Alles van waarde wordt gratis

Niets is heilig op Internet – en nieuws al helemaal niet. Het valt niet te verkopen, hoe hoog ook de kosten om het te maken. Nieuws moet gratis zijn, net als amusement, sport, muziek, e-mail, beurskoersen en de Britannica.

HET goede nieuws is dat de Encyclopedia Britannica voortaan gratis is.

Het slechte trouwens ook.

Want als het veertig delen dikke, 231 jaar oude en uiterst eerbiedwaardige naslagwerk geen 2500 gulden meer opbrengt, is er ook geen geld meer voor een redactie om de Britannica bij de tijd te houden, en sterven de duizenden lemma’s langzaam maar zeker van ouderdom af.

Dat is even schrikken.

De curieuze stap van de Britannica – minder Brits dan je zou denken: het bedrijf wordt al een eeuw vanuit Chicago gerund – bewijst dat op het web niets heilig is – en ‘content’ al helemaal niet. De laatste weken begonnen bedrijven als Wish, Zonnet en Freeler toegang tot Internet weg te geven, maar al langer was óp dat wereldwijde computernetwerk van alles en nog wat voor weinig te krijgen. Geen product of er is wel een website die het weggeeft, signaleerde The New York Times.

Van computerprogramma’s tot complete computers. Legale én illegale pophits. Elektronische post en software om die te lezen. Disney-cartoons en televisiebeelden van CNN. Halve woordenboeken en heel veel porno. En daarbovenop al het nieuws that’s fit to print, van de voetbaluitslagen uit de vierde onderafdeling via de beurskoersen tot en met de essays van zeer gerespecteerde auteurs.

Op het net, zeggen ‘visionaire’ denkers als Kevin Kelly, oprichter van het Amerikaanse magazine Wired, heeft alles de neiging gratis te worden. Dat heeft te maken met de wortels van het web. Want Internet is in de jaren zestig bedacht bij Amerikaanse overheidsinstellingen en dito universiteiten. Het was bedoeld om kennis te délen, niet om die te verkopen. Die mentaliteit is nooit helemaal overwoekerd door winstbejag, waardoor consumenten de indruk konden krijgen dat het net eigenlijk één oneindig grote, gratis encyclopedie is. Schaarste, zegt Kelly, bestaat niet meer. Er is alleen nog overvloed.

Wie toch geld wil verdienen op Internet, moet zich uit dat drijfzand zien te redden. En begint ‘gratis!’ te roepen. Zo doet het Amerikaanse SportsLine, een site met sport-uitslagen, trouwe bezoekers petjes en T-shirts en bioscoopbonnen cadeau. Alleen zo vallen klanten te paaien. Rijk word je er niet meteen van; hoe dat moet, bedenken we later wel.

De Britannica redeneert niet anders. De encyclopedie heeft de omzet sinds 1989 zien dalen van 650 miljoen dollar tot iets meer dan de helft. Een uitgave op cd-rom was niet half zo multimediaal als de Encarta (een encyclopedie op cd-rom) van Microsoft. Een website flopte, omdat daar vijf dollar abonnementsgeld moest worden betaald – terwijl Internetters het vertikken te betalen. Dan maar de lucht in, moeten ze in Chicago hebben gedacht, toen besloten werd de encyclopedie gratis op het net te zetten. De Britannica, denkt men, is een ‘sterk merk’ en moet zoveel bezoekers kunnen trekken dat de website aantrekkelijk is voor adverteerders.

Zeker is dat niet. In elk geval zo onzeker dat Sander Bekkers, bij Elsevier verantwoordelijk voor de Winkler Prins, er niet over piekert de Britannica achterna te gaan. Internet, zegt hij, is ‘een gevreesd en onduidelijk soort medium. Het verandert nogal wat voor uitgevers. Maar tegelijk zie je dat sommige dingen niet doorzetten. Informatie aanbieden op een bedrijfseconomisch verantwoorde manier is niet mogelijk, blijkbaar.’

Niet dat Bekkers is blijven hangen in de bruine gebonden delen. Sinds een jaar of wat verschijnt de Winkler Prins als Nederlandse editie van Encarta. De cd-rom van 199 gulden doet het voortreffelijk. Veertig- tot vijftigduizend verkochte schijfjes per jaar, waarvan de opbrengst wordt gedeeld met Microsoft, dat de technologie inbracht. Elsevier heeft een marktaandeel van bijna 75 procent, en kijkt goedgemutst terug op twintigduizend verkochte exemplaren van de laatste papieren Winkler Prins. Terwijl die toch 4550 gulden kostte.

Dankzij Microsoft is zijn encyclopedie toegankelijker geworden, zegt Bekkers. Naslagwerken worden vooral verkocht aan jonge gezinnen: je hebt een huis, een auto, twee kinderen én een encyclopedie. Maar de inhoud was traditioneel allerminst op dat publiek afgestemd. ‘De Britannica is daar het extreme voorbeeld van. Daar is voor een twaalfjarige scholier geen lol aan te beleven. Wij zijn er ook nog niet, maar proberen steeds dichter in de buurt te komen van de oorspronkelijke Encarta.’

Volgens Bekkers zal Microsoft gretiger dan Elsevier proberen de encyclopedie op Internet te exploiteren. ‘Zij geloven er heilig in. Wij zijn wat sceptischer. Omdat het net te traag is. Dat gaat met een cd-rom efficiënter. Nu geven we via het net een jaar lang gratis updates weg. Ben ik tegen, want ik ben tegen gratis informatie. Maar als de markt erom vraagt, dan draaien we. De andere kant van de medaille is dat het je niet bijt als je het doet. Het kannibaliseert niet je bestaande verkopen. Dat is verrassend, ja.’

Daartoe aangezet door Microsoft, denken ze bij Elsevier tegenwoordig anders over naslagwerken en wat dat nu eigenlijk is, een encyclopedie. Misschien gaat het minder om de informatie dan om de mogelijkheid die te doorzoeken. Bekkers: ‘Het wordt steeds duidelijker dat Yahoo! en AskJeeves (een zoekmachine op Internet waaraan je simpele vragen kunt stellen, HB) de echte concurrenten zijn. Wij hebben die markt ook gemist, net als de Britannica. Wij hebben ook geen zoekmachine. Misschien moet dat nog. Dan moet Elsevier Yahoo! maar kopen.’

Elsevier moet iets. Net als alle Nederlandse uitgevers. ‘Want de Amerikanen komen naar Europa’, zegt Liesbeth Hop van Pro Active, een snel groeiend bureau voor Internet-marktonderzoek. ‘Amerikaanse zoekmachines, advertentie-netwerken als Doubleclick, grote contentbedrijven als Disney en CNN. Als Nederlandse bedrijven niet snel partners zoeken, kunnen ze het shaken. Niemand redt het nog alleen. Je moet willen partneren. Aansluiten bij iemand die al een groot bereik heeft. Daarmee koop je tijd.’

Samenwerken lijkt te meer onontkoombaar omdat advertenties niet zaligmakend zijn. Vorig jaar verdubbelden de reclamebestedingen op het net wereldwijd nog tot 2 miljard dollar. En onderzoekers van het Amerikaanse Jupiter voorspellen dat dit bedrag oploopt tot 11,5 miljard dollar in 2003, meer dan tegen die tijd wordt uitgeven aan kabeltelevisie of tijdschriften. Maar dan nog, zeggen sceptici, zal het nooit genoeg zijn om al die websites te betalen.

Uitgevers moeten het niet zoeken in zoveel mogelijk bereik, zegt Hop, maar in zo goed mogelijk bereik. ‘Banners en buttons zijn leuk voor korte-termijn-effecten. Even een prijsvraag. Dat is quick and dirty bereik kopen. Maar op lange termijn gaat het om merkentrouw. Mensen hebben op het net respect voor bedrijven die ergens als eerste mee gekomen zijn. Daar heb je wat aan. Met die mensen ga je een relatie aan.’

Optimisten geloven dat de gratis-manie zal overwaaien, dat het maar een tijdelijk probleem is, een paardenmiddel waarmee de markt nu verdeeld wordt; als die fase achter de rug is, gaat iedereen weer normaal doen, en geld vragen. Hop gelooft daar niets van. En wijst op de website van Openbaar Vervoer Reisinformatie. Die was gratis. Ging geld vragen. En was meteen mateloos impopulair. Hop: ‘Wat nu gratis is, zal nooit meer betaald worden. De eerste die gratis gaat, trekt de anderen mee. Andersom niet, het is niet om te draaien.’

Uit: de Volkskrant, 29.10.1999

Reacties zijn gesloten.