Het spookt weer in de poezie

Joost Zwagerman en Ilja Leonard Pfeijffer waren ooit elkaars tegenpolen. Maar met hun nietsontziende nieuwe dichtbundels lijken ze bijna ‘soulmates’. Overdonderende hoogmoed – voor minder doen ze het niet.

Met een bloedgang komen Joost Zwagerman en Ilja Leonard Pfeijffer vanuit tegenovergestelde richtingen op dezelfde kruising af. Het is een bizar schouwspel, en het gaat nog goed ook. De meester van het modieuze ontmoet de schrik van dichtend Nederland.

Beiden vliegen er vol in. Het resultaat is overdonderend: twee bundels poëzie vol ratelende taal en woeste associaties. Nietsontziende heftigheid. Bijtgrage regels. Over Alles. En over de Liefde.

Met Zwagerman en Pfeijffer spookt het weer in de poëzie, en dat werd tijd. De laatste jaren was het al snel goed genoeg. Alles mocht. Alles kon. Maar niet bij Pfeijffer, voor wie poëzie oorlog is. En niet bij Zwagerman, die met Roeshoofd hemelt een bundel schreef als een blok beton. Waar hem wel eens ondraaglijke lichtheid werd aangewreven, dicht op de huid van de tijd maar onbeduidend, wil Zwagerman met Roeshoofd wel ergens over gaan.

Pfeijffers inzet is even verzengend. In de naam van de hond rochelt en knettert, zingt en schreeuwt, jammert en jeremieert. Vijftig jaar na de Vijftigers is bij Pfeijffer, net als bij Zwagerman, de geest van Lucebert opgestaan. Niet als spel, maar als bloedige ernst. Het is niet de enige overeenkomst. Want beide bundels zijn dik, ruim honderd pagina’s bij Zwagerman, ruim 140 bij Pfeijffer. Beide zijn ongebreideld lyrisch en staan berstensvol uitzinnige nieuwe woorden.

Schotschrift

Ze komen, als gezegd, uit tegenovergestelde richtingen. Zwagerman was eind jaren tachtig de woordvoerder van de Maximalen, een dichtersbende die tekeer ging tegen nodeloos moeilijke poëzie. In zijn schotschrift Het juk van het grote niets (1987) veegde Zwagerman de vloer aan met overacademisch geneuzel en het betekenisloze geprak van Kouwenaarepigonen als Wiel Kusters. Poëzie moest toegankelijk. Rumoer moest klinken. Even was er een rel. Toen liep de revolte vast in de zandbak van alles-mag en niets-is-beter.

Pfeijffer is tien jaar jonger en radicaal anders. Ilja Leonard, classicus te Leiden en poëziebespreker van NRC, zorgt voor evenveel tumult, maar is vooral de woordvoerder van zich zelf. Met zijn pamflet De mythe der verstaanbaarheid (2000) zette Pfeijffer zich juist af tegen onmiddellijk behapbare poëzie, tegen het strominkje dus dat met Zwagerman begon.

Een eenmansvendetta was het tegen sentimentaliteit en toegankelijkheid, tegen de gewone-mensentaal van dichters rond podia in Utrecht en Groningen. “Moeilijke poëzie is altijd beter”, blafte Pfeijffer.

Ondanks hun komaf, lijken Zwagerman en Pfeijffer nu bijna soulmates. Broertjes. De dikke en de dunne. Niets moeten ze nog hebben van geprevel op de millimeter. Overdonderende hoogmoed – voor minder doen ze het niet. Voor Pfeijffer (‘poëzie is oorlog’) is dat niets nieuws, maar bij Zwagerman lijkt het op een coming out. Hij was vooral de bestsellerauteur van trendy romans als Gimmick, de romancier die er slechts wanneer de taal hem uitbrak als koorts een dichtbundel bij deed.

Hedonisme

Zwagerman vond zichzelf telkens opnieuw uit. Speels, alsof niets er toe deed, vrolijk shoppend uit het postmoderne hedonisme, alsof hij erin wilde verdwijnen. “Ik weet niet wie ik ben, ik geloof zelf niet wat ik zeg, en ik weet al helemaal niet of dat erg is”, zei hij in een interview.

Naast hem lijkt Pfeijffer een dichter pur sang, voor wie een roman – hij heeft succes met Het grote baggerboek – een soort buitenland is. Pfeijffer behoort tot wat Ruben van Gogh de laatste generatie dichters van de twintigste eeuw noemde, dichters van het beeldrijke internettijdperk, hyperbewust van de media en van zichzelf, van computeranimaties, film en hiphop. Performers, slamdichters. Hoe groot ook zijn afkeer van ‘het puistig provoceren op een popi podium’, ook Pfeijffer is zo’n podiumbeest.

In Roeshoofd hemelt haalt Zwagerman zichzelf en zijn generatie over de hekel. Zijn hoofdpersoon Roeshoofd shopt in een supermarkt zo groot als de kosmos. Alles is er te koop, niets lijkt van waarde. Maar als Roeshoofd iets jat, wordt hij opgesloten in een inrichting en gaan feiten en fictie met elkaar aan de haal.

Roeshoofd zit klem tussen de alles-kan-maatschappij en het niets-mag-gesticht, tussen de psychotische vrijheid (beschreven in vrije verzen) en het dwangbuis (beschreven in een vaste vorm waarbij zelfs de rijmdwang precies dat betekent: dwang).

Het is een fascinerende bundel. Pathetisch en rauw van wijsheid. Vlezig als een doorligplek, doldriest en volslagen romantisch. En bij dat alles buitengewoon slim – en ook weer wezenlijk anders dan Pfeijffers In de naam van de hond. Want dat boek is net zo lyrisch en maniakaal, net zo overstelpend en subversief, maar minder hecht, minder een verhaal.

Pfeijffer wil ook iets anders. Poëzie met kloten, gevaarlijke gedichten vol ‘vloedgolfwoordbreukwoorden’, over de liefde of over poëzie. Hij doet dat virtuoos, soms melig, soms banaal (‘laten we niet lullig doen er zijn op de wereld//evenveel tieten als mensen’), maar met briljante vondsten (‘er zit hinder in de haag’ is prachtig omdat het woord hinderlaag erin doorklinkt).

Zolang ze effect hebben, ontroeren of ontregelen, is er niets tegen toegankelijke gedichten. Maar de inzet mag best wat hoger. De poëzie van Zwagerman en Pfeijffer verdient navolging en debat. Andere dichters zouden de uitdaging moeten aangaan. Een perfecte technicus als Menno Wigman barst straks uit in exuberantie. Theatrale dichters als Mustafa Stitou en Ramsi Nasr poken de poëzie nog verder op. Het spookt weer in de poëzie. En dat is waarachtig een feest.

Joost Zwagerman, ‘Roeshoofd hemelt’ (De Arbeiderspers), € 15,95.

Ilja Leonard Pfeijffer, ‘In de naam van de hond’ (De Arbeiderspers), € 15,95.