Malinche, een Mexicaanse Eva

De twee vrouwen leken werkelijk veel op elkaar. Achter de kerk waren ze over het grindpad naar de ruïne van Xicotenga en de melkwitte tombe gelopen. Ze waren mij al eerder opgevallen, beneden aan de rijksweg, bij de kromme ongeplaveide oprit naar het dorp Tizatlán. De twee hadden hetzelfde krullende haar, droegen identieke T-shirts, linnen geldbuidels, nauw sluitende stonewashed jeans en espadrilles met een motief van Keith Haring. Ik nam onmiddellijk aan dat ze uit de Verenigde Staten kwamen.

Op het grindpad spraken ze mij even later aan in het Spaans. Ik kreeg een kleine automatische camera in mijn handen gedrukt. Of ik een foto wilde maken. Zij samen. Tegen die boom daar. En dan iets van de ruïne en de tombe op de achtergrond.

Ik deed een paar passen achteruit.

Zij lachten toen ik om een glimlach vroeg. En lachten opnieuw toen ik zei dat het over moest, en nog eens toen ik door mijn knieën zakte, de camera in één hand, met de andere hand gebarend naar iets van perspectief. Ik drukte opnieuw af, kwam overeind en gaf de camera terug.

 

Het was een zondagochtend in september. In de kerk tegenover de ruïne werd een mis opgedragen. De deuren stonden wijd open. Ik stak het voorplein over, ging de koelte binnen, keek naar heiligenbeelden en vaandels en honderden brandende kaarsen en voelde me betrapt. Achterwaarts schuifelde ik weg. Ik liep om de kerk heen en ging op een muurtje van losse stenen zitten. Uitzicht over een breed dal. In mijn nek de geluiden van de eredienst. Ik ving woorden op als Padre en Maria, maar voor ik me af kon vragen waarom die galmende stem zo ver droeg, zag ik een luidspreker in de dakgoot.

Ik voelde een hand op mijn schouder. De twee vrouwen waren me gevolgd naar de balustrade. Een van hen hield een filtersigaret tussen wijs- en middelvinger. Zij bracht hem naar haar mond, vroeg met haar andere hand om vuur. Toen ik haar mijn aansteker gaf, haalde zij een pakje Mexicaanse sigaretten te voorschijn en bood mij er een aan. Ik bedankte. Ander merk. Sorry.

Om maar iets te zeggen vroeg ik haar wie toch die stenen man kon zijn, hoe oud hij was, uit welke tijd.

Zij wees naar de autoweg die onder het stadje langs liep, en zei iets in het Spaans. Wat ik begreep, was dat zij en haar vriendin een weekeind onderweg waren. Ik ving de plaatsnaam Cholula op, en het begon me te dagen waarom die twee mij hadden aangesproken, waarom ik zojuist die foto had moeten maken.

Of dat mijn auto was, vroeg de vrouw.

Ik veinsde haar niet begrijpen. Ja, Cholula, dat ligt daar, achter in het dal. Dat weet ik ook wel. Maar nu ben ik hier.

Ze studeerden in Mexico-Stad, zei de vrouw. Iets met archeologie of antropologie. Ze waren een weekend onderweg. Kon ik hun geen lift geven?

In het Spaans zei ik dat ik geen Spaans sprak.

Opnieuw begon de vrouw over Cholula, wijzend naar de autoweg, haar handen draaiend aan een stuur, en toen ook dat niet hielp, trok zij haar T-shirt strak en vroeg of ik uit de Verenigde Staten kwam.

Ik schudde mijn hoofd, haar grove charme irriteerde me, maar zij hield aan. Natuurlijk kwam ik uit de Verenigde Staten, uit Los Angeles kwam ik, en daarom sprak ik vast een paar woorden Spaans, want ik moest begrijpen dat ze mee wilde, ze wilde per se meerijden; uit dit gat vertrok vandaag geen hond meer, en zij moest nog naar Cholula.

Ik keek haar onnozel aan, pakte een boek uit mijn schoudertas, sloeg het open, brak de gelijmde rug. Zij moest nu maar snappen dat dit muurtje mij beviel, dat ik nog niet zou vertrekken, maar – ‘no offense‘ – nog wat wilde lezen.

De hardnekkige glimlach gleed van haar gezicht. Ik zag dat ze niet wist wat ze moest denken, wie hier wie in de maling nam. Even dacht ik zelfs dat ze kwaad zou worden, maar toen de andere vrouw opstond van de lage muur trok ze haar schouders op, drukte de sigaret uit op de stenen en liep weg.

De vulkaan Malinche

In de auto, gehuurd in Veracruz, was ik naar Tizatlán gereden, een dorp halverwege de kust en Mexico-Stad. Ik had verwacht vanaf het kerkplein op de heuvel een beter uitzicht te hebben op een berg aan de overkant van het dal. Die berg is een vulkaan, een prachtige, volmaakt conische bult. Op de top ligt sneeuw. De hellingen zijn groen begroeid. Aan de voet liggen vuilwitte dorpen langs de straatweg van Xalapa naar Cholula.

Op de wegenkaart had ik gezien dat de vulkaan Malinche heet. Ik wilde weten waar die naam vandaan komt, van wanneer hij dateert, en wat het verband is met het verhaal over een Indiaanse vrouw.

Die vrouw wordt in het jaar 1519 aan de kust van Tabasco cadeau gedaan aan een troep Spaanse avonturiers, gedoopt en gaat Marina heten, waarna de geschiedenis haar opneemt onder weer een andere naam, La Malinche, de geliefde van Hernan Cortés, conquistador van Mexico.

Ik had van Malinche gehoord dank zij Magda, een beeldhouwster in Mexico-Stad. Een conservator moderne kunst in Amsterdam had mij getipt; als ik toch in Mexico was, moest ik beslist met haar praten, want Magda was een fascinerende vrouw. Bovendien sprak zij moeiteloos Engels, oorzaak, gevolg, of beide, van haar succes in de Verenigde Staten. Ze was gaan behoren tot een Mexicaanse lichting kunstenaars waarvoor de gallery’s in New York in de rij stonden.

Ik had geprobeerd haar vanuit Nederland te bellen, maar omdat de intercontinentale telefoongesprekken telkens werden gestoord door ruis en gekraak, had ik uiteindelijk een brief gestuurd. Zo was de correspondentie een jaar geleden begonnen met mijn vraag of ik Magda in haar atelier in Coyoacan zou kunnen spreken, maar uitgelopen op Mexicaanse les: ik stelde vragen, zij antwoordde per omgaande, aanvankelijk terughoudend maar allengs uitvoeriger. Ze vond het plezierig na te denken over zaken die ze tot dan toe volstrekt vanzelfsprekend had gevonden.

De eerste afbeeldingen waren mij ook door Magda gestuurd. Reproducties van oude tekeningen waarop Malinche steevast brede heupen heeft en lang donker haar, tot op haar billen soms, en een appelrond gezicht met grote donkere ogen en een weinig scherp gesneden, eerder nogal plompe neus.

Maar, schreef Magda, het beeld dat ik mij nu waarschijnlijk vormde, had verrassend weinig te maken met de werkelijkheid. Het was vertekend, onscherp. De prenten vertelden meer over een vergankelijk Europees schoonheidsideaal dan over het uiterlijk van Malinche. Stelde ik mij haar niet voor als een zeer donkere vrouw? Ha! Dan vergiste ik mij – want Malinches huid was bijna net zo licht als die van mij.

Uit de brieven van Magda, die steeds langere beschouwingen over haar land, wist ik dat Mexico zonder Malinche niet zou bestaan – niet zoals het nu bestaat. Des te storender was ik het gaan vinden dat er zo weinig bekend was over die vrouw. Magda raadde mij aan Octavio Paz te lezen, maar zelfs Paz beschrijft Malinche als nauwelijks meer dan een schaduw, voordat hij – in Het labyrint der eenzaamheid – met haar verhaal de collectieve verwarring van zijn volk verklaart, het machismo en de doodsverering, de passieve rol van vrouwen en de nooit afwezige dreiging van verraad.

Ik bekeek de prenten en wist niet hoe Malinche eruit had gezien, ik las Paz en wist niets van haar. Hoe oud was Malinche bijvoorbeeld op dat strand in Tabasco? Soms zag ik een vrouw voor me van rond de twintig, een vrouw met een mooi naïef gezicht, het lange haar gebonden in een streng, een vrouw met donkere ogen onder iets te zware wenkbrauwen. Maar waarom zou zij niet twaalf jaar oud zijn geweest? Of juist veel ouder, achter in de dertig wellicht; nergens had ik gelezen dat ze géén kinderen had toen Cortés haar vond. Alle chroniqueurs roemen daarentegen haar buitengewone wijsheid, en vooral de machiavellistische behendigheid waarmee zij de dingen naar haar hand zette.

Achter mijn rug beierde het. Ik stond op en draaide me om. Duiven vlogen op uit de dakgoot en van de gele koepel. De kerk ging uit. Wie een godshuis verlaat, kijkt naar de tegels voor zijn voeten. Ziet niet op naar het standbeeld van de Indiaanse held Xicotenga, en al helemaal niet naar de kleine bruingrijze man in zijn stalen dwangbuis.

Even later reed ik Tizatlán uit. De twee vrouwen stonden bij de oprit naar de rijksweg. Ik keek de andere kant uit, naar achterop komend verkeer en naar de overkant van het dal waar de top van Malinche verdween in een krans van wolken.

Harde huid, dorstig vlees

Vanuit de Verenigde Staten was ik sprinkhaansgewijs naar het zuiden getrokken. Bij San Diego lopend de grens overgestoken naar Tijuana, de bedrieglijke grens die amper lijkt te bestaan als je uit het noorden komt – twee rinkelende draaihekken door en niemand die naar je paspoort vraagt –, maar die vanuit het zuiden veel weg heeft van een breuklijn, een hiaat in de geschiedenis.

Daarna afgedaald in de trechter die Mexico is; een land, zegt Carlos Fuentes in de roman De oude gringo, ‘in de vorm van een lege hoorn des overvloeds met harde huid en dorstig vlees en zwetende dijen en magere armen’.

Ik had gemerkt dat de wegen, steden en ruïnes steeds ouder werder, steeds antieker, steeds minder coherent, en dat de Amerikaanse invloed evenredig afnam. Na een vlucht van Tijuana naar Los Mochis, een suikerstad aan de Golf van Californië, liet ik mij in een Amtrakwagon naar Chihuahua verplaatsen, door een tomeloos dal en tientallen hallucinerende tunnels, langs lijkbleke bomen en velden vol maïs en de afgrond van wat misschien de diepste kloof van dit halfrond is. En in de rode Ford van een Amerikaan (‘Hi, I’m Ron from Indianapolis’) was ik naar een Indiaanse tempel gereden, een gewijde steenmassa tegen een berg, hoog boven een onvoorstelbaar leeg plateau.

Toen Ron vertrok, vertrok Amerika. En kon ik, twee korte vluchten later, bij Veracruz beginnen in het jaar 1519.

Dat was het jaar waarin Cortés in Mexico landde, en aan een veldtocht begon die zou eindigen met de val van het Azteekse rijk. Die veldtocht zou ik nareizen. Vanuit de havenstad Veracruz opnieuw het binnenland in, langs plaatsen die door Cortés waren veroverd.

Zijn campagne tegen keizer Montezuma had twee jaar geduurd, twee jaar waarin hij tot driemaal toe Tenochtitlán – het huidige Mexico-Stad – binnenreed, een keer vrijwillig vertrok, de tweede maal door de Azteken werd verdreven, om zich ten slotte te vestigen op de resten van een imperium dat hij met de grond gelijk had gemaakt.

Ik had er zeven dagen voor uitgetrokken, maar zat nog op een terras in Veracruz, op het hectische, benauwde Plaza de Armas, toen een ander verhaal zich begon op te dringen, een spiegelbeeldig verhaal, een complementair verleden. Het was min of meer de schuld van Magda. Ook na mijn aankomst in Noord-Mexico was ik haar brieven blijven schrijven, reisbrieven die vertelden waar ik geweest was, wat ik gezien had en wat mijn volgende bestemming zou zijn.

Tweemaal vond ik bij de receptie van een hotel een antwoord, de laatste maal in Veracruz. En de geschiedenis van Malinche was zich pas goed met mijn reis gaan bemoeien toen ik die brief beantwoordde. Ik schreef Magda dat ik in een roman van Fuentes een passage had gevonden die mij belangrijk leek, een exposé waarin hij vertelt welke naam Malinche kreeg toen ze ter wereld kwam als de dochter van een cacique, een stamhoofd: ‘omdat ze onder een slecht teken geboren was kreeg ze van de sterren de doopnaam Ce Malinalli, het orakel van ongeluk, opstand, twist, bloedvergieten en ongeduld.’

Lezend in Fuentes, en bladerend in andere romans en essaybundels, begon ik Magda een beeld te schetsen van Tabasco in het voorjaar van 1519. Een streek waar het warm en droog is. Maïsakkers, agavevelden, roodgekleurde hellingen en mistwolken om een bergketen in het binnenland. Een gebied waar een rivier doorheen loopt met uitgedroogde oevers en een grijze gecraqueleerde bedding.

De rivier mondt uit in een zee die – Fuentes weer – de kleur heeft van onrijpe citroenen, zo groen dat hij soms meer op een begroeide vlakte lijkt, een zee van zeebrasems, ombervissen, palingen, garnalen en een netwerk van algen en wieren waarin de grote golven gevangen worden die wegstromen in stranden vol kwijnende palmbomen.

Ook Fuentes weet meer van het land dan van Malinche. Maar toch wordt het denkbaar, als je hem leest, dat zij hier gewoond heeft, door de bossen heeft gelopen, bij de rivier hurkte. Een slavin die door haar ouders verkocht was aan de stam van Xicalando. Wellicht omdat, zoals een verhaal wil, er een zoon was geboren die cacique moest worden, en Ce Malinalli een dochter te veel was. Maar een andere legende zegt dat haar ouders bang waren omdat zij onder dat slechte gesternte was geboren.

In het dorp werd zij Malintzin genoemd. Die naam zal iets betekenen, maar ik heb geen idee wat, zelfs dat kan ik niet achterhalen. Ik kom slechts onbenullige feiten tegen, banale gegevens. Dat zij met negentien andere meisjes, vier diademen en een gouden hagedis werd geschonken aan de Spanjaarden toen Cortés op het strand de mannen van de stam had vernederd. Dat de vrouwen van het dorp maïs, tortilla’s en vis bereidden voor de blanke mannen. Die mannen leken op goden. Ze moesten wel de goden zijn die volgens de oude verhalen uit zee zouden komen, maar even zo goed hadden ze gewoon honger. En ongetwijfeld zullen de Spanjaarden die twintig meisjes onmiddellijk na de maaltijd hebben verkracht.

Ergens lees ik nog dat Malintzin aan boord van het schip waarmee Cortés naar het noorden voer, naar wat nu Veracruz is, al Spaanse rijglaarzen droeg. Die had zij aangetrokken zoals ze haar naam aantrok. Ze was Marina gedoopt, wat eigenaardig is, want als er iemand niet uit zee kwam, dan zij wel.

Hernandez Puertocarrero, een kapitein van Cortés, was de eerste die haar kreeg. Toen hij vertrok, nam Cortés haar over, als minnares, maar vooral als tolk. Want hij had ontdekt dat Malintzin twee talen sprak, de Maya-taal van het dorp, en het Nahuatl van haar geboortestreek. Dat was van geen enkele betekenis geweest als de avonturier Jeronimo de Aguilar niet acht jaar eerder bij een expeditie op de kust van Tabasco was gestrand. Hij sloot zich bij Cortés aan. Omdat hij de Mayataal sprak, kon Cortés via hem en Malintzin praten met Montezuma’s boodschappers, want ook die spraken Nahuatl.

Malintzin moet dan al beseffen hoe nuttig zij is. Waarschijnlijk is ze loyaal aan Cortés. Ze past zich aan zodra ze begrijpt dat Cortés geen god is, geen man met schubben en vleugels, maar met spieren, armen, longen. Ze assimileert, alsof niet de Spanjaarden vreemden zijn, maar zij de indringer is. Als Cortés haar niet meer nodig heeft, huwt ze met weer een andere Spanjaard, Juan Jaramillo. Bij hem krijgt ze een dochter, Maria. Zij heeft dan al een zoon, de bastaard van Cortés, Martin, de eerste Mexicaan, de eerste mesties. Cortés zal zijn eerste wettelijke zoon overigens opnieuw Martin noemen. En als ze beide volwassen zijn, zullen de twee zoons elkaar ontmoeten, de een mesties, de ander creool, een in Nieuw-Spanje geboren zoon van Spaanse ouders, en samen zullen zij de eerste Mexicaanse rebellie beginnen tegen de Spaanse overheersing.

Popo en Izta

Vanaf de heuvel in Tizatlán kun je bij helder weer nog twee andere vulkanen zien, de Popocatépetl en de Iztaccíhuatl – namen zo onuitspreekbaar dat zelfs de Mexicanen ze hebben ingekort tot Popo en Izta.

Wie van hier naar Mexico-Stad wil rijden, hoeft maar vanaf de zandweg die het dorp uitgaat de rijksweg op te draaien. Je betaalt een paar duizend peso’s tol en kunt dan vierbaansbreed naar de hoofdstad. De weg loopt noordelijk van de twee vulkanen, en niet meer, zoals vroeger, tussen de bergtoppen door. Ik vroeg me af waarom die moderne route niet altijd de enige is geweest, waarom kennelijk ooit iemand het nodig vond van Cholula, toen het nog de grootste en voornaamste stad in dit dal was, over de pas tussen Popo en Izta naar Mexico-Stad te rijden als er terzelfdertijd een eenvoudiger, beter begaanbaar want minder hooggelegen alternatief was.

Waarom was Cortés over de pas tussen de twee vulkanen getrokken? Ik zocht naar een antwoord bij de Spaanse kroniekschrijver Bernal Diaz del Castillo. Hij was soldaat onder Cortés, en voltooide het op schrift stellen van zijn herinneringen toen hij tegen de tachtig was, bijna blind en naar men zegt doof, en zijn laatste jaren sleet op een verarmd landgoed in Guatemala. Diaz verhaalt hoe Cortés – zoon van Spaanse landadel, in 1504 aangekomen op Cuba waar hij planter werd en alcalde van het stadje San Juan de Baracoa – met elf schepen vertrok uit Havanna, op de kust van Tabasco landde, en een stuk noordelijker Veracruz stichtte.

Cortés had 508 ‘bruikbare mannen’ meegenomen, onder wie Diaz, die naar het schijnt een voortreffelijk huurling was, al is nooit komen vast te staan tot welke rang hij opklom, en al had hij, zonder het zelf te weten, een groter talent: dat van schrijver. Zijn Historia verdadera de la conquista de Nueva Espana geldt als een van de vroegste en meest gave kronieken in de geschiedenis.

Het verslag van Diaz is vroom, bloederig en opwindend. Nooit zal hij het ochtendgebed voor een veldslag vergeten, en telkens dankt hij de heer als het andermaal goed is afgelopen, tegen elke militaire logica in. Gedetailleerd beschrijft hij de intriges waarmee Cortés indianen aan de kust uitspeelt tegen Montezuma, de godkoning die vanuit Tenochtitlán de meeste andere stammen aan zich heeft onderworpen. Diaz vertelt hoe de Spanjaarden keer op keer tegenover een numerieke overmacht komen te staan, en hij laat zien dat zelfs het grootste leger achteruit wijkt voor bluf en intimidatie, voor zestien geharnaste paarden en het lawaai van haakbussen en falconetten.

Ik had de door Diaz beschreven route gevolgd. Voor zover dat mogelijk was althans, want veel van de plaatsnamen die hij noemt waren gewijzigd, verspaanst meestal, of domweg van alle wegenkaarten geschrapt. Andere plaatsen zijn uitgegroeid tot moderne steden, Jalapa bijvoorbeeld, thans hoofdstad van de provincie Veracruz. En weer andere zijn geslonken, verschrompeld van antieke grootheid tot hedendaags provincialisme.

Veracruz zelf bestaat nog, maar niet meer op de plaats waar Cortés zijn eerste nederzetting stichtte. Daar heet het nu La Antigua, een half uur noordelijker langs de meanderende kust. Een door palmen afgedekt dorp is het, met brede zandpaden, rondlopende kippen, een zeug op een erf, de geur van smeulend hout bij een slome rivier. Honderd meter van de oever een onbegrijpelijk groot koloniaal hotel, twee harnassen voor de balie en niemand erachter. En onder een witte luifel aan de overkant van de straat een oude man gebogen boven zijn bier. Hij komt abrupt overeind als ik nader, steekt een roestige hand uit. Hij wil wijzen waar het Casa de Cortés is, en gaat dan voor naar een door bomen overwoekerde ruïne. Van het huis zijn meer muren verdwenen dan er nog staan, de tegels op de binnenplaats zijn al honderden keren omgedraaid, de waterput staat droog.

Cortés moet hier hebben gewoond, maar dat maakt La Antigua niet per se tot zijn eerste nederzetting. Dat zou ook Villa Rica de la Cruz kunnen zijn, nog een half uur noordelijker langs de kust, nog minder een dorp, niet meer dan een toevallige verzameling hutten en een paar stenen huizen aan een breed strand. Verstuivende duinen. Uit het water gesjorde sloepen van vissers. Een jongetje loopt achter me aan langs de vloedlijn. Hij draagt een T-shirt van de Ninja Turtles en hoge veterloze basketbalschoenen. Vraagt iets in lispelend Spaans, kijkt om waar zijn hond blijft. En als hij naar me grijnst, zie ik zwarte stompjes in zijn mond. Hij kijkt me aan, maar ik, met mijn kop vol Cortés, zeg niets terug.

Tot de heuvel van Tizatlán had ik Diaz op de huid gezeten. Op de derde dag was ik over steile, slingerende bergpaden gereden, ervan overtuigd dat Cortés en Diaz –inmiddels gesteund door Indiaanse stammen uit het kustgebied – hetzelfde pad hadden gevonden, dezelfde klamme mist onder hun maliënhemden, zich afvragend waar de weg niet langer omhoog zou gaan naar de top van de vulkaan Coffre de Perote. Op de hoogvlakte had ik bij het vallen van de avond dezelfde uitgestrekte meren gezien, als schaduwen over een landkaart. En nu, in Tizatlán, wilde ik begrijpen waarom de brave soldaat Bernal met Cortés tussen Popo en Izta doortrok.

Ik las nog vijftig pagina’s Diaz. De hoofdstukken waarin Cortés slag levert in de vallei tussen Jalapa en Cholula. Opnieuw vernietigt hij een leger. Opnieuw dwingt hij de loyaliteit af van een stamhoofd, in dit geval Xicotenga, die van de melkwitte tombe, de ruïne en het standbeeld in Tizatlán. Kort daarna krijgt Cortés het dringende advies niet tussen de twee vulkanen door te trekken, maar een andere weg naar Tenochtitlán te kiezen. Uit Diaz’ kroniek begreep ik nog steeds niet waarom Cortés die raad in de wind slaat. Misschien waant hij zich net zo onoverwinnelijk als de indianen denken dat hij is. Misschien voelt hij zich onweerstaanbaar aangetrokken door de twee glorieuze vulkanen en door de groene kom tussen hun besneeuwde toppen. Maar waarschijnlijker is het dat Cortés zijn adviseurs domweg niet vertrouwt.

Cortés rijdt naar Cholula, dat hem ogenschijnlijk vriendelijk gezind is. Hij besluit er te overnachten. En dan is het Malinche die hem waarschuwt, niet voor het eerst overigens, en niet voor het laatst. Bij toeval heeft zij gehoord dat er een complot in de maak is, dat de Spanjaarden ‘s nachts in hun slaap zullen worden verrast. Ongenadig hard slaat Cortés terug. Zesduizend inwoners van Cholula worden uitgemoord en hoe typerend is het voor Cortés dat hij, als de overlevenden zijn kant kiezen, berouw toont voor de buitenproportionele slachtpartij en de gelofte doet voor iedere dag van het jaar in Cholula een kerk te zullen bouwen.

Cortés kwam tot 38 kerken. Als je de hoofdstraat van Cholula uitrijdt, en een verlopen spoorwegovergang passeert, kom je bij een pad van rode tegels dat omhoog leidt naar het dak van een piramide. Die is van voor Cortés, van voor Montezuma, van voor alles. Boven op de piramide staat de meest potsierlijke van alle kerken die Cortés in Cholula liet bouwen, een kerk die er maar niet in slaagt groter te zijn dan haar fundament.

Als je eromheen loopt, kun je de andere kerktorens tellen. Ik telde niet omdat ik met stomheid werd geslagen door de pracht van Popo en Izta in het westen, oprijzend aan het eind van een stoffige vlakte. Ik dacht aan Magda, die achter die bergen moest wonen, en aan Malinche. Ik draaide me om en zag van alle 38 kerken alleen de Capilla Real aan het centrale plein.

Ik liep erheen. Eenmaal binnen viel me op hoe laag de Capilla Real was, hoe sterk zij met haar tientallen zuilen ineens deed denken aan een overdekte markt of vleeshal. Ik liep door, tot achterin, tot in de uiterste hoek. Tegen een zuil waren achteloos schilderijen op de grond gezet, oude gescheurde doeken in verwrongen lijsten. Niemand had de moeite genomen ze discreet af te dekken, zoals ook niemand zich leek te bekommeren om de restauratie van een schilderij dat nog wel aan een wand hing. Dat schilderij is het eerste van een vierluik dat het verhaal vertelt van Juan Diego en de Maagd van Guadalupe.

Carlos Fuentes suggereert in zijn laatste boek, de essaybundel The Buried Mirror, dat de legende van de zwarte maagd te danken is aan het politiek vernuft van een franciscaner broeder, Juan de Zumáragga, de eerste aartsbisschop van Mexico. Amper tien jaar na de val van het Azteekse rijk was het deze priester die met een eenvoudig verhaal miljoenen indianen en een snel toenemend aantal mestiezen in Nieuw-Spanje het mysterie aanreikte waarop hun godsdienst vijf eeuwen later nog altijd gegrondvest zou zijn. Het is de legende van Juan Diego, een vrome Indiaan die in december 1531 even buiten Mexico-Stad een heuvel beklimt. Niet geheel toevallig is dit ook voor de Azteken een heilige plaats; het is de heuvel waar eeuwenlang de godmoeder Tonantzin aanbeden is.

En op die heuvel verschijnt aan Juan Diego de zwarte maagd. Hij haast zich naar de franciscaner broeders, die hem aanvankelijk niet geloven. Maar als op Diego’s witte hemd opnieuw de beeltenis van de Maagd verschijnt, laten ze hun scepsis varen. Wat er verder met Diego gebeurt, vertelt de geschiedenis niet, maar de Maagd van Guadalupe wordt tot op de huidige dag vereerd.

Het verhaal is volmaakt, het is beter dan de werkelijkheid. Het smeedt twee geloven aaneen, en schenkt de Mexicaan de gave en sacrale moeder naar wie hij snakt, bij wie hij als gedoemde zoon van een overweldigde Indiaanse moeder en een wrede, onbekende Spaanse vader troost en vergiffenis zal vinden. In een van zijn romans, de pseudothriller De kop van de hydra, stelt Fuentes dat de passie voor de Zwarte Maagd ontstaan is uit behoefte aan compensatie. Liever is de Mexicaan het kind van een legende, van een weliswaar donkerhuidige maar nog altijd zeer katholieke, zeer Spaanse Maagd, dan dat hij zich de bastaard weet van een historisch drama. Dat drama is de conquista van Cortés en het verraad dat eraan voorafging, een zondeval, gesymboliseerd in de figuur Malinche, de Mexicaanse Eva, een vrouw die zich prostitueerde voor een klein beetje kennis.

Want hoe rabiaat zij haar bestaan ook trachten te ontkennen, Malinche blijft de moeder van alle Mexicanen. Malinche en de Zwarte Maagd hebben alles met elkaar te maken: ze zijn elkaars spiegelbeeld, elkaars andere helft. De Zwarte Maagd, zo analyseert Fuentes, is ‘het geheime voorbeeld van alle Mexicanen: wees onderdanig of doe alsof en de Maagd zal je bedekken met Haar kleed, je zult honger noch kou meer lijden en je zult niet langer een kind zijn van Malinche de hoer maar van de onbevlekte Maagd van Guadalupe’.

In een zijstraat achter de Capilla Real drink ik bier in een koffiehuis. Op de vloer liggen geelgroene tegels en aan de wanden hangen kleden en kruiken, kleding en maskers. In vitrines van glas en verchroomde buizen wordt porselein te koop aangeboden, en poppen in klederdracht, en oorbellen, lippenstift, sigaretten, cola. Tegen een muur staat een ingelijst affiche van Madonna.

Dit is een lyrisch land. Alles heeft met alles te maken. Alles is al eens verklaard, overal zijn verbanden gezocht, gevonden en weer ontkend. En schrijvers hebben het opgeschreven omdat niemand het wilde geloven, Fuentes bijvoorbeeld, die de historische paradoxen op de meest onverwachte momenten in zijn oeuvre citeert, en daarmee aantoont dat de verbanden werkelijk altijd bruikbaar zijn, juist vanwege de onvoorstelbare felheid waarmee Mexico ze elke dag weer probeert te negeren.

In de Madonna achter glas, de geblondeerde popster met het kokette schuldbesef, de naar sadomasochisme lonkende erotiek en de geperverteerde katholieke attributen, herken ik een dochter van de godmoeder Tonantzin, de verkrachte Malinche, en de Zwarte Maagd van Guadalupe. Madonna ís die drie vrouwen, zij is de macht en de schuld en de zuiverheid. Dat ze daarbij ook nog Amerikaanse is, komt mij niet slecht uit. Een moderne god of maagd kan ook in Mexico nauwelijks anders dan uit de Verenigde Staten komen.

Toen Octavio Paz Het labyrint der eenzaamheid schreef, moest Madonna Ciccone nog geboren worden. En zelfs als hij de essays nu opnieuw zou schrijven, zou hij niet snel geneigd zijn een popster uit Detroit te gebruiken voor een alles verklarende analogie.

Opnieuw lees ik het cruciale en onweerstaanbaar mooie hoofdstuk over ‘de kinderen van La Malinche’, het essay waarin Paz begint bij de paradoxale grondtrekjes van het Mexicaanse karakter en eindigt bij een zestiende-eeuwse slavin. Alles heeft met alles te maken, en Paz laat zien dat er een dialectiek bestaat die niet in een studeerkamer bedacht is maar in de loop van eeuwen uit de straatstenen is geranseld. Paz beschrijft hoe de paradox van het Mexicaanse karakter – dat zowel hermetisch is als heftig, zowel argwanend als hoffelijk, zowel nonchalant als hartstochtelijk, zowel schitterend als macaber – verband houdt met de geschiedenis. Die is, zegt Paz, de geschiedenis van een mens op zoek naar zijn afkomst, naar een oorsprong die hij tegelijkertijd wenst te negeren, ‘het diep verborgen centrum van onze angst en onze benauwdheid’.

De crux lijkt me dat de Mexicaan zich een kind weet van een gefascineerde, overweldigde, verkrachte moeder. Zijn geschiedenis begint met een indringer, en een vrouw die passief is, verraad pleegt door zich niet te verzetten. In het nauw gebracht zoekt de Mexicaan zijn toevlucht bij een historische held die wel weerstand bood, maar hij komt uit bij Xicotenga, de krijger in Tizatlán, de koppige Indiaan die tot het laatst probeerde Cortés te weerstaan, vernederd werd en tot loyaliteit werd gedwongen, maar tot twee maal toe de afspraken schond en een opstand organiseerde; dat verzet was zinloos, het werd in de kiem gesmoord voordat het gevaarlijk kon worden. Xicotenga is daardoor niet meer dan een gemankeerde held, net als Cuauhtémoc, erfgenaam van Montezuma, de laatste keizer der Azteken, die door Cortés werd verslagen, gemarteld en opgehangen.

De Mexicaan haat de verraderlijke Malinche, weigert af te stammen van de indringer Cortés, vergoddelijkt tegen beter weten in een Indiaanse held, en is om al die redenen uitermate vatbaar voor de valse maar barmhartige moederschoot van de Maagd van Guadalupe – waar moet hij anders heen?

Een kaart van Magda

Het is de maandagochtend na het ontbijt in Cholula als ik over het centrale plein naar de auto loop en ontdek dat ik mijn sleutel mis. Misschien ben ik hem verloren in de Capilla Real, of in de gangen van de piramide, of ’s avonds op het plein, toen donkere paarse wolken over de stad dreven, en het drie minuten lang onwaarschijnlijk hard regende en ik nog een half uur onder een boom stond te kijken naar de avondlucht in het oosten waar het onweer zich tegen de bergen ontlaadde.

Ik ga terug naar de receptionist van het hotel. Hij geeft me (‘Zojuist bezorgd, senor’) een ansichtkaart zonder afzender of boodschap, en minder dan een seconde denk ik: die moet van Magda zijn, maar de man kan werkelijk geen oplossing bedenken voor de zoekgeraakte sleutel. Dan probeer ik het bij de eigenaar van een restaurant waar ik heb gegeten. Hij blijkt een slotenmaker te kennen, hier vlakbij, één straat verderop, bij de overdekte markt. José, klein, rond, behendige worstvingertjes, komt meteen mee. Een Kever? Koud kunstje. Met een stukje metaal en een schroevendraaier heeft hij in minder dan een paar seconden de deur open, het slot eruit. Na een half uur komt hij weer het plein op lopen, met slot, sleutel, vijl. Slot past, sleutel bijna, en na wat vijlen, wrikken en schuren beter dan de oude sleutel ooit kan hebben gedaan.

Een uur later breekt het asfalt van een weg buiten Cholula in stukken, verandert in grind en vastgeregend zand en steeds diepere kuilen en brede sporen van vrachtwagens. Waar de weg omhoog begint te gaan naar de pas, houdt hij eigenlijk op. Halverwege de helling ligt nog een dorp met een kerk en een plein en een kroeg.

Ik stap uit. Koop een cola. Wijs op mijn auto en naar boven. Hoe kom ik daar? Men neemt mij onverstoorbaar op. Gebaart dan. Rechts van de kerk de straat uit.

Tegen een rotsachtig pad kruip ik omhoog, vooruit- en terugschakelend, gas gevend, remmend als ik achteruit dreig te glijden over natte stenen, de auto giert en gromt, en als ik na een onduidelijke splitsing een spoor heb gekozen dat doodloopt op een omgevallen boom, hobbel ik achteruit terug.

Het monument staat boven op de Paso de Cortés. Het is geen standbeeld of buste, maar een marmeren blok waarvan ik, uit het oosten komend, even denk dat het een voetstuk is waar nog iets bovenop moet hebben gestaan, iets wat gesloopt is door nationalistische Mexicanen met een hartgrondige afkeer van de conquistador en alles wat hij veroorzaakt heeft, henzelf incluis. Maar Cortés staat er wel degelijk, aan de voorzijde, afgebeeld in een bronzen plaquette, een man te paard, omringd door vazallen, geen Indiaanse bondgenoten, geen Malinche – Cortés uitkijkend over de vallei waarin de stad Mexico moet liggen.

Over de geasfalteerde bergweg rijd ik naar beneden, door mistflarden die als natte sluiers tegen de helling kleven, op de achterbank van de auto een Indiaanse vader en zijn zoontje die bij een parkeerplaats boven aan de pas schuilden voor de regen. Ze zijn tegen elkaar aan in slaap gevallen, en schrikken verbaasd wakker als ik in San Pedro stop.

Ik laat ze uitstappen.

‘Gracias,’ zeggen ze.

Ik mompel: ‘Por nada.’

Enkele uren later ga ik haarspeldbochtend over een vierbaanssnelweg weer omhoog, tegen de bergrug op die Mexico-Stad omringt. Men zegt dat de natte zomer in september op zijn einde loopt, maar evenzogoed barst de hemel nu open. Afdalend naar de stad is van een uitzicht geen sprake, het is vroeger donker dan het zou moeten zijn, de vallei is te groot en te ondoordringbaar, ik herken namen van straten maar zelfs op de plattegrond raak ik de weg kwijt. Er is een brede laan die Cuauhtémoc heet, maar die lijkt de enige niet te zijn. Er is een straat die Xicotenga heet, maar ik kan niet besluiten of ik die in moet rijden. Op de kaart leek het genummerde geometrische stratenpatroon uiterst overzichtelijk, en op een kalme zondagmiddag was er waarschijnlijk niets aan de hand geweest. Nu moeten plotseling een paar miljoen auto’s door het halfduister ergens naar toe en verdwaal ik hopeloos.

Herhaaldelijk moet ik in slecht verlichte straten uit de auto stappen, rijbanen vol kuilen en plassen oversteken en bij een winkel of kiosk kleumend de weg vragen naar het midden van de metropool. En als ik laat op de avond een hotel vind in de buurt van het steenoude Chapultepec-park, stap ik doorweekt de receptie binnen. Ja, ik wil een kamer. Nee, ik blief niets meer te eten. Ik heb het koud verdomme, koorts heb ik, ik moet vannacht een extra deken maar ik weet niet wat een deken is, en in de Amerikaanse reisgids staat wel hoe ik tot honderd kan tellen, maar niet hoe ik uit moet leggen dat ik door drie verschillende klimaten en seizoenen ben getrokken, en dat deze herfst nu te kil en te klam voor me is, en senor, geeft u mij nu als de bliksem een borrel.

Aan een formica tafeltje in het restaurant lees ik bij vier, vijf glazen wodka de eerste honderdveertig pagina’s van De dood van Artemio Cruz, nog een andere roman van Fuentes. Cruz is de oude, doortrapte en steenrijke sjoemelaar die een smakeloos, bijeengelogen leven achter zich heeft. Op zijn sterfbed realiseert Cruz zich dat het niet anders had kunnen lopen. Het zat in zijn genen, Mexicaan als hij is, zoon van de grote alomvattende eeuwigdurende verneukerij, van ‘chingar’

Chingar, zegt Fuentes, is het wachtwoord van Mexico. Het is een onomatopee, afgeleid van het geluid dat een groot vlijmscherp kapmes maakt als het met geweld in een blok hout wordt gezet. De vele betekenissen van het woord en zijn vervoegingen, of die nu positief zijn of negatief, actief of passief, houden verband met hakken, snijden, doorboren, overweldigen, binnendringen. De seksuele connotaties zijn talrijk, het is naaien of genaaid worden. Het is alledaags cynisme. Maar volgens Fuentes is chingar ook een ‘bezwering, voornemen, groet’. Het is de ‘kreet van de wanhopigen’, de ‘bevrijding van de armen’, het ‘bevel van de machtigen’. Het hoort bij twist, liefde, dreiging, spot, het is het ‘woord dat getuigt, dat ieder feest en iedere dronkenschap vergezelt, zwaard van de moed, troon van de kracht, hoektand van de lippendienst, blazoen van het ras’.

‘Een Mexicaan is altijd een probleem, zowel voor een andere Mexicaan als voor zichzelf,’ schreef Octavio Paz, die het dubbelzinnige ‘chingar’ verbindt met de Mexicaanse dialectiek van het opene en het geslotene: de wantrouwende man die zich afsluit, zich niet laat kennen, de man die veinst iets anders te zijn dan hij is en voor wie tegelijkertijd niets belangrijker is dan uit te vinden wie hij is. Desnoods met geweld zal hij daarnaar zoeken, als het moet zal hij de geschiedenis openbreken als een schelp. Die schelp is zijn verleden, zijn bedrogen en verkrachte moeder, de vrouw die zich weerloos opent, die gewelddadig geopend, gebeten en geschonden is. Die vrouw wordt La Chingada genoemd.

En Paz trekt dan de lijn door naar La Malinche. Want al wordt zij in Mexico nooit met name genoemd, de archetypische La Chingada voert wel op haar terug, in al haar gruwelijke ambiguïteit. Malinche is verkracht, maar heeft zich laten verkrachten. Ze was weliswaar weerloos, maar die weerloosheid is onsmakelijk, bedorven en abject. Het is de weerloosheid van een ‘gelaten hoop bloed, beenderen en stof’. Zij is de moeder en de hoer aan wie het verraad kleeft.

De Mexicaan heeft een mateloze afkeer van het slachtoffer, en daarmee van zichzelf. Ik begrijp het, maar begrijp het maar half. Want als je bereid bent het perspectief iets te verschuiven, is het mogelijk Malinche te zien als nog iets anders dan een slachtoffer. Dan wordt het voorstelbaar dat Malintzin uiteindelijk allerminst weerloos was, maar doelbewust koos. Dat zij niemand verraadde, omdat ze nog aan niemand loyaal was geweest. Zou het mogelijk zijn dat ze maar al te goed besefte hoe groot haar rol was, van welk belang zij was als ‘de taal van Cortés’? Als je haar niet langer weerzinwekkend vindt, kun je beginnen te vermoeden dat zij het hiaat in de geschiedenis herkende, de breuklijn, en vanaf dat moment de gebeurtenissen naar haar hand zette.

Verward ben ik naar mijn kamer gegaan, aan de straatkant op de vijfde verdieping. Onder een laken en een deken, en nog een deken en een laken die ik van het andere bed heb getrokken, duik ik in een inktzwarte droomloze slaap waarin ik niettemin de bastonen van een discotheek tegenover het hotel blijf horen. Midden in de nacht schrik ik wakker, het is doodstil, ik heb de smaak van rode aarde in mijn mond maar de bas is verdwenen. Volgens de verlichte cijfers op de klokradio is het twee uur. Boven mijn linkeroog dreunt de koppijn. Ik heb een kater en ik ben klaarwakker, en als ik een hete douche heb genomen, en een pijnstiller geslikt, en het dreunen langzaam verandert in een dof gelijkmatig zeuren, slaap ik nog altijd niet.

Met een kop vol snot ga ik de volgende dag naar het atelier van Magda in Coyoacan. Vanaf het metrostation loop ik door een in beton uitgehakt winkelcentrum waar me zomaar het Amerikaanse woord mall te binnen schiet, alsof het in fluorescerende kapitalen op een muur geschreven staat – wat niet zo is. Ik loop door brede lanen, langs appartementencomplexen met deuren van gehard glas, en langs ommuurde villa’s. Aan het eind van een laan kom ik bij een T-splitsing en een bushalte met een bordje waarop zomaar in hardblauwe letters de naam Malintzin staat. Daarachter bevindt zich het Plaza Hidalgo.

Het plein is genoemd naar Miguel Hidalgo y Costilla, maar dat zegt niets: in iedere stad en ieder dorp is wel een kasseienstrook genoemd naar de priester met wie in 1810 de strijd voor de onafhankelijkheid van Mexico begon, een strijd die elf jaar duurde en het land slechts nieuwe verdeeldheid bracht, nieuwe leiders ‘die minder groot bleken dan hun volk en hun revolutie’, presidenten die onbetrouwbaar waren, verraden werden en de een na de ander vermoord. ‘Arm land,’ zegt de stervende Artemio Cruz bij Fuentes. ‘Arm land dat bij iedere nieuwe generatie de oude bezitters moet verpulveren en ze door nieuwe bazen vervangen, die even roof- en roemzuchtig zijn als hun voorgangers.’ Dat wat Cruz sceptisch en bitter onafhankelijkheid noemt, begon met de priester Hidalgo, maar het enige dat het naar hem genoemde plein in Coyoacan onderscheidt van al die andere pleinen, is dat ook de áfhankelijkeid hier begon, nog eens driehonderd jaar eerder.

Het motregent op witte, vierkante stoeptegels en ik probeer de Spaanse tekst te ontcijferen op een gevelsteen die is ingemetseld in een muur aan de noordzijde van het plein. Ik weet wat die plaquette wil zeggen, heb ergens een vertaling gelezen, en even is het alsof ik de Engelse tekst over de Spaanse leg, alsof ik een herinnering toets – wat niet kan. Ik open een logge deur, ga een poortje door en kom langs een portiersloge waar ansichtkaarten worden verkocht. Rond de binnenplaats lijken ambtelijke instanties gehuisvest te zijn. Een post- en telegraafkantoor misschien. Of de burgerlijke stand. Dit pand was het stadhuis van Coyoacan voordat het, nog geen halve eeuw geleden, werd geannexeerd door Mexico-Stad waarvan de buitenwijken als een lawine van modder en stenen over het dorp waren gespoeld.

Dit is opnieuw een Casa de Cortés. De muren die Hernán Cortés hier ooit heeft laten optrekken, zijn weer neergehaald. Volgens de tekst op de gevelsteen dateren de bestaande muren van de achttiende eeuw. Ze zijn gebouwd door nazaten, erfgenamen van het Marquesado del Valle de Oaxaca, de gronden die Hernán Cortés met de titel van markies van de Spaanse koning kreeg en waartoe ook Coyoacan behoorde. In het oude huis liet Cortés de laatste Azteekse keizer martelen.

Dat was Cuauhtémoc, het neefje van Montezuma. De kop van Cuauhtémoc staat op de ernstig gedevalueerde Mexicaanse biljetten van vijftigduizend pesos. Cuauhtémoc is een held – maar een Mexicaanse held. Hoe je het ook bekijkt, hoeveel geschiedenis je desnoods bereid bent te negeren, uiteindelijk is hij een gemankeerde held – zoals Xicotenga dat was in Tizatlán.

Cuauhtémoc is degene die vijfenzeventig dagen lang op de eilandenstad Tenochtitlán de belegering van de Spaanse conquistadores weerstond. Die het vlees van gevangen genomen Spanjaarden kruidde met een saus van peper en tomaten, en hun hoofden op palen zette. ‘Hun haar en baarden waren veel langer geworden dan toen ze nog in leven waren; ik had het nooit geloofd als ik het niet gezien had,’ schreef Bernal Diaz del Castillo. Toen Cuauhtémoc gevangen werd genomen, vroeg hij Cortés om een genadige dood. Die kreeg hij niet. De laatste keizer werd gevangen genomen en in het Casa de Cortés in Coyoacan gemarteld omdat hij niet wilde zeggen waar de schat van zijn oom was gebleven. Toen hij bleef volhouden dat het goud en het zilver vier dagen voor de val van Tenochtitlán in het Texcoco-meer was gegooid, werd Cuauhtémoc alsnog opgehangen.

Aan een raam met uitzicht op het Plaza Hidalgo liet ik me zwarte koffie brengen en papieren servetten en begon ik gedachteloos aan Magda’s kaart te pulken, totdat daarvan niets over was dan rode snippers en verkruimeld karton. Enkele uren eerder was ik gaan kijken naar de ansichtkaart die Magda naar het hotel in Cholula had gestuurd. In het Museo Nacional de Antropologfa, in het Chapultepec-park. Van de drieëntwintig zalen rond een gedeeltelijk overdekte binnenplaats is slechts een halve zaal gewijd aan het ontstaan van de natie. Er is een doek van een onbekende schilder dat de inname van Tenochtitlán weergeeft. Daartegenover de wapenuitrustingen van Spanjaarden en Mexica’s, een maliënkolder, de helm van een paard, knuppels en speren, een zwaard en het vaandel met een biddende maagd. En aan de zijwand hangt Magda’s ansicht, La fusion de dos culturas, Jorge Gonzalez Camarena, 1963, een ruiter te paard en een krijger in vogelpak die elkaar doorboren tegen een metersbrede vlammende achtergrond.

Ik keek ernaar en er viel niets te begrijpen. Magda had me de kaart opgestuurd als index bij haar Mexicaanse les. Dit was het. Meer was er niet.

Ik was nog een uur door het museum gedwaald, maar nam niets meer op van wat ik zag. In een

toilet had ik opnieuw een pijnstiller geslikt, en ik was naar buiten gegaan, het museum uit, het voorplein af, de brede Paseo de la Reforma over, dieper het park in, langs een vijver, een hol op naar de ingang van het nationaal historisch museum. Dat had mij al even weinig te melden over Cortés en Malinche. In een vitrine in de hal lag slechts het eerste deel van de kroniek van Bernal Diaz del Castillo, een zeer vroege gebonden editie, en ik herinnerde me dat de oude soldaat beschrijft hoe Cortés werd aangesproken met Malinche – ze spraken hem aan bij wat haar naam zou worden.

In een van haar laatste brieven had Magda onder verwijzing naar Octavio Paz iets geschreven over ‘malinchistas’, en pas nu drong tot me door wat ze daarmee had bedoeld. Malinche was ten slotte een geuzennaam geworden voor wie zich verzette tegen de genetisch bepaalde zelfhaat, tegen de dwangbuis van de anachronistische isolatiepolitiek, en overigens tegen alles wat naar conservatisme rook, van de opgedrongen lijdzame rol van vrouwen tot aan het koppig afwijzen van een handelsverdrag met de Verenigde Staten.

De term, schreef Magda, was haar beter gaan bevallen naarmate haar beelden in New York tegen hogere prijzen werden verkocht. Ik was het Chapultepec-park uit gelopen naar de eerste de beste metro-ingang.

Het is kort voor vier uur als ik het plein in Coyoacan oversteek, de straat naast de parochiekerk in loop, naar een kleiner plein, het Plaza de la Conchita, vroeger Plaza de la Concepción geheten. Op de hoek van de straat staat een uit rode steen opgetrokken huis. Ik kijk er waterig naar, argeloos, onoplettend, totdat ik plotseling besef dat dit het huis moet zijn waarvan gezegd wordt dat Cortés het bouwde voor Malinche. Uiteraard wist ik dat het hier stond, en tegelijkertijd weet ik het niet, of niet meer. Het rode huis is niet toegankelijk voor het publiek.

Midden op het plein staat een majestueuze witte boom. Ik loop erheen, zet mijn schoudertas neer, ga tegen de natgeregende stam zitten en vergeet mijn afspraak met Magda.

Als ik uren later in het hotel om de sleutel van mijn kamer vraag, overhandigt de receptionist me een briefje. Magda. Het spijt haar dat ik tevergeefs voor de deur van het atelier heb gestaan, misschien uren in de regen heb gewacht. Ze had het me willen schrijven op die ansicht in Cholula, maar realiseerde zich pas vanochtend, vlak voordat ze in een taxi naar de luchthaven, in het vliegtuig naar New York zou stappen, dat ze die onbeschreven had verzonden.