De waarheid in het werk van Mak, Luyendijk, Talese en dat van mij

De legendarische journalist Gay Talese neemt nooit een interview op, omdat hij niet wil dat de opname in tegenspraak is met wat Talese beschouwt als een betere quote? Hoe waar is journalistiek? Wat is fictie in de non-fictie van auteurs als Geert Mak, Joris Luyendijk – en in mijn eigen Pistoolvinger?

In de chaotische keuken van het convent met de pauwen, ergens onder de rook van Reims, zaten we aan een diner van kip met pruimen. Dertien mannen en vrouwen. Gesprekken zoals gesprekken gaan in een klooster dat een kunstenaarskolonie werd. We proefden de hele tenen knoflook in de ovenschotel en namen het leven, de kunst en de wereld door, totdat ik aan de Oostenrijker naast me vroeg hoe hij zijn dag precies had doorgebracht.

Niets zo goed voor een gesprek als een open vraag.

Zonder dat ik het in de gaten had, deed ik wat journalisten doen: feiten moest ik hebben, handeling, scènes. Misschien was het, vooruit maar, enigszins opdringerig.

Na het relaas van de Oostenrijker, die blij leek zijn hele verhaal te kunnen vertellen, stelde ik dezelfde vraag aan de vrouw tegenover mij, en aan de schilder naast haar. De andere gesprekken vielen stil toen mijn vraag als een fles rode wijn de tafel rond ging. Totdat ik aankwam bij een gedistingeerde Britse fotografe die eerder al een korzelige indruk op me had gemaakt. Ze vond mijn vraag impertinent, stond op, en beende weg.

Háár dag zou ik niet krijgen. Wel iets beters.

Het rechte pad
Al zowat mijn halve leven schrijf ik over feit en fictie, schijn en werkelijkheid – en niet in de laatste plaats over Wahrheit&Dichtung in mijn vak, de journalistiek. Feiten zijn heilig, en wie ook maar een laarslengte van het rechte pad afwijkt belandt op een slippery slope. De leer van de preciezen zegt dat net voorbij de controleerbare waarheid het vagevuur van de fictie begint, waar de dikke duim heerst, bedrog en gerommel. ‘Ga toch een romannetje schrijven,’ sputteren puristen.

Al zowat mijn halve leven schrijf ik over feit en fictie, schijn en werkelijkheid

Ooit vroeg ik Martin van Amerongen ernaar, de legendarische journalist die zou hebben gezegd dat je een goed verhaal niet stuk moet checken. Dat citaat was hem ook maar in de mond gelegd, begon hij, waarna hij nog een sigaar in de hens stak, en pastoraal glimlachend – ‘Heb je een zonde begaan, mijn zoon?’ – opmerkte dat een snufje verdichting geoorloofd was. Als Geert Mak de bakker in Jorwerd typeert maar voor die schets de bakker uit Ferwerd ‘leent’, is dat niet meer dan een vergeeflijke pekelzonde, zei Van Amerongen, die overigens al aan keelkanker overleden was toen Mak zei dat de bakker uit Jorwerd toch echt de bakker uit Jorwerd was.

Wanneer wordt dat snufje van Martin van Amerongen een snuif, het trekje een overdosis?

Op straffe van vergetelheid
Toen internet de journalistiek kort na de eeuwwisseling begon te pijnigen, beweerde ik in boeken als PopUp en Mediamores dat de journalistiek de opmars van de digitale cultuur niet mocht negeren, op straffe van vergetelheid, ook niet als die cultuur een andere, neo-postmoderne kijk op feit en fictie met zich meebracht. Het wemelde ineens van de complotdenkers volgens wie de krant in het beste geval een versie van de werkelijkheid bracht, en in het slechtste louter rabiate verzinsels. Leer er maar mee leven, collega’s, schreef ik, en hou je aan de feiten, want als je meegaat in het anything goes van de Google-generatie is het eind zoek.

Waren feiten dan niet heilig? Ze zijn het nooit geweest.

Ik verdedigde de journalistiek maar zocht, steeds rekkelijker, verlossing bij het verhaal. Vertel betere verhalen, bad ik, als een weifelende prediker. En vertel ze beter, voegde ik eraan toe – de duivel uitdrijvend met Beëlzebub. Ik vond en vind nog steeds dat journalistiek die leunt op literaire technieken – scènes, dialoog, plot, innerlijke monoloog – tenminste een kans heeft gelezen te worden, meer dan de gortdroge wie-wat-waar-wanneer-reportages van de vorige eeuw.

Waren feiten dan niet heilig?

Ze zijn het nooit geweest. Elke journalist kiest voor elk verhaal een selectie uit de werkelijkheid – daar begint het gedonder al. Hij schikt en herschikt, verplaatst quotes en past aldus de chronologie aan – en citeert overigens nooit echt wat er werd gezegd: we zijn in Nederland gewoon aan geïnterviewden die in weelderige volzinnen spreken, nooit – uh, uh… – stamelen, en bijkans even welbespraakt zijn als de minister-president, ook als ze de lagere school niet hebben afgemaakt omdat ze profvoetballer moesten worden.

Twee tenen dieper
Waarom zou literaire non-fictie niet twee tenen dieper te water mogen gaan? ‘Het is een illusie te denken dat “waargebeurde verhalen” iets anders vertellen dan de waarheid van de auteur,’ zei Lieve Joris al. Haar mede-Vlaming Rudi Rotthier ziet er geen been in citaatjes van geïnterviewden in de mond te leggen van een verzonnen personage. De legendarische Amerikaanse journalist Gay Talese, mijn held, de auteur van fenomenale boeken als The Kingdom and The Power (een zinderend portret van The New York Times in de jaren zestig), hield zich naar eigen zeggen strikt aan de feiten maar nam nooit een gesprek op, omdat ‘I don’t want the taperecorder to contradict what I think is potentially a better quote’ (interview met The Guardian).

Onze eigen Joris Luyendijk, auteur van het best verkochte non-fictieboek van vorig jaar, deed in Een goede man slaat soms zijn vrouw hetzelfde; hij wil de waarheid best ‘een beetje geweld aan doen’ als hij daarmee de hogere waarheid dient. En Geert Mak? De godfather van het genre in de Lage Landen? Mak vindt de werkelijkheid spannend genoeg. Je moet je, zei hij, nu eenmaal aan de feiten houden, want we hebben een afspraak met de lezer dat het allemaal waargebeurd is, ‘althans, het komt in de buurt’.

In de buurt? Zoals het vagevuur in de buurt van de hemel ligt?

Wie deze doos van Pandora opent, is als schrijver van literaire non-fictie meteen suspect. In mijn boek Pistoolvinger – het autobiografische verhaal van een man die aan parkinson lijdt en zich afvraagt hoe ver hij wil aftakelen voordat hij uit het leven stapt – is het verschil tussen echt en onecht een belangrijke verhaallijn. Dat krijg je als je plotseling moet nadenken over leven&dood en jouw kolderieke vergeetachtigheid trekjes krijgt van een aangekondigde dementie. Ik kan slecht tegen het onuitstaanbare verdwijnen van alles, en vergeten is een onhebbelijkheid waarmee het leven ons waarschuwt voor ons eigen verdwijnen.

Een non-fictie roman
Pistoolvinger is geclassificeerd als ‘literaire non-fictie’. Omdat de boekhandel geen kast voor dat genre heeft ingeruimd, ligt mijn boek naast Oliver Sachs, want die schrijft ook over de dwaalwegen van ons brein. Goed gezelschap, daar niet van, maar wel op een schap achterin – daar waar boeken vergeten worden voordat ze ontdekt zijn. Ik noem Pistoolvinger nu een non-fictie roman, want dat is het ten minste óók.

Met dat romanetiket hoop ik vragen over het waarheidsgehalte te vermijden. Hoe echt is mijn boek? Hoe waar kan het zijn als ik mijzelf portretteer als een man wiens hersenen aan het fabuleren slaan? Pistoolvinger gaat natuurlijk louter over mijn waarheid, want het zijn mijn herinneringen, en het is mijn vergeten. Dat ik sommige scènes uit mijn jeugd zo gedetailleerd kan terughalen – wat critici achterdochtig maakte – is minder vreemd dan het lijkt. Ik kon terugvallen op dagboeken en oude aanzetten voor verhalen, en overigens op het geheugen van vrienden en familie.

Waar ik de euvele moed vandaan had gehaald… asshole.

Ten slotte heeft Geert Mak gelijk waar hij stelt dat de beste verhalen in de werkelijkheid te halen zijn. Het slot van het hoofdstuk over dat klooster bij Reims speelde zich de ochtend na de kip met pruimen werkelijk zo af. Toen ik in de keuken koffie zette, kwam de Britse fotografe binnen. Waar ik de euvele moed vandaan had gehaald… asshole. Ik ging naar mijn kamer en pakte mijn koffer toen ze in de deuropening verscheen. Sorry, zei ze. Ik hoefde niet te vertrekken.

Dat hoefde ik wel. Een les rijker. En in het louterende besef dat ik ook de plot voor het hoofdstuk aangereikt kreeg. Pijnlijk was het, maar wel een goed verhaal.

Is Pistoolvinger een journalistiek boek? Ik denk het niet: hele delen zijn het resultaat van journalistiek feiten verzamelen, maar de autobiografische elementen zijn niet-controleerbaar. Ik kan mij niet eens de naam van de Britse vrouw herinneren, noch of ik haar naam ooit kende. Maar wie haar gaat zoeken bij Reims zal haar vinden, en ze zal bevestigen dat onze dialogen woord voor woord zo uitgesproken zijn.

Is mijn boek non-fictie?

Meer wel dan niet. Veel meer zelfs, al mag de lezer mijn geheugen niet vertrouwen en heb ik hier en daar de chronologie naar mijn hand gezet.

Is het een roman?

Niet minder dan zoveel andere romans die zwaar leunen op een autobiografie maar met literaire middelen – inderdaad: scènes, dialoog, innerlijke monoloog, dramatische karakters in doorlopende verhaallijnen, en verdomd: een spanningsboog – een hogere waarheid dan de strikt particuliere proberen op te roepen.

Is het dé waarheid?

Hooguit de mijne.