Het beste moet nog komen

Het beste moet nog komen

Je verhaal, zei een vriend terwijl we toegewijd bier dronken in een kroeg aan het Zuiderdiep… je verhaal, zei hij, wordt beter naar mate het slechter met je gaat. De vriend mocht dat zeggen. Half zo oud als ik en even ziek, maar niet kapot te krijgen. Zo’n jongen die juist nog eens gas geeft als het ravijn dichterbij komt.

Het was een avond, weet ik nog, in de herfst, waarop we onze angst met vaasjes tegelijk én enkele ferme bekentenissen probeerden weg te spoelen – mannen doen dat, vrouwen niet, die weten alles al van elkaar. Mannen bekennen, maken daar een lifetime event van, en zijn meteen vergeten wat ze dwars zat.

Laatst viel ik languit voorover. Toen schoten me de kroeg en die boutade te binnen. Het was de eerste keer, dat vallen. Het stelde weinig voor. Geen groots moment. Eerder onnozel en onbeholpen. In het donker van ons grindpad bleef ik haken achter een winterharde bodembedekker.

Het zal tijd worden, dacht ik nog. Al een tijdje ging het veel te goed.

Afstappen

Kort daarna viel ik gedenkwaardiger, met fiets en al. Heel traag viel ik, sloom zelfs, en niet ongrappig ook, al was er niemand bij die dat zou kunnen beamen. Het was een val om niet te vergeten, een vallen waarbij je nog kon nadenken – het was alsof vallen langer duurt als het iets moet markeren, net als verliefdheid.

De dames die me voor de ingang van de Jumbo overeind hielpen toen ik kort daarna opnieuw tegen het plaveisel was gegaan, maakten het af. Ik zag ze schrikken, ze schrokken meer dan ik, maar ik weet dan ook al jaren dat ik ooit zal vallen.

Het was raar. Man komt aanfietsen. Remt. Zet zijn rechterbeen op de grond. En valt opzij, zomaar, alsof dat been er even niet was.

Je bent pas echt ziek, weet ik, als anderen het zien: het eeuwige schudden van mijn kop laat geen ruimte voor twijfel. En je bent pas invalide als anderen je overeind moeten helpen, en je dat zonder mankeren toelaat. De schaamte duurt een dag. Dan kies je eieren voor je geld, juist omdat er niets te kiezen valt.

Rollend

Sinds een week beweeg ik mij per rollator en trein door het land. Van de kramp in mijn spieren – dat heet dystonie – kon ik geen honderd meter lopen, maar met dat ding haal ik het station. Al rollend kon ik vorige week naar de presentatie van Eden, de nieuwe roman van Marcel Moring, bij Donner in Rotterdam.

Nog steeds ga ik ervan uit dat ik in mei weer tennis. Ik reken op geluk, niet anders dan een gokverslaafde of een gelovige. Het komt altijd weer goed. En voor het geval dat de neuroloog het ook niet meer weet, blader ik door driekleurengidsen vol verende scootmobiels, zoek ik naar een lichtgewicht rollator die je met één hand kunt opvouwen, en koop ik een looprek dat de kramp opvangt als ik ’s nachts moet plassen.

Als ik door het centrum van Rotterdam schuifel, zie ik het idioot theatrale van de onderneming ook wel in. Waarom toch dat geworstel? Hoezo word je er ook beter van?

Toch hou ik er iets aan over, maar als ik het benoem – kalmte, rust, aanvaarding – is het weg. Behalve het verhaal.

Mijn vriend had gelijk. Het beste moet nog komen.

Pas op de plaats

Het is alsof de duvel met me speelt. Vorige maand kochten we een nieuw huis. Wat kleiner en minder bewerkelijk; dat werd zachtjesaan tijd. En een week terug bespraken we praktisch en opportunistisch hoe die woning zich aan mij moest aanpassen. Drempelloos, rolstoelvriendelijk, levensloopbestendig – woorden uit een zorgfolder of verzekeringspolis, taal ‘voor later’.

Ineens is dat later nu. Tijdens een weekje op ‘Schier’, eind juli: nog niks aan de hand. Fietsen, lopen, sjouwen – geen centje pijn. Terug thuis een paar uur groen gesnoeid in de tuin en nog een potje getennist – al was het maar om te laten zien dat dat nog steeds ging.

Tegen vrienden zei ik dat de parkinson bij mij geen haast leek te maken. Pas op de plaats. De symptomen waren minder heftig dan een jaar geleden, toen ik doorlopend pijn had, aldoor moe was, en minder opgewekt dan ik wilde.

De laatste maanden kwijl ik minder, struikel ik niet, kan ik meer aan, en komt het uithoudingsvermogen terug dat ik kwijt was geraakt aan een haperend hart.

En toen, na die week op Schier, werd alles weer eens anders. Sinds een dag of drie houd ik me ’s ochtends met beide handen vast aan elke deurpost, leun ik op elk kastje om niet onderuit te gaan, is mijn lopen minder dan strompelen, en vraag ik me af waar die stekende pijn vandaan komt, de kramp van stuitje tot hamstrings en verder van kuiten tot voetzool. Dit is niet leuk meer.

De scherpste randen van die pijn verdwijnen als ik mijn medicijnen slik (levodopa, selegiline en requip). Een half uur later – denk ik, ik zou het moeten klokken – loop ik niet meer als een man met twee gebroken benen. Nog een uur later wandel ik alsof er niets nieuws aan de hand is en als ik me verder gedeisd houd, kan ik zelfs even tennissen.

 

Ik ben beter dan ik was

Met B. stond ik bovenaan het trapje met de glanzende aluminium treden naar het buitenterras van Boven Jan. Met drie andere collega’s hadden we gegeten en gelachen en een beetje geroddeld – en vooral ook gedronken. Het was zo’n avond met B., een avond met veel bier. Hij ging mij voor. Onderaan de trap stonden een man en een vrouw. Zeven treden, schat ik.

Lees verder

Twee? Da’s niks. Ik heb er al acht.

 

Mannen praten erover alsof het veroveringen zijn. Scalpen aan hun riem. Krassen in de kolf van hun geweer. ‘Ik heb er nu twee,’ hoorde ik een nog jonge man enigszins bedremmeld zeggen tegen een omvangrijke Oost-Groninger die het allemaal al een keer of wat had gezien.

‘Tien,’ zei hij – en liet toen een stilte vallen waarin de jongere man met open mond diende te luisteren.

Lees verder

Tijd voor een antwoord

Tijd voor een antwoord

Op een zondagavond vraag ik Sandra of ze bij me komt zitten onder de appelboom. ‘Ik wil met je naar de zwaluwen kijken,’ zeg ik. Mijn lief begrijpt wat ik bedoel. We moeten het er maar eens over hebben.

Vier jaar eerder tuurden we ook uren naar dat gewemel. We namen er de tijd voor, vreemd opgelucht omdat ik eindelijk wist waarom ik zo slofte, soms struikelde over niets en aldoor zo allemachtig moe was.

Lees verder

Falend hart

Het hart zit links van de draaideur, voor het hoofd moet je naar rechts. En dan twee trappen op – daar ergens zit de ziel, denk ik telkens als ik in het Groningse ziekenhuis moet zijn. Ik ken die poli langzaamaan, de balie, de witte jassen, de zwarte koffie, de zachte chaos. De hartpoli ken ik niet, die is verontrustend nieuw.

Lees verder

Hoe gaat het nou met me (1)

Hoe gáát het nou met je? Dat moeten ze mij niet vragen.

Niet dat ik de vraag vervelend vind. Ze bedoelen het goed. En ik vertel graag hoe het me vergaat. Maar ik ben niet de beste bron. Voor een betrouwbaar oordeel over mij moet je niet bij mij zijn.

Ik wéét niet hoe het met mij gaat. Ik vergis me in mijn afbladderen. Zoals een middenstander in een afbraakwijk zich verkijkt op zijn kansen de crisis te overleven; hij schat zijn omzet te hoog en zijn failliet verder weg dan de feiten billijken.

Lees verder