Op zoek naar de niet-lezer

Wat doet de niet-lezer als hij niet leest? Waar haalt hij (of zij) informatie vandaan, hoe vormt hij zich een wereldbeeld, hoe kwam hij te weten dat Andre Hazes dood was gegaan?

Van die niet-lezers zijn er steeds meer. Vroeger dachten we dat dat van de televisie kwam die van alle lezers gelijkelijk kijkers maakte. Nu begrijpen we beter dat het ‘m zit in geboortecohorten.

Geboortewat? Cohorten. Een cohort omvat bijvoorbeeld iedereen die werd geboren tussen 1978 en 1982 – de jaartallen zijn willekeurig. Die cohorten kun je door de tijd heen volgen. Dan zie je dat ze wel heel erg anders zijn dan andere cohorten, als het om mediaconsumptie gaat, maar zichzelf gelijk blijven.

Wie opgroeide als niet-lezer, heeft een hele grote kans dat hij zijn leven lang niet-lezer blijft, precies zoals de ‘geboortegolvers’ van kort na WOII hun hele leven lang in grote meerderheid enthousiaste lezers zullen blijven.

Wat dat betekent voor de producenten van leesspul? Kort & goed: de lezers gaan dood, de niet-lezers krijgen geleidelijk de overhand. De resultante van die twee: kranten as we know them gaan dood.

Voor de krantenman die ik voor alles ben, trouw tot aan de hemelpoort, maakt dit het onderzoek naar de niet-lezer zo razend interessant. Als ik weet wat hij doet als hij niet-leest, kan ik een product bedenken, een medium, een informatieoverdrager, die ik hem wel kan slijten.

Tenzij de niet-lezer niet alleen de krant als informatiedrager overboord heeft gekieperd, maar ook zijn belangstelling voor informatie as such onderweg ergens kwijt is geraakt.

Dat zou erg zijn. Want informatie is immers de humus onder een democratische samenleving. Wie zich niet meer informeert, heeft geen argumenten meer en kiest voor een dictatuur van de dogma’s.

Popup: Het beeldscherm

Waarom leest de niet-lezer niet? Dat komt vooral van het beeldscherm, zegt socioloog Wim Knulst, onder andere in het boek De lastige lezer (uit 2001, inmiddels bij De Slegte).

Het is natuurlijk waar, zolang je althans onder lezen het lezen van boek, blad of krant verstaat. Veel interessanter wordt het zodra we accepteren dat de optelsom ingewikkelder is: lezen doen we ook van een beeldscherm, pc of teletekst-tv, en bij dat lezen zit heel veel lezen dat niets te maken heeft met het opdoen van informatie (msn bijvoorbeeld), alhoewel we tegelijkertijd misschien geweldig onderschatten hoe msn en andere vormen van chat of nieuwsgroepen of blogs de rol van traditionele media hebben overgenomen.

Vraag is wat we er van vinden.

Is lezen van een scherm inferieur aan het lezen van een boek? Is het een dommere bezigheid (wat je zou kunnen denken als je ziet hoe makkelijk het kinderen van acht al afgaat)? Is het geduldig uitlezen van Umberto Eco een moreel gezien hoger te waarderen bezigheid dan het verstouwen van 342 sms-jes per dag?

Na alles wat we de afgelopen vijftig jaar hebben gedaan om het lezen te bevorderen, van literatuuronderwijs tot gratis bieb en van kinderboekenweek tot krant-in-de-klas, gaan we er gemakshalve van uit dat dat allemaal een goed doel diende. Daarbij hoort het idee dat die nieuwe generaties er te weinig de tijd voor nemen, zich almaar ongans haasten, geen geduld meer kunnen opbrengen.