De vrije val van een denker (over Willem Jan Otten)

Willem Jan Otten bewonder ik als dichter, romancier en essayist. Ruim twintig jaar nadat hij me vertelde dat hij ‘zo Vaticaans als de neten’ was geworden, lees ik hem nog steeds verbijsterd. Hoe kun je het zo oneens zijn met een man die zo elegant denkt en zo mooi schrijft. Dit essay is een terzijde bij alles wat ik de afgelopen jaren schreef over euthanasie.

 

Het zal een dag in de late zomer van 1986 zijn geweest als Willem Jan Otten een haast niet te torsen kampeerkist naar de vliering tilt. Bijna is hij boven. Dan verstapt hij zich, en valt. Ongenadig hard komt hij neer op de hoek van de wasmachine, waarna ook nog eens die kampeerkist bovenop hem valt.

De schrijver breekt een aantal ribben, net boven zijn middenrif.

In het ziekenhuis staart hij drie dagen naar het plafond. Hij moet wel, verroert geen vin. Hij zou willen geeuwen, maar geeuwen doet zeer, net als denken, want van denken wordt hij onrustig, van denken versnelt zijn ademhaling, en ademen is pijnlijk.

Niet denken. Niet geeuwen.

Het zijn niettemin verhelderende dagen.

Tot zijn verbazing verdraagt Willem Jan Otten de pijn van die ribben slechter dan hij had verwacht. Veel slechter. Eigenlijk – en dat verrast hem nog het meest – wil hij nu wel dood. Het gaat over, dat weet hij wel. Maar als hij midden in de nacht wakker wordt omdat Sister Morphine uitgewerkt is (‘Oh, I don’t think I can wait that long/Oh, you see that I’m not that strong’ – Rolling Stones), eist hij klappertandend van de angst dat er een zuster naast zijn bed komt zitten.

Zo ligt hij daar in dat ziekenhuisbed drie dagen lang versteld te wezen van zijn eigen benarde kleinzerigheid. Die aanval van paniek ’s nachts kan de beste overkomen, maar om nou ook meteen te verlangen naar de dood… Willem Jan Otten ervaart het als ontluisterend.

Op de vijfde dag in het ziekenhuis kan hij rechtop zitten en krabbelt hij notities in zijn schriftje. Hij is er weer. Net als zijn bravoure, net als zijn zelfspot: ‘Wel schrijven, maar niet kunnen masturberen. Mijn toestand is nog altijd Victoriaans en omgekeerd aan mijn gewone doen.’

In een oud schrift leest hij dagboekaantekeningen van vóór zijn val. Wat hij daar schreef bevalt hem slecht. Was hij die man? Hij bladert door zijn ‘gewone doen’, het dagelijks leven van een gearriveerd schrijver en gerespecteerd denker, de al jong bekroonde dichter van ‘af en toe een vlaag’, een man zonder zorgen, zonder pijn of lijden. Willem Jan Otten ergert zich, hij ergert zich aan zijn bestaan, aan zijn comfortabele verveling.

In zijn essays kwam hij tussen de uitweidingen door geen stap verder, bekent hij later in Kroniek van mijn ribben, ‘bij gebrek aan hoofdzaak’. Het ging nergens over, nergens naartoe. Bij ontstentenis van iets dat er echt toe doet, werd alles bijzaak. En was de schrijver Willem Jan Otten zelf ook bijzaak geworden.

Na zeven dagen ziekenhuis – het kunnen er ook zes of acht zijn geweest, dat klinkt al wat minder bijbels – mag hij naar huis. Maar als hij verder zou gaan waar hij gebleven was, wacht hem slechts die gortdroge verveling.

Er moet meer zijn dan dorheid.

Dan leest hij de laatste zin van het dagboekfragment dat hij schreef vóór zijn val van die vliering. Een citaat van de negentiende-eeuwse filosoof Friedrich Nietzsche: ‘Wij zijn niet ons eigen werk.’

Vaticaans als de neten

Bijna niemand zag het aankomen. Willem Jan Otten, dat was toch die vrijzinnige intellectueel die met een elegant essay, Denken is een lust, uit de kast kwam als pornoliefhebber? Bijna niemand, en hij zelf allicht het minst, had gedacht dat uitgerekend Otten nog eens zou twijfelen aan de autonomie van zijn wil.

Toen de schrijver plotseling rabiaat-conservatieve ideeën verkondigde over zelfbeschikking, toen hij een gedachtegoed omarmde ‘zo Vaticaans als de neten’, sloeg dat mij met stomheid. Ik bewonderde Otten om zijn romans en nog meer om zijn gedichten. Hoe kon een schrijver die zulke elegante adjectieven bedacht toch zo volstrekt anders, zo onverdraaglijk bot denken over een kwestie als euthanasie?

… hoe kon de schrijver van zulke elegante adjectieven zo onverdraaglijk bot denken…

Ik wist nog niet dat Otten slechts de eerste was van een vreemde stoet denkers en schrijvers met wie ik mij ooit verwant had gevoeld. Wat er was gebeurd sinds hij van die vliering viel, drong pas tot mij door nadat Otten op Goede Vrijdag 1999 tijdens een kruiswegstatie in de rooms-katholieke kerk bij hem in de straat begon te geloven dat Jezus ‘met zijn zelfgezochte dood mijn zonden op zich heeft genomen’. Niet meer en niet minder.
Otten liet zich dopen.

Hij was bekeerd.

Ik kan me goed voorstellen dat een gelovige op een dag gaat geloven dat hij niet langer gelooft. Je hoeft Nietzsche niet te lezen om op het idee te komen dat God dood is – dat is een cliché. Evenmin is het nog nodig een half leven te worstelen met een diep religieus verlangen om te ontdekken dat de mens zich een God geschapen heeft, en niet andersom. Wat voor de theoloog en predikant Harrie Kuitert – hij was van dezelfde vooroorlogse generatie als mijn moeder en net zo gereformeerd – een verblindend inzicht was (‘Al het spreken over boven komt van beneden’), werd een generatie later een tegeltjeswijsheid.

Ook ben ik mij ervan bewust dat twijfel, in de wetenschap bijvoorbeeld, op den duur kan leiden tot zeker weten, of juist tot méér twijfel en opgeschort weten. Maar dat de aartsaarzelaar Otten al twijfelend ging geloven, vond ik raadselachtig.

Ik dacht: God kan kennelijk de beste overkomen.

Willem Jan Otten (1951) groeit op aan de Geulstraat in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Het gezin Otten is ‘een montessorinest, wat je noemt humanistisch’. Zijn beide ouders zijn musicus. Otten zal zich ‘de gewijdheid en heiligheid’ blijven herinneren van hun barokmuziek, maar kerkgangers zijn die ouders niet. Als de Matthäus-Passion hem raakt, heeft Bach iets ongehoords met noten gedaan – aan het ‘verhaal’ van dat stuk, over het lijden en sterven van Christus, kan het niet liggen.

Otten debuteert jong als dichter en schrijft een oeuvre bij elkaar van romans, toneelstukken, recensies, poëzie en essays, waaronder het controversiële Denken is een lust (1983). In dat schotschrift biecht Otten op dat hij zich – gehuwd, vader – ‘bedeed’ boven een uitdijende collectie pornografische afbeeldingen.

De lust die ontstaat uit het kijken naar lust begrijp ik wel, ongeacht of die opwinding nu geveinsd is, authentiek of een kwestie van per ejaculatie gehonoreerd vakmanschap. Zo obscuur is porno niet meer. Internet is ervan vergeven. Als Nietzsche een eeuw langer had geleefd, en niet zo seniel was geworden als hij zijn laatste jaren was, zou hij per aforisme ook de dood van porno hebben afgekondigd.

Nietzsche, God en porno.

Willem Jan Otten heeft de missing link beschreven. Zijn schaamte.

Als hij Denken is een lust schrijft, is porno nog een stiekeme zucht. Maar de angst betrapt te worden with his pants down blokkeert zijn lust niet, zoals je zou verwachten. Het wakkert die juist aan. Zijn opwinding ontstaat niet ondanks het taboe, maar juist dankzij die gêne. Doe over dat taboe – zegt Otten ongeveer – vooral niet relativerend. Het mag niet ‘normaal’ zijn, want begrip verlamt zijn begeerte. Was zijn schaamte niet weg met vertedering. Die vertedering is hem ‘de gewatteerde hel’.

Verdoezel niet zijn schaamte. Die bepaalt wie hij is, zijn schaamte is ‘het eigenste deel van zijn ervaring’, zij het ook het meest onwillekeurige deel van wie hij is. Hij heeft er geen grip op. Hij is niet vrij zich al dan niet te schamen, maar wil ook niet ‘de schaamte voorbij’ zijn zoals dat sinds de jaren zestig in zijn kringen schijnt te moeten. Hij wenst zich geen wereld waarin niets nog subversief is. In een samenleving zonder taboes wordt alles plat en ordinair en elke ervaring inwisselbaar – en verliest het bestaan zijn tragische kant.

De schrijver Willem Jan Otten heeft taboes nodig, en dus ook zijn schaamte.

Hij kan alleen vrij zijn als hij zich van iets kan bevrijden.

Niet zijn eigen werk

De winter van 1995. Bijna tien jaar na het porno-essay spreek ik Willem Jan Otten een avond lang over zijn romans en essays, én over het euthanasiedebat dat mede door zijn artikelen in NRC Handelsblad opnieuw is opgelaaid. Zijn tegendraadse denken over de zelfgekozen dood moet begonnen zijn met zijn val. De tuimeling en zijn plotse doodswens, ‘op het randje van capituleren’, zegt hij nu, hebben iets in gang gezet. Hij vond zichzelf in dat ziekenhuisbed ‘niet heel heugelijk’, maar het inzicht niet ‘zijn eigen werk’ te zijn, was er niet minder alles veranderend om.

De schrijver, de veertig voorbij, bevindt zich halverwege zijn ‘kerstening’, zoals hij zijn bekering later zal noemen. De verstokte aarzelaar kiest er dan voor te geloven. Dat gaat op z’n Ottens, even hals over kop als twijfelend, even stellig en apodictisch als verhuld in hermetische paradoxen. ‘Een christen gelooft om te beginnen in geloven,’ schrijft hij – want je moet er wel van overtuigd zijn dat het ergens goed voor is, geloven. Hij wil ‘tegen de feiten in geloven, tegen dood=dood, tegen het zwijgende, godverlaten Niets.’

Zo wordt Willem Jan Otten de bekeerling die zichzelf al denkend bekeert en desondanks nog lang blijft twijfelen. Telkens zal hij bijna terugvallen in ongeloof.

Het rijm van dat vallen kan hem niet zijn ontgaan.

Hij weet natuurlijk best, vertelt Otten die avond in zijn tuinhuis, welk beeld de goegemeente van hem had. Hij was de archetypische grachtengordelintellectueel met pornografische fantasieën. Dat uitgerekend die Willem Jan Otten nu ineens een verbod komt afkondigen op hulp bij zelfdoding, dat juist hij ‘met vlammend zwaard’ een taboe komt verdedigen, ‘heel erg ouderwets, paternalistisch en dus reactionair’, wordt ook sommigen van zijn literaire ‘kompanen’ te gortig.

Als hij in zijn schrijfhok achterin een lange, donkere tuin in Naarden Vesting vertelt dat hij ‘zo Vaticaans als de neten’ aan het worden is, vat ik dat eerst nog op als ironische zelfspot, eventueel van het soort waarvan Gerard Reve zich bediende, ironie met een troebele hint van ernst. Ik kon mij nog niet voorstellen dat Willem Jan Otten het letterlijk bedoelde.

Hij moet zich die vroege jaren negentig wel mengen in het debat over de zelfgekozen dood. Het zijn de jaren waarin Adriaan Venema zijn zelfmoord aankondigt en die prompt uitvoert. In vraaggesprekken die na zijn dood worden gepubliceerd, voorspelt de schrijver dat zijn keuze – die nog opzien baart – over een jaar tien ‘gewoon’ zal zijn. Wie niet meer wil leven, vraagt zijn huisarts dan om de pillen voor zelfmoord.

Het duurt nog geen jaar voor Venema gelijk krijgt: in 1994 spreekt de Hoge Raad zich uit over de zaak-Chabot.

De psychiater Boudewijn Chabot heeft drie jaar eerder Netty Boomsma geholpen met haar zelfmoord. De vijftigjarige vrouw was niet ziek, maar wel getraumatiseerd. Haar oudste zoon had zich tijdens zijn militaire dienstplicht een kogel door het hart geschoten. Daarna was haar huwelijk gestrand. Toen haar jongste zoon overleed aan een kwaadaardige tumor, deed ze nog diezelfde dag een zelfmoordpoging. Die mislukte. Ze zocht hulp en kwam bij Chabot terecht. De psychiater stond voor een dilemma. Netty leed onder een depressie waarvoor zij niet behandeld worden. Maar als hij haar niet hielp sterven, zou ze voor een trein springen.

Chabot gaf haar de dodelijke dosis medicijnen waarom ze had gevraagd. De psychiater begreep goed dat hij een grens over ging: voor het eerst hielp een arts iemand sterven die lichamelijk nog gezond was maar het leven niet meer aan kon. Dat was strafbaar, maar Chabot beriep zich op overmacht. De Hoge Raad ging mee in Chabots afweging door hem wel schuldig te verklaren, maar geen straf op te leggen.

In het jaar van dat historische arrest, 1994, verschijnt Ons mankeert niets, de derde roman van Willem Jan Otten. Het boek wordt gelezen alsof het de essayist Otten alleen te doen is om de grenzen aan stervenshulp. Toch gaat zijn verhaal daar slechts zijdelings over, of beter: eraan vooraf. Ons mankeert niets bevat de biecht of bekentenis van de huisarts Justus Loef over de nacht waarin zijn voorganger, ‘dokter Daan’, zelfmoord zal plegen. Aan zijn rechters – of aan God – legt Justus uit waarom hij niet ingreep, maar talmde, waarom hij het niet wilde weten.

Venema, Chabot, zijn roman – Willem Jan Otten wordt onherroepelijk het euthanasiedebat in gesleurd. Hij kiest het kamp van verklaarde critici als de theoloog Johan Goud, de filosoof Hans Achterhuis en de psychiater Frank Koerselman die uiterst stellig volhield dat Netty Boomsma nog best behandeld had kunnen worden voor haar depressie, desnoods gedwongen. Euthanasie, vindt ook Otten, mag alleen mogelijk zijn in de stervensfase. Het moet niet gekker worden.

De schrijver kan zich goed verplaatsen in het medelijden van Chabot. Toch vindt hij net als Koerselman dat de psychiater de vrouw had moeten behandelen. Dat een rij aan psychiaters in de strafzaak Chabots afweging steunen, weerhoudt Otten er niet van de keuze van de psychiater ‘een fout’ te noemen. Met zijn hulp aan Netty, zegt Otten, doorbrak Chabot een taboe. Wat duizenden jaren volstrekt vanzelfsprekend verboden was, het doden van een ander mens, willen ‘de apostelen van de milde en waardige dood’ nu ineens vergoelijken als een daad van barmhartigheid.

In een bundel essays over zijn ‘helden’ zal hij zich veel later een geestverwant tonen van de criminoloog C.I. Dessaur, ook bekend onder haar schrijversnaam Andreas Burnier. Begin jaren tachtig waarschuwde deze Nijmeegse hoogleraar al voor ‘de verblindende ideologie van de zelfbeschikking’. In een geruchtmakend artikel in Delikt en delinkwent en later in het vlugschrift Mag de dokter doden?, beweerde Dessaur dat het legaliseren van euthanasie rechtstreeks naar de afgrond zou leiden, naar fascisme en ontmenselijking. Nu al, schreef zij, kregen jaarlijks twaalfduizend mensen euthanasie, van wie er tienduizend niet echt vrijwillig om hadden gevraagd. Een wet die dat legaliseerde zou volgens Dessaur steeds verder worden opgerekt. Ouderen die geen economisch nut meer hebben, zullen systematisch worden opgeruimd.

‘Zij begreep dat zich een historische breuk in ons denken over het sterven aan het voltrekken was,’ zal Otten schrijven in Waarom komt u ons hinderen? ‘Niet dat mensen dood willen, was haar kwestie, maar dat mensen zichzelf kunnen toeredeneren naar het daadwerkelijke helpen beëindigen van andermans leven.’

Otten neemt afstand van Dessaurs hysterische radicaliteit– ze vergeleek de Nederlandse euthanasiepraktijk met de massamoorden van de nazi’s – maar volgt haar argumenten. ‘Als je a priori ontkent dat lijden bij het leven hoort,’ zegt hij, ‘kom je in een oplossingencultuur die alleen nog maar met selecties gaat werken.’

Chabot koos volgens hem voor ‘een oplossing’ waarvan geen weg terug mogelijk was, hij maakte een keuze die alle andere uitsloot, waardoor niemand ooit nog zal weten of het de juiste was. Dat maakt hem volgens Otten tot een tragische held. ‘Er bestaat in tragische dilemma’s niet zoiets als de juiste keuze – de keuze is de nederlaag.’

Het komt volgens Otten aan op de vraag ‘of mensen hun eigen werk zijn, wat willen is, wat autonomie is.’ Als romanschrijver met ‘een tragisch zintuig’ wil hij laten zien dat mensen niet zo rationeel zijn als ze denken. Wanneer ze zich beroepen op hun recht op zelfbeschikking, zijn ze een speelbal van grotere machten, van hartstochten, passies en afgunsten. Met hun doodswens ‘rationaliseren ze een veel grotere en diepere angst, om te leven bijvoorbeeld.’

Hij kiest, zeg ik, vreemd genoeg steeds het perspectief van de arts die over een patiënt moet oordelen, niet dat van de patiënt die zelf wil kiezen.

‘Is dat zo?’ zegt hij.

‘Ja.’

‘Je hebt gelijk,’ geeft hij toe.

Hij weigert zich nu eenmaal te verplaatsen in de man of vrouw die dood wil. ‘Ik vind dat je het leven van zo iemand net zo lang in de hand moet nemen totdat hij weer wil leven. Dan heeft hij weer alle keuzes. Kan hij kiezen voor de dood, maar ook voor het leven. Vrijheid is dat je alternatieven hebt. Iemand die dood wil is niet vrij.’

Jij vindt, zeg ik, dat een arts nooit kan beoordelen of een doodswens reëel is.

‘Ik vind dat de menselijke geest uiteindelijk onkenbaar is. Degene die claimt hem wel te kunnen kennen, en vervolgens meegaat in die onherroepelijke doodswens zonder dat er van een zeer afzienbaar fysiek lijden sprake is, die matigt zich een idee over de menselijke geest aan dat een demoraliserend effect heeft. Ik geloof dat je een samenleving kunt demoraliseren met dit soort denkbeelden.’

‘Ik ga maar één keer dood’

En dan is daar nog die vierde aanleiding om het met Willem Jan Otten over euthanasie te hebben, de kwestie die – achteraf bezien – het meest duidelijk maakt over zijn ‘hoofdzaak’.

Kort voordat Ons mankeert niets verschijnt trekt hij in NRC Handelsblad van leer tegen de IKON-documentaire Dood op verzoek. In die film is voor het eerst te zien hoe een man, de ALS-patiënt Kees van Wendel de Joode, sterft door euthanasie. Otten vond de film obsceen, ‘een georganiseerde moord op iemands laatste ogenblikken’. Hij ziet voor zich hoe de filmploeg zich ‘op het afgesproken tijdstip meldt met een batterij aan licht en technische heisa’, en kan er met zijn verstand niet bij.

Mag dat nou echt, vraagt hij zich af in De Allereerste Zendgemachtigde Euthanasist. Mag ‘de intiemste, huiveringwekkendste gebeurtenis in een mensenleven eigenlijk wel publiek gemaakt worden?’

Waarom niet, dacht ik.

Je kunt zo’n film smakeloos vinden, maar of het mág? Wil de schrijver Otten dan werkelijk het maken en uitzenden van een film verbieden? Of bedoelt hij te zeggen dat er wat hem betreft een ethische grens is overschreden? Dan is hij slechts de predikant naar wiens woord louter gelijkgestemden luisteren – en van die soort is ons land vergeven, het is er van gemáákt.

Het zit anders.

Willem Jan Otten stoort zich vooral aan de euthanasiearts die na de zelfverkozen dood van Kees van Wendel de Joode terloops had opgemerkt dat doodgaan ‘niet erg’ is.

Otten was ontdaan.

Hij was pissed.

Of doodgaan erg is maakt hij zelf wel uit. Hij voelt zich beledigd. Hem is iets ontnomen – een mysterie allicht. De dood, zijn dood, mocht niet zo gewoon zijn, niet bespreekbaar, uitwisselbaar, registreerbaar, herhaalbaar. Geen mensenwerk.

Ze moeten met hun vingers van zijn morsige dood afblijven, foetert hij in de Volkskrant.
Het is, zegt hij enkele weken later tegen mij, ‘een van de grootste dingen is die ik mee ga maken, zoals het krijgen van mijn kinderen. Ik ben door weinig dingen zo geobsedeerd. Ik ga maar één keer dood.’

Ik leg uit dat ik dat misschien nog wel begrijp, maar niettemin mijn lot in eigen hand wil houden, graag zelf bepaal wanneer, en hoe.

‘Dat zeg je nu,’ zegt hij.

Je lot in eigen hand… het betekent zo weinig voor hem.

‘Ik heb toch niet in de hand of ik wil leven of niet? Als adolescent heb ik vergaande zelfmoordfantasieën gehad. Maar ik vind niet dat ik op die momenten mijn eigen werk was. Ik was destructief, wilde er niet zijn, en ging me dat voorstellen – een ontzettend dwangmatig gepeins. Mijn eigen werk ben ik… – God, wanneer ben je je eigen werk?’


Vrije val

Tien jaar later.

Willem Jan Otten is even in de vijftig als hij in 2004 zijn vierde roman publiceert. Specht en zoon wordt bekroond met de Libris Literatuur Prijs. Ook wordt het boek opgenomen in een canon van christelijke literatuur. Hij wil nu liever vertellen, zegt Otten in de Volkskrant. Hij is uitgekeken op de essays, want ‘er gaat iets droevigs uit van een man die na zijn vijftigste nog steeds van zijn meningen leeft.’

Van een vijfde roman komt het niet, de jaren daarna.

Af en toe schrijft Otten nog opiniestukken, vaak op verzoek van een tijdschrift of krant – het christelijke dagblad Trouw nu vaker dan de liberale NRC. En als het zo uitkomt legt hij daarin steeds opnieuw uit hoe het nou zit, tussen hem en God.

Het komt erop neer, geloof ik, dat Willem Jan Otten is blijven vallen. Dat vallen gaat vanzelf. Hij heeft de regie niet, omdat hij ‘niet zijn eigen werk’ is. Totdat hij zijn koffers vol pornovideo’s de deur uitdeed, had hij gedacht dat hij ooit net zo vrij en schaamteloos zou zijn als die acteurs. Dat bleek een leugen, schreef Otten in Waarom komt u ons hinderen. Hij is niet bedoeld om vrij van schaamte door het leven te gaan. Hij is niet autonoom.

Als hij in dat vallen al vrij is, stel ik mij voor, is het een vreemde variant, het vrij van de vrije val: de meest euforische en tegelijkertijd noodlottigste vrijheid denkbaar, met een zweem van onherroepelijkheid en god-zal-me-bewaren-overgave. Je bent vrij terwijl je nergens heen kunt behalve naar waar de val je voert.

Zijn worsteling met de schaamte is de sleutel. Zijn beluste blik, het zondige kijken, de toekijkende ‘ander’ – het kwam allemaal al samen in zijn pornografische drang – alsof zich in die porno zijn poëtica verschool. Hij schrijft omdat hij zich schaamt, en schaamt zich voor zijn schrijven, maar hij kan niet anders.

Die blik van de ‘ander’ heeft hij nodig. Hij bestaat, vermoed ik, pas als hij bekeken wordt – gelezen wordt – tijdens zijn intiemste, meest ontluisterende belustheid, het schrijven van een zin.

Het kloppende gedicht

Twintig jaar na ons gesprek in het tuinhuis.

Willem Jan Otten is de vijfenzestig voorbij. Op recente foto’s is hij een oudere man, enigszins grijs aan de slapen. Hem is in 2014 de PC Hooftprijs toegekend voor zijn beschouwend proza, wat mij betreft de ‘terechtste bekroning’. Niet omdat ik het met hem eens ben, maar omdat de optelsom van al die essays fascinerend dat vallen beschrijft.

Ik ken geen denker die zo eloquent als Willem Jan Otten verslag heeft gedaan van zijn veranderende denken over zelfbeschikking en daar tegelijkertijd zo bar weinig over te melden heeft, tenzij het over hém gaat. Soms schrijft Otten zo lucide over zijn geloof dat je het bijna zou willen kunnen, geloven. In al die essays sinds Denken is een lust – ze werden minder toegankelijk naar mate de schrijver roomser werd en zijn taal beetje bij beetje werd overwoekerd door begrippen, concepten en metaforen die mij vreemd zijn – in al die essays dus heeft Otten het slechts zijdelings over de zelfverkozen dood. Zijn bezwaren – ‘het is alsof ouderen tegenwoordig geen keuze meer hebben’ – vind ik nog altijd gemakzuchtig, of sleets en soms zelfs wreed, want hoe krijg je het voor elkaar uit naam van een God die Liefde is een mens te laten lijden?

Willen Jan Otten is op die momenten inderdaad ‘zo Vaticaans als de neten’.

Een gedicht, zegt hij, is de meest aangewezen manier om iets geheim te laten zijn. Volmaakt helder iets onopgehelderd laten.

Nog altijd lees ik Paviljoenen. Die bundel poëzie staat op een apart plankje, voor het grijpen zeg maar. Nog vaak begin ik bij de Penelope-cyclus, maar ik lees er nu iets anders in. Niet meer de liefde van een vrouw die wacht op Odysseus.

Ik wilde jou en dat ik je missen zou
wist ik al voor het begonnen was.
Jou willen is je missen. Het was missen
op het eerste gezicht.

Als dat niet, of ten minste niet óók, over een man en zijn ‘hoofdzaak’ gaat, dan weet ik het niet meer. Ik kan het niet anders lezen dan als het meest kloppende gedicht over een schrijver en zijn schrijven, over af en toe een vlaag, over de volmaakte narcistische overgave.

Ik lees Willem Jan Otten omdat ik het niet met hem eens ben. En om zijn zoeken, niet naar God (die heeft-ie wel gevonden, neem ik aan), niet naar wat hij gelooft, maar waarom hij dat geloven niet laten kan. Al dat denken tegen de klippen op helpt mij bij mijn ongeloof – dat ik net zo min kan laten.

Na Otten begin ik te vermoeden dat ik autonomie en recht op zelfbeschikking even intuïtief verdedig als hij ze inruilt voor een hostie, voor het plakje ongedesemd tarwebrood waarvan hij gelooft dat het na de consecratie verandert in het lichaam van Christus.

Net als Otten kan ik me niet voorstellen dat een mens nog een andere optie heeft – ik lijk wel een gelovige.