Ergens moet God op een ladder staan

Met Sam Drukker in Antwerpen bij de opening van zijn expositie
Met Sam Drukker in Antwerpen bij de opening van zijn expositie

Als hij tekent, doopt Sam Drukker een luciferhoutje in gitzwarte inkt – en kijkt, en kijkt, en kijkt. Zijn ogen schieten heen en weer van het papier dat voor hem op de grond ligt naar het gezicht van de hoogbejaarde man die tegenover hem zit, naar zijn kraalogen en borstelige wenkbrauwen, naar de donkere rand van zijn bril, naar de adamsappel, naar een veeg schaduw in zijn hals – en terug naar het witte vel papier.

Het is doodstil in de kamer als Sam schetst. Hij praat niet.

Ergens moet God op een ladder staan is een bewerking van een hoofdstuk uit Pistoolvinger. Voor de omslag van dat boek maakte Sam Drukker de tekening van de auteur.

Sam is een kleine, tengere vijftiger met diepliggende ogen en grijzend, springerig haar. Aan zijn rechterhand draagt hij een duimring. Hij schetst met links. Daarbij zit hij het liefst op zijn hurken. Oncomfortabel. Dat moet, vindt hij.

Als zijn linkerhand de lucifer omhoog brengt, begint in zijn denken de vlek al uit te lopen.

Hij kijkt naar de oude man. Waar zit het zwart? Daar mag die klodder. Maar dan moet het wel nu. Voordat Sam de eerste lijn getrokken heeft, van ergens net boven het midden naar opzij, een kras die al opdroogt voordat hij goed en wel is aangezet, is het hele verhaal verteld.

Als het goed gaat.

Wanneer het mis is gegaan, begint Sam Drukker opnieuw.

Hij lijkt niets te horen. Er is alleen dat laaiende kijken.

Nieuw papier. Op zijn hurken. Kijken. Blik omlaag. Kijken. Waar is het donker? Daar beginnen. Zijn hand boven het potje Oost-Indische inkt. Stokje. Oogopslag.

Kijken. En al weten waar het gezicht van de oude man een beetje bolt, waar de schaduw valt onder zijn kin, de donkere ogen glimmen, de gerimpelde glimlach begint, de bretellen spannen.

Hij maakt het zich lastig, zoekt de weerstand. Na dertig jaar weet hij alles van kleur en toon, van ritme en lichtval, van scherpe en zachte lijnen, van koud en warm, van de inkt en het papier en die vlek. En telkens wil hij daar weer aan ontsnappen. Weg van de beheersing. Van toeval moet hij het hebben, van agressie, van zijn eigen voortdurende en mateloze stuiterigheid.

Daarom dus die lucifer. Want die kleine, aangepunte lucifer – het mag ook een satéstokje zijn – is net zo geschikt voor een schets als een prelude van Bach voor een brandalarm.

Ook als Sam Drukker in olieverf werkt, spant hij nooit een gewoon doek op een raam. Liever gebruikt hij een oud stuk hout dat hij gevonden heeft, al schooierend in een steeg in Barcelona, in de buurt van zijn Spaanse atelier, of in de schaduw van een afvalcontainer in Amsterdam, een plank met barsten, knoesten en haken, een stuk zeildoek met reefgaten en een herstellap, een uitgewoond tafelblad, een knalblauw stuk van een oude zonwering, een vertederend rond paneel dat al gelééfd heeft, en toen verlaten is.

Tekenen moet stroef bij hem. Als tekenen een pijngrens heeft, moet het dáár tegenaan. Amok maken met een stokje. Een kroontjespen is hem te gezeglijk. Die lucifer is eigenzinnig. Die lucifer wil niet. Het houtje haalt in een druppel inkt de grillen naar boven.

Het moet daarom in één keer goed. De oude man in zijn stoel. Zijn ronde gezicht. Haar zo dun dat het bijna verdwijnt. Iets van schaduw boven het boord van zijn overhemd – daar zat het zwart. De man houdt zijn handen gevouwen, alsof hij ergens op wacht. Op papier worden die handen enkele achteloze, bijna kinderlijke lijnen.

De glanzend zwarte vlek breidt zich uit tot een portret als Sam Drukker in één beslissend moment kan doorgronden wie die Joodse man is, hoe hij uit de oorlog kwam, en wie er allemaal verdwenen zijn.

Niet eerder heeft hij zo intens zijn eigen verleden aangekeken.

|||

Op een dag heb ik een afspraak met een vriend die ik ten minste al een jaar niet heb gesproken. Als hij het café binnenkomt zie ik hem eerder dan hij mij. Hij aarzelt in de deuropening. Aan de bar, recht tegenover de ingang, zit een man van mijn postuur op een kruk waartegen twee krukken leunen. Mijn vriend wil hem al joviaal op de schouder slaan als hij mij iets verderop ziet zitten.

‘Ik dacht dat jij dat was,’ bekent hij als hij aanschuift.

‘Ik loop nog,’ zeg ik. Het moet cynisch klinken, maar lijkt meer op een verontschuldiging.

Hij vraagt hoe het met me gaat. Dat doen ze allemaal. Als herboren, wil ik soms zeggen. Niets aan de hand.

Ik zeg dat nooit. Het gaat nooit stukken beter. En ook nooit stukken minder. Gestaag bergaf, antwoord ik meestal.

‘Maar hóe gaat het dan?’

‘Stel je voor,’ zeg ik.

En ik vertel dat ik soms de pagina’s van de krant niet kan omslaan. Dat ik kwijl als ik sta te plassen. Dat mijn handschrift wegkwijnt tot gekrabbel. En dat ik de geur niet meer herken van een vrouwenhals.

‘Mijn god,’ zegt hij – zonder duidelijk te maken wat hem het meest verontrust; die vrouwenhals, vermoed ik.

‘En ik struikel soms. Over een stoeprand. Over mijn woorden. Over de letters op mijn toetsenbord. Op elke trap hou ik mij vast. Maar het komt ook wel eens voor dat ik níet tegen een deurpost aan loop.’

Mijn vriend glimlacht als een boer met kiespijn.

‘Als ik ’s avonds op de bank tv kijk, schommelt mijn hoofd als de kop van zo’n mechanisch hondje op de hoedenplank. Als ik mij scheer, met rechts, wappert mijn linkerhand door het spiegelbeeld, alsof hij er niet bij hoort. Eerst stond de wijsvinger van die hand gedurig omhoog – een pistoolvinger noemen ze dat. Toen ging hij op en neer bewegen. Nu tikt die vinger nog door als ik allang geen woorden meer heb.’

Een serveerster brengt ons de twee glazen witte wijn die mijn vriend heeft besteld. ‘Ga door,’ zegt hij. ‘Je verhaal wordt beter naarmate het slechter met je gaat.’

‘Je verhaal wordt beter naarmate het slechter met je gaat.’

Met mijn onwillige linkerhand probeer ik het glas te pakken. ‘Ik laat alles vallen,’ zeg ik. ‘Een soepkom. Twee glazen. Tot driemaal toe brak op de tegels van mijn achtertuin het scherm van mijn telefoon. Als het echt niet wil, spreek ik die hand bemoedigend toe. Toe maar. Pak dan. Pak glas. Het lukt als de dorst heviger is dan het spasme – wat goddank nog steeds zo is.’

Mijn vriend kan zich er niets bij voorstellen.

‘Dingen gaan stuk,’ zeg ik, ‘net als mensen.’

|||

In de winter van 2014 belt Sam mij op. Een Zwitserse vastgoedmiljonair wil zijn schilderijen en tekeningen tentoonstellen. Veel schilderijen. Absurd veel. In een privémuseum. In Roggwil.

‘Wáár?’ breng ik uit.

‘Roggwil. Een gat dat niemand kent. Tussen Bazel en Bern. In the middle of nowhere.’

‘Hoe kom je dáár nou aan?’

Dat is een lang verhaal, begint Sam.

Hij had nog nooit van die Zwitser gehoord. Of van het museum. Of van Roggwil. De miljonair was vermogend genoeg om berglandschappen te verzamelen zoals een ander dinky toys, postzegels uit het interbellum, of Bentleys. In het vliegtuig naar een kunstveiling in Londen had een bevriende bankier hem een boek met portretten laten zien. De miljonair viel voor Sams werk. Ze wilden hem exposeren in Zwitserland.

Sam Drukker
Sam Drukker

Sam was er maandenlang mee bezig geweest, maar telkens leken de Zwitsers niet te kunnen beslissen. Te mooi om waar te zijn, dacht hij al. Het duurde en duurde, en het duurde nog wat langer. Sam had de expositie al uit zijn hoofd gezet toen ze ten slotte toch naar zijn atelier waren gekomen, de miljonair, zijn bankier en de directeur van het museum, een vrouw die Eva heette.

‘Bizar,’ zeg ik.

 

Sam proeft mijn scepsis. En begrijpt die wel. Maar bij dat atelierbezoek was de Zwitser meteen tot zaken gekomen. Als een kind in een snoepwinkel had hij tien schilderijen uitgezocht. Dat kleine daar. En die, die auch, die vrouwen in de regen onder paraplu’s.

Sam voelde zich ongemakkelijk. ‘Maar hoe wantrouwig kun je nog zijn,’ vraagt hij, ‘als het geld binnen een paar dagen op je rekening staat?’

Glimlachend doet hij open als ik op een ochtend heb aangebeld bij de brandweerrode deur van zijn atelier. Door een lange betegelde gang gaat Sam mij voor, en dan rechtsaf, een ongeverfde trap op.

‘Als je nog naar het toilet moet… dat zit alleen hier beneden,’ waarschuwt hij, net als bij mijn eerdere bezoeken.

Nog een trap, en nog één. Na vier trappen gaan we een zware deur door naar zijn atelier, langs stellages met schilderijen en langs de ramen van zijn kantoor – daar bewaart hij zijn boeken en pruttelt koffie naast de gootsteen. In zijn werkruimte tel ik vijf ezels waaraan hij simultaan lijkt te werken. Langs de ene wand tientallen schilderijen. Portretten van danseressen in hoepelrokken. Donkere boksers. Een torenhoog doek van een grijsaard op een ladder tegen een vlammend rood vlak; toen het voltooid was, had Sam zijn assistente gebeld: ‘Ik geloof dat ik God geschilderd heb.’

Langs de muur tegenover de grijsaard een stellingkast. Gedateerde geluidsinstallatie, rijen cd’s van Bach tot Miles Davis. Laatjes met potloden en penselen. Aan de muur een houten tennisracket. Bij het raam aan de straatkant een wit geverfd orgeltje. Op de grond ligt een schets in Oost-Indische inkt.

‘Herken je hem?’ vraagt Sam.

Ik vermoed dat hij de schets daar voor mij heeft laten liggen.

Mwah. Bekende, karakteristieke, wat boerse kop. Maar van wie ook alweer?

Sam noemt de naam van een schrijver.

‘Ach ja. Natuurlijk.’

Ik herinner mij ons gesprek over die lucifers. Hij heeft het van zijn oom Flip, heeft Sam verteld. Flip is de broer van zijn vader. Een fantastische tekenaar die maar vijf tentoonstellingen had. Die altijd zei dat zijn werk nog niet af was. Een moeilijke, getraumatiseerde man die tekende met een luciferhoutje.

Een moeilijke, getraumatiseerde man die tekende met een luciferhoutje.

Dat ongemakkelijke tekenen, op zijn hurken tot het zeer gaat doen, tot het schrijnt in zijn botten, herinnert mij eraan dat ik ooit begreep dat er betekenis school in dat schrijnen. Ik was half zo oud als nu. Door mijn lief van toen verlaten dronk ik mij drie maanden lam. Dag na dag kwam ik ver na sluitingstijd wankelend uit de kroeg, meer kruipend dan lopend; de barman bleef barmhartig schenken zolang ik bleef janken. Elke dag sliep ik een gat in de ochtend. Pas in de loop van de middag dook ik op, kroop op de redactie achter mijn Olivetti schrijfmachine, grauw en ongeschoren, walmend uit al mijn huidplooien, onaanspreekbaar, bang van de telefoon, tot geen zin in staat.

Tegen het eind van dat jaar was ik nog enkele glazen verwijderd van een mild delirium. Ik stopte met drinken. Het leed moest maar geleden zijn.

Ik denk dat ik toen moet hebben besloten dat het van waarde was geweest. Dat het leven alleen schitterend zou zijn als je ook de smaak wilde proeven van verval. Wie het onderste uit de kan wil, moet ook kopje onder kunnen gaan. Lijden is de prijs van de euforie, verlaten worden de tol van de liefde, de waanzin van een writer’s block het wisselgeld voor een goed verhaal.

Nooit ben ik meer zo evangelisch lam geweest. Ik had die maanden niet willen missen. De schoonheid van het verval. Zoals een schilder zoekt naar een gebutst paneel en een stokje met inkt.

|||

Begin juli ga ik naar Zwitserland om Sam te zien. Zijn boksers, zijn halfnaakte vrouwen onder paraplu’s, zijn Ophelia, zijn vrouw met de zeis, zijn zelfportretten – Sam in zijn blote kont achter een schildersezel, een beetje de schlemiel die alles ziet. Ook wil ik weer naar een doek kijken dat hij ‘Vier vrouwen’ heeft genoemd: zijn portret van vier vriendinnen die ooit los van elkaar bij hem model hebben gestaan. Sam heeft ze op een manshoog, vierkant doek samengebracht, tegen een donkerrode achtergrond, net zo naakt als toen, maar ouder, een van hen wat timide en niettemin op pumps, de andere drie aards en zelfbewust – vier vrouwen met brede heupen en hangende borsten.

Vier vrouwen
Vier vrouwen

‘Op de grens van schoonheid en aftakeling,’ heeft Sam gezegd.

Nee, dacht ik. De schoonheid ván de aftakeling, dat moet het zijn.

 

Kaltenherberg is een gehucht bij Roggwil, een gat in een gat. Van mijn hotel in het nabijgelegen plaatsje loop ik in een klein uur naar de oude straatweg. Hier heeft een roemrucht restaurant gestaan. Nadat het een jaar of tien terug tot op het laatste gebinte was afgebrand, kocht een vastgoedondernemer uit de streek de verkoolde ruïne. Hij moest beloven op de as een nieuw restaurant te openen. Het moderne, uit glas en beton opgetrokken pand bleek volmaakt ongeschikt als Gastrotempel. Het had een andere roeping. De miljonair bracht er zijn kunstverzameling onder, enkele honderden berglandschappen.

En nu, het is de donderdag vóór de vernissage op vrijdag, sjok ik achter Sam aan. Van dat slenteren kraakt mijn lijf, maar Sams gescharrel fascineert me. Hij kijkt en kijkt, hij loopt van zaal naar zaal, van gang naar balkon, van kabinet naar kelder, om meer dan honderd van zijn schilderijen en tekeningen op te hangen. Juiste hoogte. Zichtlijnen. Samenhang. Waar de boksers. Daar Ophelia.

Zichtlijnen. Samenhang. Waar de boksers. Daar Ophelia.

Ergens moet God op een ladder staan.

In het souterrain schuift hij liefdevol aan tien portretten. Het ontroert me, dat passen en meten, net als de portretten zelf. Ik ken hun verhaal, Sam heeft het mij een jaar eerder verteld. We zaten in zijn atelier, hij op een keukenstoel, ik in de enige luie, afgeleefde fauteuil. We spraken over het luciferhoutje en de inkt en het Engelse landschap, maar mijn blik trok steeds naar een portret van een oude man, geschilderd op een klein, rond stuk multiplex waarop een timmerman het getal ‘32’ had achtergelaten. Dat getal stond ondersteboven.

Een oude Joodse man, zei Sam – hij wilde er liever niet over praten.

Dat deed hij uiteindelijk toch.

Die oude man, zei hij, was het begin van een project dat Minje zou heten. Het moesten er tien worden, omdat tien mannen die hun bar mitswa hebben gedaan volgens de Joodse wetten ‘een gemeenschap’ vormen. Minje in het Jiddisj. Of minjan in het Hebreeuws.

Sam Drukker, Minje. Atelier Hanzenstraat Amsterdam
Sam Drukker, Minje. Atelier Hanzenstraat Amsterdam

Tien volwassen mannen zijn nodig voor een gebedsdienst, bij een feestelijke viering of een rouwplechtigheid. Sam zocht tien mannen die destijds al oud genoeg waren om de oorlog bewust te hebben meegemaakt. Het zou zijn eerbetoon worden aan een generatie waarvan hij zich ineens had gerealiseerd dat die aan het verdwijnen was. Hij moest opschieten. Sommige van die mannen waren al honderd.

Met lood in de schoenen had hij ze bezocht, in een beetje chic verzorgingshuis of in een appartement. Soms spraken ze over de oorlog, soms niet. Sam keek en tekende. Een van de oude mannen, hij was arts geweest, telde Sams oogopslagen. Honderdveertig per minuut.

|||

Je gaat er niet dood aan,’ zeg ik tegen mijn vriend, als we een jaar voor het gesprek in dat café aan zijn keukentafel zitten.

‘Parkinson?’ vraagt hij. ‘Hoe kom je dáár nou aan?’

‘Domme pech,’ zeg ik.

‘Maar je hebt het onder controle…’

‘Zoiets. Zoiets.’

‘De medicijnen slaan aan?’

Honden slaan aan, denk ik, en hou mijn mond.

‘En wat is je prognose?’

‘Het loopt lullig af.’

‘Jij belandt in een rolstoel,’ erkent mijn vriend als we op de bodem van de tweede fles Bordeaux zijn aanbeland. ‘Maar als je weet dat dat nog dertig jaar kan duren – nou vooruit: twintig dan – moet je nu ophouden erover te tobben.’

‘Ik tob er niet over,’ probeer ik. ‘Ik wen aan de gedachte.’

Lodderig neemt hij mij op. Waarom blijf ik er zo in hangen, vraagt hij opnieuw, vanwaar die macabere fascinatie voor hersenen die uitdoven? Waarom schrijf ik over iets wat nog heel lang weg kan blijven? Waarom zo pessimistisch?

‘Ik ben geen pessimist,’ zeg ik. ‘Maar ik erger me aan de vreemde norm dat je tegenwoordig onder alle omstandigheden een hartgrondig optimist moet zijn.’

‘Dat kan toch geen kwaad?’ zegt hij.

‘Het kan wél kwaad. Optimisme is soms ronduit dom – als je redeloos hoopt op iets wat toch niet komt. Als optimisme kansloos is. Als het geen bal uitmaakt. Optimisme geneest geen kanker en laat je geen talentenjacht winnen als je hartverscheurend vals zingt.’

‘Je wordt er een prettiger mens van.’

‘Prettiger voor wie? Dat verplichte optimisme is pervers. Dat genezing mogelijk is als je er maar diep in gelooft… Soms kun je alleen verliezen, maar er lijkt een taboe te bestaan op pech, tegenslag en verval. En wie er toch over begint, verbreekt een code, prikt een illusie door.’

‘Alsof je het grote licht aandoet op een feestje,’ zegt hij, als hij opstaat om de lege wijnfles weg te zetten. Terug aan tafel kijkt hij me vermoeid aan.

‘Ik kan er niets aan veranderen,’ zeg ik. Net als aan de vreemde streken die mijn handschrift uithaalt, het kwijlen en struikelen en de plotselinge vergeetachtigheid. Daarom zoek ik de ironie in het haperen van mijn hersenen, de slapstick in het moment waarop ik in een deuropening op de tenen van een beeldschoon meisje ga staan – en dan zegt dat meisje nog sorry ook.’

Hij ziet de scène al voor zich.

‘Alles gaat stuk,’ zeg ik, ‘alles valt uit elkaar en takelt af, mijn wandelen wordt wankelen, mijn vergeten verdwijnen… ik vind het nog altijd fascinerend… die grens, de overgang… het is mooi zoals veroudering mooi is, craquelé, roest, een barst… en ik zoek die schoonheid, de schoonheid van het verval.’

|||

Om mijn hoofd weer helder te krijgen, wandel ik op vrijdagmiddag opnieuw naar Kaltenherberg. In de grote zaal pal naast mijn hotelkamer heeft een meute uitgelaten scholieren de afgelopen nacht een liederlijk eindexamenfeest gevierd. Bonkende house. Krijsende meiden – alsof ze in een achtbaan omlaag donderden. De catering kleeft aan de muren en het plafond, zei de hotelmanager vanochtend toen ik verhaal ging halen.

Het speet hem. Ook voor mij. Ik moest begrijpen dat ik de enige reguliere hotelgast was. Niemand had eraan gedacht mij te waarschuwen. Entschuldigung. Zou een fles van zijn allerbeste witte wijn iets kunnen goedmaken? Ik heb maar gezegd dat me dat een voortreffelijk zoenoffer leek.

Aan de rand van het plaatsje kom ik bij een tweesprong. Volg ik de rechte weg langs het spoor? Of kies ik voor het wandelpad? Ik neem de omweg. Aan het eind van de straat ga ik rechtsaf, licht omhoog, en dan naar links, langs golvende akkers en een brede, achter bomen en struiken weggedoken beek. Een rul zandpad, nog een splitsing, een spoor dat omlaag leidt, tot zich het uitzicht eindelijk opent, op heuvels, diepgroene bossen, het vermoeden van hogere bergen.

Dit is het landschap waar de vastgoedmiljonair zo dol op was toen hij zijn privémuseum opende. Toen ik een etmaal eerder lang genoeg had gekeken hoe Sam zijn werk over de zalen verdeelde, was ik op het zonnige terras gaan zitten. De eigenaar van het museum, even oud als Sam, even nonchalant in spijkerbroek, bood me een glas wijn aan.

Hij vertelde over zijn eerste schilderij. Een leven geleden, hij werkte pas kort als timmerman bij zijn eerste baas, had hij de bescheiden werkplaats overgenomen. Zijn patroon had hem na de overdracht van ‘die Schreinerei’ gewaarschuwd: twee keer per jaar zou een man in de werkplaats om lijsten komen vragen – en Zijn toorn, dacht ik meteen, zou hem treffen als hij het hart had de vreemdeling weg te sturen.

De man heette Ammann. Hij was schilder. En arm als een kerkrat.

De man heette Ammann. Hij was schilder. En arm als een kerkrat.

Ammann betaalde in bergen.

Toen de vastgoedmiljonair zijn museum opende bezat hij honderdzeventig schilderijen. Nu bewaart hij in zijn kelder in een wand met rolkasten een deel van zijn tweeduizend kunstwerken – ook Hollandse meesters, ook moderne kunst, ook abstracte schilderijen. Hij verkocht er veel van zijn vastgoed voor. Dat deed zowel zijn balans als zijn humeur goed.

‘Geld interesseert mij niet,’ zei hij. ‘Die doeken in de kelder leveren volgens mijn zakenvrienden geen rendement op, maar ze klagen ook niet.’

De opening gaat aan mij voorbij. Als Sam zijn verhaal doet, staand op de trap naar de eerste verdieping, moet ik mij aan de balustrade van de vide vasthouden. Staan wil niet meer, mijn been trekt, mijn scheve kop verdraagt niet langer het geknisper van beleefde anekdotes en het geklater van de waterval die van de lichtkoepel in het dak tot in de kelder loopt.

Ik wankel naar het souterrain. Beneden loop ik de zaal in met de tien Joodse mannen. Ik kijk ernaar en heel traag dringt tot me door dat ik voor deze portretten naar Roggwil ben gekomen.
Sams vader was Joods, zijn moeder niet. En dus was Sam volgens de Joodse wetten ook niet Joods. Zelfs niet een beetje, zelfs niet ‘half’. ‘We waren niet Joods, we waren niets,’ heeft hij gezegd.

Waarom die menora thuis in de woonkamer stond, hoorde hij als scholier van anderen. ‘En toen ik twaalf was, gingen mijn oudste zussen in Israël wonen. Mijn vader zat de hele dag aan de radio toen de Zesdaagse Oorlog uitbrak. Mij zei dat toen niets. Later wel. Later werd het groter, als een vrije val.’

Zijn vader zweeg, niet nors, niet boos, maar – stel ik mij voor, mijn gedachten bij de man die mijn vader was – wel wat afstandelijk. Met nauwelijks een woord sprak hij over de Tweede Wereldoorlog, die, zei Sam, ‘toch overal verborgen zat’ – in de boeken van zijn vader, in verhalen die te ‘naar’ waren om aan tafel te vertellen. Lang was Sam zich er nauwelijks van bewust dat het grootste deel van zijn vaders familie niet was teruggekomen. Toen hij dat wel begon te begrijpen, durfde hij er geen vragen over te stellen.

Sam Drukker, Minje. Atelier Hanzenstraat Amsterdam
Sam Drukker, Minje. Atelier Hanzenstraat Amsterdam

Nadat zijn vader was overleden, had Sam een tijdlang niet geschilderd. Toen hij terugkwam op zijn atelier, begon hij aan een zelfportret. Daarna duurde het nog eens vijftien jaar voordat hij Minje bedacht. Tien portretten van tien Joodse mannen. Ik keek ze aan, doek voor doek. Sam had niet tien keer zijn vader geschilderd, en toch ook wel. Hij had ‘de’ vader geportretteerd, de Joodse vader, en door dat tien keer te doen een gemeenschap vastgelegd.

Dat zelfportret, dacht ik, heeft er alles mee te maken. Het ontstond, net als het portret van de vier vrouwen, uit hetzelfde verlangen, dezelfde noodzaak, vast te leggen wat wegraakt, de nooit toereikende remedie tegen al dat onuitstaanbare verdwijnen. De zoon die zichzelf schildert, neemt de plaats in van een vader die er niet meer is. En in het eerbetoon aan een generatie Joodse mannen schuilt de vraag wie zijn vader was, hoe Sam zijn vader zag – de vraag, niet het antwoord.
Ik keek ze aan, doek na doek.