Facebook is geen 50 miljard waard

Het is een geweldige open deur: Facebook is geen 50 miljard dollar waard. Goldman Sachs wil ons anders doen geloven, maar de waardering die de zakenbank aan het grootste social network in de wereld (550 miljoen gebruikers) geeft, is bizar. Vraag is alleen: hoe bizar?

Anders dan Douglas Rushkoff geloof ik niet dat Facebook weer net zo snel kan verdwijnen als het gekomen is. Facebook is een trendy kroeg, redeneert de Amerikaanse auteur. En als de smaakbepalende gemeenschap begint te roepen dat iets “heel erg 2010 is”, verplaats het feest zich, zegt Rushkoff.

Maar Facebook is geen kroeg. Het is een platform voor heel veel kroegen. Het is meer wat Heineken is – een excuus om bij elkaar te komen. Te groot om te mislukken ook, al denkt Rushkoff ook daar anders over; kijk naar MySpace en je ziet dat alles kan mislukken.

Maar wat is Facebook wel waard? Toen Google naar de beurs ging (in 2004, pas zes jaar na de oprichting) werd het gewaardeerd op 23 miljard dollar. Een jaar eerder haalde het nog geen miljard dollar omzet en een winst van ruim 100 miljoen.

Facebook zou nu al een omzet halen van 2 miljard dollar, met een winst van 400 miljoen dollar. Dat oogt beter dan Google bij zijn beursgang, en lijkt die waardering van 50 miljard dus te legitimeren. Maar dan gaan we voorbij aan de verschillen tussen Google en Facebook.

De kracht van Google is het advertentiesysteem. Zoals John Battelle schreef in zijn boek over Google, The Search, verkoopt Google geen publiek aan adverteerders, maar verkoopt het de intentie van dat publiek. Adverteerders betalen Google voor elk begin van een transactie; dat is veel meer waard dan slechts aandacht.

Facebook zal alleen zijn 50 miljard waard blijken te zijn als het een vergelijkbaar krachtige tool kan bieden. De sociale site weet natuurlijk waanzinnig veel van zijn gebruikers, maar de vraag is of die toestaan dat hun informatie wordt vermarkt. Het verschil met Google zou kunnen zijn dat het advertentieprogramma van de zoekmachine zich wat meer onder de oppervlakte bevindt. Facebooks privacyprobleem is, nou ja, meer in your face.

Welke van de twee megasites heeft de beste papieren? Facebook is op papier nu meer dan honderd keer zijn winst waard; Google “slechts” 25 keer zijn winst. Dat verschil zal deels te maken hebben met pure speculatie in Facebook, het laatste lekkere ding dat langs kwam.

Maar als het verschil ook moet uitdrukken dat Facebook een twee, drie of vier keer beter advertentiemodel heeft – of zal hebben – dan Google, aarzel ik. Ik onderschat Facebook niet volgens de redenering van Rushkoff, maar wel omdat ik denk dat een social network meer weerstand oproept als het te gelde wordt gemaakt dan een zoekmachine.

Het jaar van de tolpoort

Het moet er maar eens van komen. Het jaar waarin voor eens en voor altijd duidelijk wordt of een paywall rond krantensites werkt. Wint Murdoch met zijn Times-model, wint The New York Times met een halfopen site, of gaat The Guardian met het open model met de winst lopen? Het lijkt me een winner-takes-all spelletje dat linksom of rechtsom wordt beslist.

Dat kranten zoeken naar betaalmodellen is wijs, en onvermijdelijk. Oude media hebben online niets te zoeken als de inkomsten geen gelijke tred houden met de kosten. De omzet uit reclame groeit, maar niet hard genoeg. Op nieuwe platforms als iPad willen consumenten betalen, maar vooralsnog zijn er te weinig tabletklanten.

Ik gun Murdoch zijn gelijk, maar moet het nog zien. Zelfs The Times zal moeilijk kunnen ontkomen aan de concurrentie van heel veel, hoogwaardige en godweet zelfs gelijkwaardige gratis content. Met unieke content maak je een kans, maar niet alleen als je zelf vindt dat die content uniek is; je lezers zullen het moeten geloven, zo hartstochtelijk dat ze je niet willen missen.

The Guardian gun ik het gelijk nog wat meer. Sympathieke krant. Geweldige hoofdredacteur (Alan Rusbridger). Fantastische topjournalist (Nick Davies). Maar bovenal een krant die al jaren zelfbewust een online strategie uitvoert: open, social, interactief, onderzoekend, innovatief.

Zie ook dit overzicht van 2011 op Editors Weblog.

De Times online wordt weer gratis

Rupert Murdochs Britse kranten The Times en The Sunday Times gaan in juni achter een betaalpoort. Daarmee flakkert opnieuw de discussie op tussen de gelovigen en de ketters van het gratisnieuws-model. Het ene kamp houdt vol dat nieuws niet gratis mag zijn, want het is duur om te maken. Het andere wijst erop dat nieuws online gratis is, hoeveel bezwaren je daar ook tegen kunt maken.

Mij stoort vooral de botheid van de argumenten. Ik kan me niet voorstellen dat het innoverend vermogen van Murdoch en al die andere uitgevers niet dieper gaat dan “ze moeten betalen voor nieuws”. Wie het debat volgt kan maar op twee manieren reageren, afhankelijk van het kamp waartoe hij behoort. Is Murdoch nu echt gek geworden? Of: Bizar, maar dapper.

Ik ben niet tegen betaald nieuws. Ik ben ervoor. Nieuws is inderdaad een kostbaar goedje om te maken, het is arbeidsintensief en vereist hoogopgeleide vakmensen – althans, tot voor enkele jaren was dat de norm waarop geen uitzondering bestond. In 1990 was het veel uitzonderlijker dat niet-journalisten zonder honorarium een blad begonnen dat gezaghebbend zou blijken te zijn, een groepsblog zeg maar.

Het probleem van “gratis nieuws” zit ‘m niet in “gratis” maar in “nieuws”. Uitgevers hebben niet zo geweldig veel invloed op de prijs van hun product, zeker niet meer sinds internet: de consument kan zich beter dan ooit informeren en desnoods met andere boze consumenten ten strijde trekken. Daarnaast is het aanbod van nieuws nu veel groter dan ooit: we kunnen talloze kranten en media raadplegen. Keus te over.

Het is bizar dat uitgevers en journalisten het niettemin voortdurend over de prijs van “het nieuws” hebben. Nieuws bestaat niet. Niet meer in elk geval als containerproduct – dat is zoiets als een kerstpakket: je hebt wel enig idee waar het over gaat, maar je moet maar afwachten wat je erin aan treft. Nieuws, bedoel ik maar, bestaat uit van alles, uit commentaar en analyse, uit persbureauberichten en sportuitslagen, uit onderzoek en columns, et cetera.

Als consumenten gaan betalen voor The Times, zullen ze geld over blijken te hebben voor componenten uit die krant. Niet voor het geheel, maar voor sommige delen. Het zou mij niet verbazen als Murdoch niettemin gaat proberen zijn “krant” te verkopen aan consumenten (een pond om het ding online te mogen lezen?).

Het is onbegrijpelijk dom – maar ook weer niet zo onbegrijpelijk. De krant opknippen en in delen verkopen bevestigt de consument in zijn idee dat die krant grotendeels gratis kan worden ingezien. De prachtige, maar dure columns slaat hij over, een enkele fanatieke mediaconsument uitgezonderd. Het gaat Murdoch, vrees ik, meer om de morele boodschap (“Nieuws is niet gratis”) dan om een houdbaar verdienmodel (“nieuws wordt vaak gratis aangeboden, maar lezers zijn soms best bereid te betalen voor unieke en voor hen relevante informatie”).

Het zal een jaar duren, of nog wat langer, maar dat zal The Times weer gratis zijn. En als het meezit, zullen onderdelen van die krant tegen betaling beschikbaar zijn. Dat lijkt mij meer voor de hand te liggen dan dat mensen, zoals Murdoch nu wil, niet gaan betalen voor een briljant columnist of een splijtende onthulling, maar voor “toegang” tot de website.

Wat doen massamedia voor het populisme?

Geert Wilders, Foto Jacco de Boer

De opkomst van populistische bewegingen in Europa, ook de Fortuynrevolte en Wilders’ PVV in Nederland, is ten dele te verklaren uit de macht van de massamedia. Dat beweren de politicologen Daniele Albertazzi en Duncan McDonnell, lees ik bij NRC’s Rob Wijnberg. Die conclusie – uit 2008 – is curieus, want je zou ook kunnen vaststellen dat de massamedia juist veel van hun macht zijn kwijtgeraakt.

Populisten als Wilders noemen zichzelf nooit zo, omdat aan de kwalificatie minder prettige connotaties kleven, net als aan “extreem recht” of “extreem links”. Toch past het label. Een populistische beweging ontstaat uit afkeer van het establishment (“de puinhoop van paars”), en geeft een stem aan wat ook wel “de zwijgende meerderheid” wordt genoemd, aan een groep die voorheen nauwelijks politiek actief was.

Een ander kenmerk van het populisme is de sterke, charismatische, autoritaire leider (bedenk dat de PVV geen partijdemocratie kent). Paradoxaal genoeg gelooft het populisme tegelijkertijd in basisdemocratie: “het volk”, “de man in de straat” moet kunnen meepraten, de volksvertegenwoordigers in Den Haag of Brussel – hoe verder weg, hoe erger – zijn onbetrouwbaar.

Wijnberg schrijft helder over die paradox, en staat maar kort stil bij de rol van de media om de trend van de afgelopen tien jaar te verklaren. Populisme won in Europa aan populariteit door toenemende massa-immigratie, criminaliteit en economische onzekerheid, en – stellen de beide politicologen – door een crisis in de structuur van politieke vertegenwoordiging, een explosief gegroeide invloed van de massamedia op het politieke bestel, en een verregaande personalisering van de politiek.

Massa-immigratie

Omdat ik onderzoek doe naar de wisselwerking tussen media en burgerschap, omdat ik probeer te ontrafelen hoe de democratie wordt beinvloed door de veranderingen in oude en nieuwe media, zijn die laatste twee “oorzaken” van het populisme voor mij het meest interessant. Vooral omdat ik denk dat het wat ingewikkelder is.

Eerst criminaliteit en economische onzekerheid: hebben die nou werkelijk het populisme aangewakkerd? Dat zou ik begrijpen als het om de opkomst van Wilders ging, de afgelopen twee jaar, sinds het losbarsten van de kredietcrisis. Maar tot aan oktober 2008 ging het in economisch opzicht niet zo beroerd, en de eeuw begon nota bene met grotere economische groei dan ooit tevoren (eindigend in de meltdown van de internethype, dat dan weer wel).

Massa-immigratie en de xenofobie die daarvan het gevolg is, lijkt mij een belangrijker verklaring voor het populisme. De politicologen Albertazzi en McDonnell, geciteerd door Wijnberg, kenschetsen het populisme ook als “een ideologie die een deugdzaam en homogeen volk plaatst tegenover een elite of gevaarlijke ‘ander’, die ervan wordt beticht het soevereine volk zijn rechten, waarden, welzijn, identiteit en stem te willen ontzeggen”.

Waarmee ik niet gezegd wil hebben, evenmin als Wijnberg denk ik, dat de aanhang van Wilders uitsluitend gedreven wordt door xenofobische sentimenten. Meer dan Fortuyns LPF is de PVV een one issue-beweging – anti-islam -, maar de beweging trekt ook kiezers die Wilders retoriek voor lief nemen omdat ze zich aangetrokken voelen door andere “populistische” kenmerken: het is een tegenbeweging, tegen de gevestigde orde.

Media

Welke rol speelden de media in de opkomst van het Europese populisme? De redenering van Albertazzi en McDonnell doet denken aan de conclusies van het RMO-rapport Medialogica uit 2003. Daarin werd vastgesteld dat pers, publiek en politiek elkaar gevangen houden. De media vergroten incidenten uit en zoeken naar persoonlijke verhalen. Politici gaan daarin mee om de krant te halen, en gezien te worden door de burgers.

Ik twijfel niet aan dat mechanisme van medialogica, maar het dateert niet van 2000. Het lijkt me ouder. De massamedia in Nederland zijn al aan het populariseren sinds de introductie van commerciele televisie in 1989; de invloed daarvan op kwaliteitskranten is merkbaar sinds pakweg midden jaren negentig.

Zou het een aantal jaren hebben geduurd voordat de versimpeling van soundbites en Haags kluitjesvoetbal zich vertaalde in wat we ook wel de kloof tussen burger en politiek zijn gaan noemen? En zou die vertrouwensbreuk – die evenzeer de oude journalistiek geldt als de oude politiek – aan het begin liggen van de populistische bewegingen?

Invloed op de politiek

Ingewikkelder nog lijkt me die andere waarneming van Albertazzi en McDonnell: de opkomst van het populisme is een gevolg van toenemende invloed van de massamedia op het politieke bestel. Dat lijkt raar, omdat de massamedia juist aan maatschappelijke invloed verloren; althans de gedrukte massamedia, of bij radio en tv de kwaliteitsjournalistiek, die minder uitzenduren krijgt dan voorheen (vermoed ik).

Dit vraagt om meer analyse. Is de opkomst van het populisme – en minstens even belangrijk: de groeiende afstand tussen burgers en parlementaire democratie sowieso – misschien te verklaren uit de toenemende popularisering van de pers? Is die popularisering een gevolg van het maatschappelijk ongenoegen, of de oorzaak? Kan een kwaliteitspers dat tij nog keren?

We kunnen tien jaar terugkijken, zoals hiervoor, maar misschien ook tien jaar vooruit. Het Amerikaanse onderzoeksinstituut Pew probeert dat te doen. Het stelde ruim achthonderd vooraanstaande denkers vragen over de toekomst van internet. Enkele daarvan sluiten goed aan bij de vragen die Rob Wijnberg probeert te beantwoorden.

Worden we dom van internet? Worden sociale relaties beter? Veranderen onze relaties ten opzichte van de instituties? De antwoorden staan in een rapport van Pew.

Informatiecrisis: we weten samen te weinig (deel 3)

Onze cultuur wordt niet bedreigd door een overdaad aan informatie, maar door een informatiecrisis. We kunnen alles weten, maar te weinig mensen weten tegelijk hetzelfde. En met samen iets weten beginnen burgerschap en democratie.

DE INFORMATIECRISIS

1: Information overload is een mythe

2: Ik heb internet uit

3: We weten samen te weinig

4: Shirky’s filter failure

5: Crisis, what crisis?

Begon het rond Fortuyn? We hebben een grotere mond, we zeggen waar het op staat, en zijn – zonder dat we het merken – asocialer. Opstandig zijn we, als volk zeg maar, waarbij de overheid en het gezag het moeten ontgelden, maar als het zo uitkomt ook onze buren, als we die tenminste nog kennen.

Als het sneeuwt vegen we de stoep niet schoon. We staan in de bus niet op voor een oudere en snauwen een baliemedewerker af. Sinds Fortuyn en de opstand der burgers lijkt dat niet meer onbeleefd maar een legitieme vorm van assertiviteit. We hebben ons chagrijn omgezet in argwaan en afstand.

Het individualisme van de jaren negentig, zelf al een uitloper van het Ik-tijdperk, is door internet van karakter veranderd. Het begon met de ontzuiling, de wereld werd ruimer en ruimdenkender, het volk verloor zijn bedeesdheid maar kreeg via het net ook de spreekbuis om te zeggen wat het denkt.

Burgerschap

Nu praat de politiek al een jaar of wat over “burgerschap”. Dat kwam van premier Balkenende, die halverwege de jaren nul over normen en waarden begon. Wat je er ook van vindt – ik kan slecht tegen het moralistisch geheven vingertje, en heb niets met de christelijke achtergrond – Balkenende had goed gezien dat burgerschap een issue was.

Welke rol speelt internet daarbij, meer dan als platform voor schreeuwlelijken en echoput van ongenoegen? Als kranten heel langzaam hun rol kwijtraken, kunnen we ons dan nog wel voldoende informeren via andere en nieuwere media? Zijn we op de hoogte? Willen we dat wel zijn, of hebben we genoeg aan gekrabbel op Hyves?

Het probleem van internet is niet dat we te veel of te weinig informatie op ons af krijgen, maar dat we te weinig met voldoende mensen delen. Je kunt daar dat internet niet de schuld van geven, evenmin als je het weer kunt verwijten dat het sneeuwt, of een steen dat die hard is.

Internet leent zich nu eenmaal veel beter voor communicatie in kleine groepen, beweer ik al langer – en het is veel krachtiger onder woorden gebracht door Clay Shirky. Dankzij internet kunnen Amerikaanse heksen, lotgenoten met akelige ziektes en fans van obscure muziek elkaar nu vinden. Ook lijkt me dat er sprake is van democratische vooruitgang nu burgers zich op lokaal niveau dankzij internet efficiënt kunnen inzetten tegen het kappen van bomen in hun straat.

Maar internet is geen massamedium, integendeel: het ondergraaft de positie van massamedia die hun verdienmodel kwijtraken.

The commons

Massamedia – kranten, televisie – hadden in de vorige eeuw een doorslaggevende rol in de democratie doordat ze veel burgers veel lieten weten. Ze waren een bindende factor, wat je verder ook aan kritiek kunt hebben op hun preoccupaties en fouten, verzuild als ze waren.

Internet doet dat niet. Internet is een geweldig platform voor grassroots democratie, voor sociale bewegingen van onderop, het versterkt de positie van het individu – wat we empowerment noemen, de klant aan de macht – maar het doet eerder afbreuk aan burgerschap dan dat het de samenleving als geheel steunt.

Omdat te weinig mensen tegelijk dezelfde informatie delen, treedt een fenomeen op dat verwant is aan the tragedy of the commons. In goed Nederlands: de tragedie van de meent. De vrijheid van het individu, zegt de speltheorie, leidt tot onderbenutting of overexploitatie van een collectief goed. Dat kan een weiland zijn dat overbegraasd wordt als elke boer het onderste uit de kan wil. Of burgerschap, als elke burger de informatie kan krijgen die voor hem of haar het beste is.

Pancake people

We weten steeds minder van steeds meer. We zijn pancake people geworden: ons blikveld is geweldig breed, maar onze belangstelling tamelijk oppervlakkig. We kunnen niet anders, er zitten maar vierentwintig uur in een dag en we gaan niet nog meer tijd aan media besteden dan we al doen, duizend uur per jaar om precies te zijn.

We zijn hard op weg – zie Neil Postman en Aldous Huxleys Brave new world – een triviasamenleving te worden. Vergeven van nutteloze feitjes, zonder diepgang en zonder enige relatie met ons dagelijks leven. Niet dat er iets mis is met infotainment, maar langzamerhand is trivia dominant geworden. Is dat nou een gevolg van het aanbod, dat allengs platter en dommer wordt, of van iets anders?

We missen overzicht. Een coherent begrip van wie we zijn, en waarom. Een helikopterview, zoals dat heet. “We weten niet meer welke informatie relevant is, en welke informatie relevant voor onze levens is”, zei Postman al in 1990. We hebben, zei Postman, geen verweer meer tegen de informatie-overdaad, onze filters deugen niet: “We suffer from a kind of cultural AIDS.”

Mank model

De ironie is dat Postman te hoop liep tegen de massamedia, die nu juist aan invloed verliezen. Hij vreesde de overvloed aan informatie en verlangde terug naar de schaarste van de negentiende eeuw omdat het weinige toen beter was. Met internet keren we terug naar de kleine gemeenschappen van de achttiende eeuw, zij het anders, maar dat model blijkt eveneens mank: het past niet – uiteraard niet – op de geglobaliseerde samenleving van de eenentwintigste eeuw.

In deze eeuw is steeds meer informatie van steeds minder betekenis voor iedereen. Information overload is het probleem niet. In werkelijkheid is sprake van een informatiegat, enigszins vergelijkbaar met het gat in de ozonlaag. Onzichtbaar, en voor elk individu weinig urgent, maar voor het collectief op langere termijn waarschijnlijk een ramp.

[Dit is deel 3 van een serie, De mythe van de information overload. Deel 1 en deel 2 zijn vorige week gepubliceerd. Deel 4 zal gaan over de vraag hoe de crisis te lijf te gaan]

De Internetseksuelen Van Hans Wansink

H

ans Wansink en Warna Oosterbaan schreven een aardig boek over de toekomst van kranten. In een interview met Alexander Pleijter zet Wansink zich af tegen “internetseksuelen” die de krant dood verklaren. Met die internetseksuelen bedoelt hij mij en Mark Deuze, met wie ik samen PopUp schreef.

Onder de post op Pleijterblog heb ik gereageerd, omdat Wansink mij wel erg krom citeert. Daarmee profileert hij zichzelf natuurlijk lekker als wijze oude man met een hart voor klassieke media, maar laat hij ook zien dat hij – doelbewust of niet – onze boodschap onbeholpen samenvat.

Als Deuze en ik in PopUp en daarbuiten het einde van de krant aankondigen, beperken we ons altijd tot de “bestaande, betaalde” kranten. Ik heb dat uitentreure uitgelegd. Kranten hebben een kans als ze zichzelf opnieuw uitvinden, gratis worden, of andere journalistiek gaan bedrijven, of kiezen voor een ander formaat, een ander verschijningsritme, een ander distributiemodel, een andere drager dan papier, et cetera.

In de vergelijking heb ik altijd ook de gratis kranten betrokken. Het is daarom tamelijk idioot om, zoals Wansink doet, de opkomst van gratis kranten te gebruiken om aan te tonen dat het helemaal niet zo slecht gaat met kranten. Te meer niet omdat de opkomst van gratis kranten de ondergang van de bestaande, betaalde kranten wel degelijk versnelt (uit onderzoek van Piet Bakker weten we dat de oplagedaling van kranten voor een klein deel wordt veroorzaakt door de beschikbaarheid van gratis kranten).

Bezopen

Even bezopen is de kwalificatie “internetseksuelen”. Ik heb geen flauw benul wat Wansink er eigenlijk mee bedoelt. Het klinkt toch nog het meest alsof een zuinige bal een schuine grap vertelt. Maak je tegenstander belachelijk, dan hoef je niet met ‘m in de debat.

Maar belangrijker natuurlijk is het misverstand bij Wansink dat bloggers de journalistiek niet veranderen. Ik snap dat wel, het is ook moeilijk en paradoxaal. Kern van de zaak is dat niet-professionele journalisten zich via internet met het nieuws gaan bemoeien (en of je ze nou bloggers noemt, is bijzaak). Dat doen ze door er een mening over te hebben, door feiten aan te vullen, door zelf een keuze te maken uit het nieuws, en door het nieuws aan elkaar door te geven.

In essentie nemen ze daarmee een deel van de taken van journalistieke media over: duiding, controle, selectie, distributie. Daarmee zeg ik – even opletten Hans – niet dat “burgers” die taken helemaal over nemen en journalisten dus geen rol meer hebben in het duiden van nieuws. Integendeel. Ik beweer slechts dat die taken voortaan gedeeld moeten worden met het publiek. Dat wordt op het net wel eens interactie genoemd.

Burgerjournalistiek

Ook beweer ik niet dat alle “burgers” journalisten worden. Sterker: ik heb een hekel aan de term burgerjournalistiek, omdat die impliceert dat je twee soorten journalistiek hebt, afhankelijk van het al dan niet bij een beroepsgroep horen. Dat is flauwekul. Er bestaat iets wat journalistiek heet, of journalistiek handelen. Dat kun je de maat nemen, zonder de vraag te stellen of de journalist een burger is of een professional.

Tenslotte: ja, de media zullen moeten veranderen door de opkomst van internet. Maar nee, niet elke burger wel een blogger zijn. Groot was het misverstand van Scoeps dat elke Nederlander wel journalist wilde zijn. Waarschijnlijker is dat maar 1 op de duizend Nederlanders zo nu en dan iets wil doen dat in de verte op journalistiek lijkt (iets over het nieuws zeggen voor mensen die je niet kent).

Dat is een betrekkelijk kleine groep. En het aantal frequente nieuwe journalisten (niet-professionals dus), zal nog veel kleiner zijn. Maar wie blijft volhouden dat internet in Nederland geen gevolgen heeft voor de oude media, dat interactiviteit hier niets toevoegt, speelt een onverantwoord spel met het enige wat de oude media nog resteert: een jaar of tien om samen met het publiek naar een nieuw verdienmodel te zoeken.

Internet Belangrijker Nieuwsbron Dan Kranten: Hoe Nu?

Bron: Pew

I

n de Verenigde Staten is internet voor het eerst een belangrijker bron van nieuws dan de kranten. Uit onderzoek van Pew blijkt dat 40% van de Amerikanen internet noemen als hun eerste bron van nationaal en internationaal nieuws. Nog maar 35% noemt de krant. In september 2007 was dat nog 35% krant tegenover 24% internet. Televisie wordt nog steeds het vaakst genoemd als belangrijkste nieuwsbron (70%).

De statistiek is natuurlijk geen onverwacht nieuws. Al enkele jaren berichten onderzoekers dat jongeren – hoe die groen dan ook wordt gedefinieerd – hun nieuws vaker dan van internet halen dan uit de krant. Vaak blijkt ook dat ze geleidelijk aan minder tijd besteden aan televisie. Maar dit Pew-onderzoek is wel het eerste dat ik ken waarin die trend niet alleen voor jongeren wordt geconstateerd.

Kijk bij The Editors Weblog van de WAN voor trends die in 2009 belangrijk worden.

Laten opbranden

Dus wat nu? De baas (digital editor) van de Telegraph Media Group in de UK, Edward Roussel, heeft tien verstandige tips gepubliceerd. Kern van zijn boodschap: probeer kranten niet te redden van een onvermijdelijke toekomst, maar laat ze “opbranden” en bouw digitale mediabedrijven op. Leveren die te weinig advertentiegeld op? Nu nog wel misschien, zegt Roussel, maar calculeer ook in dat met de kosten van bezorgen en drukken tweederde van al je kosten wegvallen.

Zijn tips komen aardig overeen met de 21 innovatietips die ik eerder bij elkaar sprokkelde. In grote lijnen: doe waar je goed in bent (en link naar de rest), voeg waarde aan het nieuws toe maar volg daarbij het dagritme van je gebruikers, zoek de interactie met je lezers op, organiseer de innovatie bottom up en niet top down (verslaggevers weten het best wat leeft bij je lezers), train de redactie in het vertellen van multimediale verhalen, “If your sales team can’t beat Google, then outsource to Google“, investeer in het web, stel een manager aan met passie voor het web, durf fouten te maken.

Geen nieuws

Het is goed dat steeds meer mensen in de mediawereld zo hardop denken over innovatie, vooral omdat het met veel oude media slecht gaat. Alan Rusbridger, de hoofdredacteur van The Guardian, kan zich al een toekomst voorstellen waarin sommige grote Britse steden helemaal geen onafhankelijke bron van nieuws meer hebben:

Speaking on BBC Radio 4’s Today programme this morning, Rusbridger agreed with an assessment made by Rupert Murdoch last month that newspapers could not rely on print for their future and had to innovate to survive. However, he admitted “no one had any idea” what form of news distribution may be in use in five years’ time.

“I think there may be a thinning out [of national newspapers], I fear, because the next two years are going to be so expensive in terms of developing these new forms of communication at a time when the sources of revenue are going to be very thin indeed,” he said.

[via Alan D. Mutter]

2008: Het Jaar Dat Alles Anders Werd

V

oor de media was 2008 het jaar waarin alles veranderde. De eerste, aarzelende innovaties (Next) zijn omgezet in een veel grotere innovatiedrang. Het besef dat kranten geen vanzelfsprekende toekomst hebben, is door kredietcrisis en recessie omgeslagen in lichte paniek. Wie nu beweert dat de journalistiek per se interactief moet worden, of anders met de oude media zal wegkwijnen, wordt niet langer versleten voor fantast of fatalist.

Die omslag heeft zich uiteraard niet binnen één jaar voltrokken, en is evenmin voltooid. Met de mond belijden dat we radicaal moeten vernieuwen, is nog iets anders dan er geld voor vrijmaken. Erkennen dat lezers terug willen praten, bloggend of in comments, met kritische lezersbrieven of op eigen “burgerjournalistieke” websites, blijft iets anders dan die lezers linksom of rechtsom bij je krant of omroep betrekken en hun inbreng serieus nemen.

Niettemin heb ik het gevoel dat 2008 over tien jaar het omslagjaar zal blijken te zijn geweest. Dat optimisme haal ik uit congressen als die van de World Association of Newspapers, die minder oogklepperig zijn dan ze voorheen waren. Hoewel de journalistiek nog wel wat papieren tijgers kent, zijn redacties nu in meerderheid doordrongen van de onontkoombaarheid van internet, zoals ze drie jaar geleden nog in meerderheid sceptisch, angstig of afwijzend waren.

Kanteljaar

Directe reden om eens na te denken over 2008 als kanteljaar, is een onderzoek waarover ReadWriteWeb publiceert. Die 2.0-site meldt dat in de VS nu 58% van de top-100-kranten gebruik maakt van user generated content. In 2007 was dan nog maar 24%. Liefst 75% staat comments toe onder nieuwsartikelen, meer dan twee maal zoveel als een jaar geleden (33%). Bijna iedereen gebruikt bookmark-buttons als die van Delicious of Digg, tegen 7% in 2006.

Al vijftien jaar lopen kranten in de Verenigde Staten een jaar of twee voor op die in Nederland. Dat geldt zowel voor de economische nood waarin ze verkeren, voor het gevoel van urgentie dat vervolgens ontstaat, als voor de mate waarin ze willen innoveren. Daardoor kunnen Nederlandse dagbladen leren van Amerikaanse ervaringen, maar de schaduwzijde is uiteraard dat we ook zien wat ons voorland waarschijnlijk is: oplagedalingen, banenreducties en faillissementen – zie bijvoorbeeld James Surowiecki in The New Yorker.

Ik word daar niet fatalistisch van. Een onoplosbaar probleem is geen probleem, zei mijn leermeester Gerard Krul ooit, en bestelde een biertje. Bij de pakken neerzitten heeft even weinig zin als blijven hangen in Gordiaanse dilemma’s. Liever probeer ik te begrijpen waarom oplages dalen, accepteer ik dat ze waarschijnlijk zullen blijven dalen, probeer ik dat proces te remmen door de best mogelijke krant te maken en gebruik ik de resterende tijd om een uitweg te vinden voor de journalistiek.

Tijd

De bestaande betaalde kranten zullen verdwijnen. Beweer ik al een jaar of acht. Het kan nog een jaar of tien duren, maar dan is het niet meer de vraag of ze verdwijnen, maar welke krant als laatste het loodje legt. Dat vooruitzicht lucht op en biedt kansen. De journalistiek heeft de tijd de bestaande kranten aan te passen, bijvoorbeeld door ze gratis te maken, of veel duurder, of specialistischer. Want gratis kranten zullen blijven bestaan, net als hele dure kwaliteitskranten of nichekranten (al hoeven dat niet de huidige kranten te zijn die zichzelf graag zo zien).

Nog interessanter dan de toekomst van de media is het lot van de journalistiek. Is een post-mediale journalistiek denkbaar, vroeg Jeff Jarvis zich ooit af. Hoezeer ik ook doordrongen ben van de noodzaak van journalistiek, als waakhond in een democratie, vanzelfsprekend vind ik die journalistiek niet. Het enkele feit dat journalistiek belangrijk is, betekent niet dat er ook altijd geld voor zal zijn, tenzij de overheid die journalistiek subsidie geeft, zoals ze nu al doet voor de journalistiek van de Publieke Omroep.

Ook op dit punt ben ik niet de propagandist van burgerjournalistiek waarvoor ik soms versleten word. Ik beweer niet dat amateurjournalistiek de professionele journalistiek kan vervangen, of gaat vervangen. Wel geloof ik dat de beroepsgroep – die zelf door bezuinigingen van media steeds zwakker wordt – allengs meer te stellen krijgt met “bloggende burgers”. Die worden mondiger, luisteren minder, en eisen een plek op het podium.

Horde

Wordt het land daar beter van? Moeten we blij zijn dat een honderd jaar oude elite van professionele journalisten een beetje aan de kant wordt gedrongen door wat Andrew Keen ziet als een horde narcistische idioten?

Hoewel internet soms vergeven lijkt van populistische halvegaren bestaat die horde niet uit louter idioten. Sterker nog: die horde bestaat niet. Wat de oude journalistiek aanziet voor een oprukkend leger, is in wezen niet meer dan een betrekkelijk kleine groep. Dat die groep gehoord wordt, komt niet eens doordat ze op internet gehoord kan worden, maar doordat ze aan de oude media, die de grootste uitwassen en leukste primeurs (Rutger stuurt Ella naar huis), een verpletterende megafoon hebben. Zonder oude media, bedoel ik maar, was het een stuk rustiger op internet.

Burgerjournalistiek is een manke term. Je krijgt de indruk dat er een journalistiek van burgers bestaat die het opneemt tegen het professionalisme van pakweg 13duizend journalisten (in Nederland). In werkelijkheid hebben we het over een paar handen vol niet-gebonden journalisten die op internet over even brede onderwerpen publiceren als journalisten doen – en over duizenden en duizenden “bloggers” die op hun eigen kleine terrein, heel specialistisch en soms verbluffend deskundig zo nu en dan iets publiceren voor een paar honderd gelijkgestemden.

21 Tips voor Plasterks Pers (De Laatste Zeven)

N

u minister Plasterk van Media heeft toegezegd dat hij 8 miljoen euro per jaar vrijmaakt voor vernieuwing van de pers, is de vraag: wat gaan dagbladen met dat geld doen? Anders gezegd: innovatie in de media – hoe werkt dat? Hierbij 21 adviezen voor de pers van Plasterk. Gisteren en eergisteren de eerste veertien, vandaag de laatste zeven.

15. Ga Voorop. Een hele generatie dagbladmakers moet worden ontslagen omdat ze Google (“Hoe vind ik informatie?”) niet hebben bedacht, zei de futuroloog Paul Saffo al in 2001. Wie nu nog geen visie heeft, die dagelijks uitdraagt en oplegt, voortdurend aan de praktijk toetst en op de proef stelt, hoeft er niet meer aan te beginnen.

16. Moderniseer Je Mores. Hoe vernieuw je de journalistiek? Door alles wat je dacht te weten over de journalistiek te willen vergeten, door alle uitgangspunten, principes en dogma’s, overboord te zetten en opnieuw de vraag te stellen: waar dient journalistiek toe, en wat wil mijn lezer? Klassieke waarden als betrouwbaarheid, onafhankelijkheid en distantie moeten nieuwe waarden naast zich dulden als betrokkenheid, authenticiteit en transparantie.

17. Kijk Niet Om. Blijf niet hangen. Innovatie in de pers kwam tenminste tien jaar te laat op gang, maar het is veel nuttiger om tien jaar vooruit te durven kijken. Naar pakweg 2018, als de klassieke kranten verdwenen zullen zijn, op gratis kranten na en enkele dure nichekranten, en er niettemin een journalistiek zal bestaan, zelfs een geschreven journalistiek.

18. Haal Geld Waar Het Is. Onafhankelijkheid is een groot journalistiek goed, maar zonder steun van de overheid, en investeerders als Roel Pieper (Opinio zaliger) en Marcel Boekhoorn (De Pers), lukt het straks niet meer. Vraag je lezers om geld. Dat doen De Groene Amsterdammer en het Friesch Dagblad al jaren, maar lezers willen ook betalen voor journalistieke onderzoeksverhalen.

19. Pitch. Breng elk verhaal als een innovatief idee en elk idee als een elevator pitch. Een verhaal dat niet in één kopregel kan worden verteld, is geen goed verhaal. En een verhaal dat geen pagina nodig heeft om verteld te worden, ook niet. Sinds internet heeft elk goed verhaal, en elk goed idee, meer dan één tempo. En dus meer dan één vorm. Dat is lastig voor journalisten die vaak wel het verhaal zien dat ze willen schrijven, maar niet de ketting van publicaties voor web, mobiel, krant en magazine, of de doorlopende interactie met hun lezers.

20. Vergeet Burgerjournalisten. Dat is een foute benaming. De wereld valt niet in te delen in echte journalisten en amateurs. En de journalistiek verdient beter dan het gebekvecht tussen mainstream media en blogosphere. Journalistiek is niet wat iemand is qua baan, opleiding, inkomen of mediabedrijf, maar wat iemand doet; het verhaal dat hij of zij zojuist schreef. Niet meer, niet minder.

21. En Link Naar De Rest. De Amerikaanse mediadocent en blogger Jeff Jarvis roept kranten terecht op het model van het web te adopteren. Doe waar je goed in bent (tip 1: Vertel Betere Verhalen), en plaats links naar al het andere. Verwijs ruimhartig naar het nieuws van je concurrent, in plaats van er zelf ook nog eens achteraan te bellen. Haal verhalen van anderen naar binnen door ze te embedden. Ontsluit al het nieuws voor jouw doelgroep, ook als het van anderen komt.

21 Tips voor Plasterks Pers (De Tweede Zeven)

Nu minister Plasterk van Media heeft toegezegd dat hij 8 miljoen euro per jaar vrijmaakt voor vernieuwing van de pers, is de vraag: wat gaan dagbladen met dat geld doen? Anders gezegd: innovatie in de media – hoe werkt dat? Hierbij 21 adviezen voor de pers van Plasterk. Gisteren de eerste zeven, morgen de laatste zeven.

8. Doe Wat Google Doet. Heb duizend ideeën en houdt er tien over (liever dan tien ideeën doodvergaderen). Denk beta . Dat wil zeggen: zet een innovatie eerst in de markt en vraag je daarna af of dat slim was. Zoals Dan Gillmor zei: als je ook maar heel even hebt geaarzeld over het live brengen van de betaversie van een site, heb je te lang gewacht.

9. Vernieuw Nieuws. Vroeger was nieuws: alles wat in de krant stond. En de krant bracht all the news that’s fit to print. Een optelsom van hard nieuws, achtergrond, commentaar, column, uitslagen en aankondigingen. Nu staat elk verhaal op zichzelf. Het nieuws is uit elkaar gevallen. Zoals in een gefragmenteerde wereld niet langer de redactie maar de eenzame auteur het uithangbord is. We lezen straks geen kranten meer, of nieuws, maar schrijvers en hun posts. (Lees Meg Hourihan over de typische vorm van internetposts).

10. Integreer De Redactie. Of doe het niet. Voeg de internetredactie samen met de rest als de tijd rijp is. Maar zet de nerds in een garage met een voetbalspel als dat nodig is. En haal ze terug als de redactie erom vraagt. Et cetera. Ad infinitum.

11. Train. Dagbladredacties zijn gemiddeld ruim boven de veertig. Journalisten zijn in doorsnee niet opgegroeid met internet zoals de Google-generatie van 35min. Sterker: veel journalisten hebben een hekel aan het net omdat het hun bestaan bedreigt. Zonder training heeft al het andere – visie, de beste technologie, een geïntegreerde redactie – geen enkele zin.

12. Neem Je Verlies. Dat bestaande betaalde kranten nog tien jaar meegaan, maar dan uitsterven, moet worden geaccepteerd. Anders komen we niet verder.

13. Tel Je zegeningen. Alleen de verpakking van de journalistiek is stuk, niet het vak zelf, noch de democratie die de pers als waakhond nodig heeft. Zoals Wikipedia bewijst dat er nog steeds behoefte is aan encyclopedische informatie, ook al koopt niemand meer een encyclopedie in twintig delen.

14. Begin Bij Jezelf. Wat drijft innovatie? Persoonlijke frustratie, het technisch vermogen daar zelf iets aan te doen en voldoende geld van vroege investeerders. Zie Google, eBay, YouTube, Delicious en alle verhalen in het boek van Huib Stam. De beste ideeën zijn geen spin-offs van versleten producten.