Tagged: nrc

NRC mag ANP plagiëren

Even een nieuwsbericht jatten van Villa Media. Die site meldt dat NRC Handelsblad zijn contract van vijf ton opzegt met het ANP. Waarop het ANP aankondigt dat het scherp in de gaten zal houden of er desondanks nieuwsberichten van het ANP in NRC  opduiken. Dat is plagiaat, vindt ANP. Nee hoor, dat heet de persexceptie, denken ze bij NRC.

Die uitzonderingsregel in de Auteurswet zegt dat nieuwsmedia berichten van elkaar mogen overnemen, zolang dat maar met bronvermelding – en de naam van de auteur – gebeurt.  Dat geldt ook voor blogs. In een recente zaak is bepaald dat GeenStijl een nieuwsmedium is (ook al zegt het zelf als het zo uitkomt dat het geen journalistiek bedrijft).

Omdat de persexceptie in principe ook voor blogs kan gelden, mits die een nieuwskarakter hebben, zou die ook voor dit blog kunnen gelden. En als dat niet het geval is, kan ik – net als elke andere blogger – terugvallen op het citaatrecht. Dat zegt dat je een kort stukje tekst mag overnemen als je het gebruikt voor een kritiek, bespreking of aankondiging.

Het is overal

Dat NRC bij het loslaten van het ANP teruggrijpt op de mogelijkheden van de Auteurswet, is verrassend maar niet onlogisch. Het ANP is ooit door de kranten opgezet; het is een beetje not-done om de gezamenlijke dienst – die voor veel kranten vooral ook een waarschuwingsdienst is – te laten vallen.

Maar NRC zal ontdekt hebben dat het steeds minder vaak gebruik maakt van ANP. Het nieuws is overal, immers, niet in de laatste plaats omdat het ANP het zelf verkoopt aan sites als Nu.nl. De alarmeringsfunctie valt te vervangen door een Google-alert en een extra tv met teletekst 101, moeten ze bij NRC hebben ontdekt.

Wat het ANP, schat ik, vooral steekt is dat NRC overstapt naar het tamelijk nieuwe persbureau Novum. Eerder al troffen ANP en Novum elkaar voor de rechter omdat de eerste vond dat de tweede wederrechtelijk berichten nieuws overnam van ANP.

Les van dit alles: het snelle nieuws van het ANP is steeds lastiger te verkopen aan partijen als NRC, die het steeds meer moeten hebben van duiding en achtergrond; en de uitzonderingsregels van de Auteurswet, met name die voor de pers, passen niet meer goed in het internettijdperk (maar dat geldt voor de hele Auteurswet).

Jan Blokker houdt niet van journalisten

Nederlandse journalisten, fulmineert columnist Jan Blokker, houden niet van journalistiek. Waar heuse journalisten de feiten “opzoeken en voorgeleiden”, geven Hollandse dagbladschrijvers, doortrokken als ze zijn van verzuiling, al meer dan honderd jaar de voorkeur aan opinies. Het gaat ze niet om de waarheid, maar om hun waarheid.

Jan Blokker was niet de beste journalist van de vorige eeuw, dat was – volgens collega’s – Henk Hofland. Maar Blokker is wel een van de iconen van de Nederlandse journalistiek, welzeker een van mijn iconen, samen met Martin van Amerongen en Martin Bril. Van beide heb ik, net als van Blokker, leren schrijven.

Meer nog dan Van Amerongen heeft Blokker mij de journalistieke attitude bijgebracht. Argwaan, onafhankelijkheid, scepsis. Daar hoort uiteraard ook nieuwsgierigheid bij, maar dat is niet Blokkers opmerkelijkste eigenschap. Blokker wil alles weten, en weet stuitend veel, maar begint bijna altijd met van alles iets te vinden.

Jan Blokker is voor alles columnist. Al schrijft hij prachtige stukken over geschiedkundige onderwerpen, en begon hij zijn loopbaan in 1952 als filmrecensent (bij Het Parool), ik ken hem toch in de eerste plaats als de man van de tegendraadse provocatie. Gebeeldhouwde zinnen. Geestige stokpaarden. Pesterig toontje. Vilein eigen gelijk.

Missiedrang

Als Blokker zijn vakgenoten de les leest, wil ik weten waarom. In Nederlandse journalisten houden niet van journalistiek (uitgegeven door Bert Bakker), een bundeling van vooral oude, maar stevig naar elkaar toe herschreven artikelen, legt Blokker uit hoe de pers bij ons doortrokken is geraakt van missiedrang, meer dan van nieuwsgierigheid – meer van Blokker, zou je zeggen, dan van iets anders.

Nederlandse journalisten hebben minder op met feiten dan met meningen, of meninkjes. Hun kranten wortelen bijna alle in de verzuiling, niet anders dan hun publieke omroepen, die nu nota bene druk doende zijn met herprofilering en de hemel weet herzuiling. De onverbiddelijke commercie die de Amerikaanse pers groot maakte, de jacht op nieuws voedde, bleef hier lang ondergeschikt aan De Boodschap.

Het is een aardig boek, dat van Blokker. Vooral om het historisch overzicht, en minder om de autobiografische intermezzo’s waarin grootvader nog een keer vertelt. Maar helaas maakt Blokker zijn provocatie niet waar. Dat Nederlandse journalisten niet van journalistiek hielden, geloof ik onmiddellijk, maar dat dit vreemde gebrek hen nog steeds in de weg zit, lijkt me geen boutade – die mag -, maar flauwekul.

Per saldo beweert Jan Blokker weinig of niets verstandigs over de huidige generatie journalisten, over de moderne journalistiek , noch over de pers van de jaren nul. Zijn historisch overzicht houdt zo’n beetje op in de jaren zestig, toen Blokker voor het Handelsblad schreef, en voor hij de overstap maakte naar de Volkskrant.

Rekening vereffend

Dat is des te pijnlijker omdat Blokker in zijn laatste hoofdstuk een rekening vereffent met Pieter Broertjes. De huidige hoofdredacteur van de Volkskrant had Blokker zodanig beledigd of op de ziel getrapt dat de belangrijkste columnist van die krant in 2006 uitweek naar NRC Handelsblad.

Broertjes geloofde, zei hij van de week bij de presentatie van het Blokkerboek, dat het bij een kopje koffie allemaal weer was bijgelegd en uitgepraat, maar “ik had meer op mijn qui-vive moeten zijn”. Broertjes was er beduusd van.

De absolute columnist kan zich geen vrienden permitteren, ik weet het. Zoals ik al zei, waardeer ik Blokker juist om zijn onverbiddelijke pen. Beminnelijke man, daar niet van, maar achter zijn schrijftafel net zo zuur als het moet, net zo haatdragend, chagrijnig en betweterig als nodig is. Van oudedagmildheid niets te merken.

Maar wie zijn gelijk zo scherp binnen schraapt, moet wel gelijk hebben. En dat heeft Blokker niet zodra hij over de moderne dagbladpers begint en Broertjes wegzet als draaikont en dromer.

Dwaallicht

Godlof behoort Blokker niet tot de internethaters, tot het type oudere journalisten dat elke vernieuwing als bedreiging van hun status quo ervaart. Hij citeert W.F. Hermans: “Geen technische ontwikkeling zal ooit door morele verontwaardiging tegengehouden kunnen worden, evenmin als de dood tegengehouden kan worden door de onwil te sterven.”

Maar internet, het medium van de eenentwintigste eeuw, of dan toch van de jaren nul, is voor Blokker louter een hulpmiddel, geen alternatief voor de krant. Wie het tegenovergestelde beweert, zoals Broertjes – die als geen andere dagbladhoofdredacteur in Nederland de multimedia-innovatie heeft nagestreefd – is een angstig dwaallicht, vindt Blokker.

Moderne Nederlandse journalisten houden volgens Blokker niet van journalistiek omdat ze er af en toe ook rekening mee houden dat kranten wel eens zouden kunnen verdwijnen. Ze denken hardop na over nieuwe “dragers”, over iets anders dan papier, en zelfs over verdienmodellen – alleen van anglicisme al moet Blokker het zuur voelen opkomen.

Fatale zwakte

Waar Blokker dik honderd pagina’s lang de verzuilde journalistiek fileert – “Een aanstaande journalist werd in Nederland niet gekozen en getraind als een ‘waakhond van de democratie’, maar als de herdershond van verzuilde kuddes…” – toont hij zich een behoudzuchtige oude man zonder verbeeldingskracht zodra hij vernieuwers de maat neemt.

Blokker typeert de Nederlandse journalistiek, als het hem te pas komt in de persoon van Pieter Broertjes, als afzijdig en passief. Bij de “overrompelde entree van internet” bleek dit “een fatale zwakte”: de dagbladpers reageerde “eerder defensief dan uitdagend (), eerder bang dan strijdbaar, eerder tot capitulatie geneigd dan tot competitie, eerder nederig dan hooghartig en zelfbewust”.

De journalistiek valt stellig veel te verwijten, zeker in verband met internet. Maar Nederlandse journalisten waren de laatste jaren eerder overmatig zelfbewust en arrogant dan bedeesd. Ze waren in grote meerderheid behoudzuchtig, dat is waar, maar vooral zoals Jan Blokker zich conservatief betoont, niet geneigd tot vernieuwing, zelfkritiek of acceptatie van het onafwendbare.

Eigenaardig toch dat uitgerekend Jan Blokker, de “übercolumnist” uit een journalistieke eeuw die, naar hij zelf betoogt, meer van columnisme en missiedrang was gemaakt van dan nieuwsgierigheid – merkwaardig dat juist die Blokker zo streng afgeeft op de Nederlandse journalistiek. Te weinig zelf verslaggever van het nieuws geweest, misschien.

Zeer waarschijnlijk houdt Jan Blokker wel van journalistiek, maar niet van journalisten. En evenmin van de journalist die hij zelf blijkt te zijn geworden.

Stiekem opnemen in Amsterdam

Mag je als journalist een gesprek heimelijk opnemen? Over die vraag debatteert de VVOJ maandagavond in Amsterdam. Ik ga luisteren omdat de kwestie raakt aan de ethiek van de journalistiek, en aan de publieke rol die journalisten claimen. Het is bovendien een lastige kwestie omdat techniek en moraal snel veranderen.

Hoe zat het? Een journalist, zo luidt het uitgangspunt, werkt met open vizier. We nemen niet stiekem foto’s en gaan niet under cover, tenzij – en dat is belangrijk – dat middel in verhouding staat tot het doel en andere middelen niet beschikbaar waren. Uit principe werken we transparant.

Met open vizier betekent dat je zegt dat je journalist bent en voor wie je werkt. Ook hoeft er geen twijfel over te bestaan dat je, ook al heb je gezegd dat je voor Radio 1 of Netwerk werkt, een telefonisch interview niet heimelijk kunt opnemen met als doel het op radio- of tv uit te zenden.

Dohmen

Het debat van de VVOJ maandagavond zal over iets anders gaan. De aanleiding is een zaak van NRC-onderzoeksjournalist Joep Dohmen bij de Raad voor de Journalistiek. Dohmen had in een netelig onderzoek een bandopname van een telefonisch interview gemaakt, niet om uit te zenden maar louter en alleen “voor eigen gebruik”, om goed te kunnen citeren, en om achteraf te kunnen bewijzen dat de quotes juist waren.

Dohmen had tijdens dat telefonisch interview wel gezegd dat hij journalist was, maar niet dat hij het gesprek opnam. Dat kwam uit toen de zaak om een andere reden bij de Raad voor de Journalistiek belandde. Dohmen verdedigde zich ter plekke met de opname van zijn gesprek, en verloor zijn zaak omdat de Raad vond dat heimelijk opnemen van gesprekken niet deugt.

Sindsdien zijn de rapen gaar. Onderzoeksjournalisten claimen dat ze hun werk niet kunnen doen als ze niet voor eigen gebruik opnamen mogen maken; die gesprekken zijn al lastig genoeg zonder dat je melding maakt van het opnameapparaat. Nog andere journalisten melden dat dit “heimelijk opnemen” al jaren de normaalste zaak van de wereld is, en zelfs gedoceerd wordt op Scholen voor de Journalistiek.

Digitaal

Ik kan daar maar één argument tegenin brengen – en heb dat eerder gedaan. Ik weet dat we tegenwoordig alles – alles! – opnemen en digitaal bewaren. De mensheid produceert ongelofelijke hoeveelheden bits aan geluidsopnames, foto’s en video. Met al die data gaan we gemiddeld makkelijker om: we laten het sneller zien, maar hechten er ook minder waarde aan.

Wie dertig jaar geleden een opname van een telefoongesprek maakte, deed iets ingewikkelds en spannends. Nu digitaal opnemen bijna een default instelling is, ligt dat anders, in elk geval bij jongeren, bij de digital natives van de internetgeneratie. Ik kan me goed voorstellen dat zij er geen moeite mee zouden hebben als journalisten elk gesprek “voor eigen gebruik” opnemen, zonder het te zeggen. Als dat de norm zou zijn.

Fatsoen

De enige reden waarom ik aarzel in de kwestie-Dohmen is deze. Ik weet ook dat veel journalisten het vanzelfsprekend vinden dat je een gesprek niet helemaal opneemt. Zij houden vast aan het klassieke open vizier en storen zich aan het vreemde gemak waarmee allerlei radiomakers – niet journalisten – stiekem opgenomen gesprekken met BN’ers de ether inslingeren.

Uiteindelijk gaat het mij om de vraag hoe, afgezien van die groep klassieke journalisten, ons publiek reageert. Of de lezer het begrijpt en billijkt als een journalist niet bij wijze van uitzondering maar als norm telefoongesprekken opneemt zonder het te melden. Vindt die lezer dat “netjes” en “fatsoenlijk” – tenenkrommende termen, ik weet het. Maar ze doen er wel degelijk toe.

Het maakt, bedoel ik, voor het publiek wel degelijk uit hoe je als journalist een gesprek vastlegt. Of je  meeschrijft, steno gebruikt of een bandje laat meelopen. Dat voelt nu eenmaal anders, de geinterviewde formuleert anders als hij weet dat zijn gesprek wordt opgenomen. En nee, erg rationeel is dat niet.

Behoedzaam

Journalisten controleren de macht en informeren de burger. Om dat te kunnen doen hebben ze middelen nodig, maar ook het vertrouwen van die burger. De afgelopen twintig jaar heeft de journalistiek op dat vlak eerder terrein verloren dan gewonnen. Dat maakt mij behoedzaam in de kwestie-Dohmen.

Op langere termijn zal dit veranderen. Dan wordt opnemen de norm en stoort zich bijna niemand er meer aan. De vraag is niet – ben ik met Bart Brouwers eens – of de Raad voor de Journalistiek zijn standpunt in de zaak-Dohmen zal wijzigen, maar wanneer, dat wil zeggen: nu of over tien of twintig jaar.

[Ik ben lid van Raad van de Journalistiek, maar was niet direct betrokken bij de zaak-Dohmen. De Raad heeft echter naar aanleiding van de zaak-Dohmen besloten in het openbaar te debatteren over "heimelijk opnemen". Deze post is een bijdrage aan dat debat]

Wikipedia heeft niets te maken met the wisdom of the crowd

Het misverstand wordt steeds hardnekkiger: de online encyclopedie Wikipedia, gemaakt door een legertje vrijwillige schrijvers, zou het voorbeeld zijn van de wijsheid van de massa. De stem-op-een-artikel-site Digg wordt ook vaak getypeerd als het resultaat van the wisdom of the crowd. Beide is onzin.

En niet omdat Wikipedia en Digg door een beperkt klein aantal mensen wordt volgeschreven, zoals Chris Wilson beweert in een overigens prima artikel in Slate (via Marie-Jose Klavers http://weblogs.nrc.nl/weblog/klaver/2008/02/25/wikipedia-is-een-oligarchie/ in NRC). Wilson citeert onderzoek waaruit blijkt dat beide sites niet door de massa, maar door een kleine minderheid worden volgeschreven.

Maar dat is niet waarom de associatie met the wisdom of the crowd onzin is. Men leze nog eens het voortreffelijke boek van de journalist James Surowiecki. Hoewel hij de term niet bedacht, heeft hij met zijn gelijknamige boek de term wisdom of the crowd wel gepopulariseerd.

In Surowiecki’s terminologie is sprake van wijsheid van de massa (of meute) als de gemiddelde schatting van een groep mensen beter is dan de beste schatting van een deskundig individu. Het gaat altijd om iets wat nog niet bekend kan zijn: de uitslag van een voetbalwedstrijd voordat hij wordt gespeeld, de plek waar een schip is vergaan zonder enig teken achter te laten, het aantal bonen in een pot voordat ze geteld zijn.

Wikipedia is iets anders. Het zijn feiten die al bekend zijn, maar waarvoor te twisten valt voordat je het eens wordt, of feiten die al bekend zijn, maar niet allemaal bij een en dezelfde persoon. Voor de sterfdatum van Poesjkin moet je bij Wikipedia zijn, voor die van Poetin bij the wisdom of the crowd (al ken ik nog geen prediction market, nog een voorbeeld, waarop je kan inzetten op het overlijden van de Russische president).

Is dit miereneuken? Ik vind van niet. Beide processen, het collectieve-feiten-proces van Wikipedia en het collectieve-raming-proces van Surowiecki, zijn fascinerende verschijnselen van internet. Maar het verschil tussen beide – langzame precisie versus instant fuzzyness – is zo elementair voor internet en kunstmatige intelligentie (vermoed ik, raad ik) dat ik het niet graag zou willen wegpoetsen.

Ze lezen Hyves, luisteren Limewire en kijken YouTube

Niet de media veranderen de journalistiek, maar de vraag naar media. Het zijn niet de “nieuwsbloggers” die met hun meninkjes en Geenstijl-lolligheid het nieuws op zijn kop zetten, maar het is de brede massa van nieuwe consumenten die wars is van oude, aanbodgedreven mainstream media. Die jongeren lezen Hyves, luisteren Limewire en kijken YouTube – zij zijn de baas van hun eigen nieuws.

Warna Oosterbaan ziet deze omkering over het hoofd in zijn beschouwing over de internet-democratie, gisteren in het boekenkatern van NRC. In een bespreking van drie boeken, waaronder het al weer geruime tijd geleden verschenen The cult of the Amateur, van Andrew Keen, schetst hij hoe het net tekortschiet: hoewel op het net iedereen zijn zegje kan doen, vooral als blogger, is de wereld daar niet beter van geworden.

Dat klopt natuurlijk. Maar het vroege idealisme van internet, de jaren waarin hippies onder de Golden Gate Bridge een nieuwe, betere wereldorde verwachtten, ligt al weer een tijdje achter ons. Het net is primair een commercieel medium gebleken, schrijft Nicholas Carr in zijn nieuwe boek, The Big Switch:

“We may find that the culture of abundance being produced by the World Wide Computer is really just a culture of mediocrity – many miles wide but only a fraction of an inch deep.”

En:

“… it’s clear that two of the hopes most dear to the Internet optimists – that the Web will create a more bountiful culture and that it will promote greater harmony and understanding – should be treated with skepticism. Cultural impoverishment and social fragmentation seem equally likely outcomes.”

Onmismaar

Hoeveel er ook af te dingen valt op dat oude idealisme, de gevolgen voor de media zijn er niet minder om. Warna Oosterbaan lijkt dat over het hoofd te zien. Hij constateert terecht dat bloggers en vooral reageerders veel minder met elkaar in debat gaan dan dat ze bij elkaar hokken; dat is de middelpuntzoekende kracht van internet die ook leidt tot dominantie van een zoekmachine of marktplaats.

Maar Oosterbaan vergist zich in zijn conclusie. Hij ziet het ontsporen van de blogosphere – “de scheldkannonades en de beledigingen willen nog wel eens de overhand hebben”, concludeert hij met gevoel voor understatement – en het failliet van de internet-democratie als een “steun in de rug voor instellingen die de publieke sfeer een warm hart toedragen: kranten, tijdschriften, de publieke omroep… (etc, HB)”.

De democratie kan voorlopig niet zonder die oude media, zegt Oosterbaan. Ik ben het daar van harte en voor de volle honderd procent mee eens. Maar ik verzet me uit alle macht tegen de suggestie die van die geconstateerde onmisbaarheid uitgaat. Die suggestie luidt: omdat we nodig zijn, kan weinig ons deren, omdat we het goede doen voor de democratie, hoeven we niet te veranderen.

Warna Oosterbaan kijkt, net als Andrew Keen, te veel naar het media-aanbod en te weinig naar de vraag. Hij onderschat de gevolgen van een culturele omslag die ertoe leidt dat nieuwe generaties mediaconsumenten hun informatie (noem het nieuws) uit sociale netwerken halen, van Hyves en Facebook en sms-jes. Je kunt dat, als journalist van de oude stempel betreuren, maar ze krabbelen er niet minder om.

De internetgeneratie is in control. Zoals ze Hyves lezen, luisteren ze naar Limewire, of een ander peer-to-peer-netwerk waar ze muziek downloaden. Ze hebben, begrijp ik van cijfers van de VPRO, het nieuwemuziekprogramma 3FM al lang in de steek gelaten voor het internetstation LastFM, dat gepersonaliseerd luisteren mogelijk maakt (3FM is de bulk van zijn publiek kwijt). En ze kijken naar hun eigen keuze op YouTube, multitaskend en msn-nend of gamend – niet naar de publieke omroep.

Ik hou van kranten, van de geur van drukinkt en het geluid van draaiende persen. Tot in mijn tenen voel ik me verwant met de oude media en verantwoordelijk voor de journalistiek. Maar wie zijn neus ophaalt voor het gedrag van “nieuwsbloggers” – dat zijn de bloggers die een beetje hetzelfde willen doen als oude journalisten -, gaat voorbij aan de massa van bloggers die geen enkele belangstelling heeft voor “nieuws”, in de oude betekenis van het woord.

Niet het aanbod van de journalistiek bepaalt de houdbaarheid van dat vak, maar de vraag van een nieuw publiek. Dat is wat Mark Deuze en ik bedoelden in PopUp toen we – en Oosterbaan citeert ons terecht in NRC – schreven dat blogs de journalistiek niet zullen verdringen, maar daarop wel grote invloed zullen uitoefenen. Die journalistiek, bedoel ik maar, heeft geen keuze dan zich aan te passen.