Bing, om zichzelf een betere plek aan de onderhandelingstafel te geven.

Mike Arrington van TechCrunch legt goed uit wat er mogelijk aan de hand is, aangevuld door Nicholas Carr. Het betaalhek rond Murdochs kranten, van The Wall Street Journal tot aan The Times, is een truc. Microsoft staat allicht te trappelen om op exclusieve basis de content van News Corp te ontsluiten, en daarvoor te betalen. Wie dan een bericht uit The Times zoekt, wordt gedwongen naar Bing te gaan.

Carr ziet scherp dat Murdochs verkondigde doel waarschijnlijk onhaalbaar is. De krantenmagnaat beweert als eerste grote concern achter een betaalhek te willen gaan, in de hoop en verwachting dat andere kranten hem volgen. Terecht, zegt Carr, gaat Murdoch ervan uit dat kranten ondanks al hun sores nog steeds de allergrootste leverancier van nieuws op internet zijn. Als ze allemaal onzichtbaar zouden worden voor Google, zou dat de zoekmachine enorm schaden. Zwakke stee in het plan van Murdoch is dat die kranten niet zullen samenwerken:

When it comes to Google and other aggregators, newspapers face a sort of prisoners’ dilemma. If one of them escapes, their competitors will pick up the traffic they lose. But if all of them stay, none of them will ever get enough traffic to make sufficient money. So they all stay in the prison, occasionally yelling insults at their jailer through the bars on the door.

Maar alles wordt anders als Murdoch nog een andere agenda heeft (waarvan hij zich waarschijnlijk niet eens bewust was toen hij zijn betaalhekkenstrategie bedacht). Die andere agenda heet Microsofts Bing. Over de kansen van die strategie kun je heel sceptisch zijn, zoals Jeff Jarvis die het allemaal maar flauwekul vindt.