Het idealistische begin van internet

8 mei 2005 Geen categorie 0

de Volkskrant, 12 november 1999

IDIOOT IS het niet om het internet te laten beginnen in 1995. Want dat was het jaar waarin een lange slungel uit Wisconsin ineens op de omslagen van alle zichzelf respecterende Amerikaanse magazines verscheen. Hij bleek Marc Andreessen te heten en had zo’n beetje eigenhandig een nieuw massamedium bedacht. Als nerdy ondernemer schreef hij een computerprogramma – de Netscape-browser – waarmee van het ene op het andere moment miljoenen mensen met elkaar gingen communiceren. Andreessen werd in de media de messias van een nieuwe wereld, en op Wall Street multimiljonair.

Dat was 1995; het begin van internet zoals we dat nu kennen, een computernetwerk met wereldwijd tweehonderd of inmiddels driehonderd miljoen gebruikers. Het net zou ook ouder kunnen zijn. Je kunt het ook laten beginnen op 23 januari 1993, de dag waarop Andreessen vanaf een computer op de universiteit in Illinois zijn eerste versie van het bladerprogramma Mosaic, de voorloper van Netscape, de wereld in stuurt. Andreessen is dan nog volstrekt naïef. Niet op geld belust. Een wat boerse werkstudent die flabbergasted naar zijn beeldscherm zit te turen als de reacties op Mosaic binnenstromen. Even verbaasd en verrukt als Gutenberg boven z’n eerste gedrukte boek.

In A Brief History of the Future, een voortreffelijke studie over de oorsprong van internet, noemt John Naughton Andreessen wel, maar pas tegen het eind. De eigenlijke wortels van het net zoekt hij dieper. Dat heeft alles te maken met het perspectief van Naughton, een Ierse wetenschapper die al sinds 1987 een column voor de Britse krant The Observer schrijft en enige faam geniet als internet-watcher. Wanneer hij het net typeert als ‘een van de meest opmerkelijke zaken die de menselijke soort ooit heeft voortgebracht’, rangschikt hij het net naast andere grote wetenschappelijke vindingen, ergens halverwege penicilline en atoombom.

Dat lijkt een ander internet dan waar media nu over schrijven, het net van piepjonge miljardairs, overhaaste beursintroducties en opgeleukte winstverwachtingen. Met die wereld heeft Naughton niet veel affiniteit. Hij is niet geweldig geïnteresseerd in de entrepeneurs van Silicon Valley. Hem gaat het om het internet als resultaat van een reeks uitzonderlijke ontdekkingen, als product van een academisch milieu, dat het nooit zo ver had kunnen schoppen als iemand reeds in de beginjaren op het onzalige idee was gekomen dat hij ook enorm rijk kon worden.

Naughton noemt ze allemaal, de vaders van het internet. Vooroorlogse wiskundigen die het concept van een internet al voorzagen voordat het technisch mogelijk werd. De wetenschappers uit de jaren zestig die voor het Pentagon computers aan elkaar knoopten. De Britten en Amerikanen die packet switching ontwikkelden, een techniek voor het versturen van informatie zonder welke internet niet zou bestaan. Tot aan Tim Berners-Lee, de Brit dankzij wie sinds 15 januari 1991 het world wide web bestaat, de man aan wie de wereld zulke zaken als de homepage en het internet-adres url te danken heeft.

Voor Naughton is Berners-Lee de archetypische internet-bedenker. De Brit had onmenselijk rijk kunnen zijn, maar heeft er geen moment over gepiekerd zijn vinding commercieel uit te baten. Hij is wetenschapper gebleven, schermt zijn privé-leven af, doet nuttig werk als een van de leidende figuren achter de verdere technologische ontwikkeling van internet, en rijdt naar het schijnt nog steeds in een Volkswagen Kever. Daarmee is Berners-Lee voor Naughton zowat de verpersoonlijking van een ideaal, een wereld waarin bezit er niet toedoet, auteursrecht een achterhaalde notie is, en technologie een democratisch recht.

Eigenlijk, zo wordt in Naughtons kleine geschiedenis duidelijk, is het internet voor de Ier al bijna een verloren paradijs. Hoewel het boek over de toekomst lijkt te gaan, schrijft hij met opvallend veel melancholie over het recente verleden. Het lijkt allemaal op de weemoed van een veertiger om de flower power uit de jaren zestig – niet toevallig ook het tijdsgewricht waarin het allereerste internet ontstond. Naughton heeft heel veel waardering voor de mentaliteit en het ontwapenende altruïsme van een man als Berners-Lee, en wantrouwt bijna alles wat het internet sinds de eerste browser van Marc Andreessen aan hypes heeft opgeleverd.

Bíjna alles – want dankzij het net kon ook de open source movement ontstaan, een beweging waarin de anarcho-liberale idealen van het oude internet voortleven: software zonder eigenaren, die zijn voortreffelijkheid juist dankt aan het feit dat duizenden hobbyisten er belangeloos aan meewerken.

Het bekendste voorbeeld nu is Linux, een besturingssysteem voor computers waarvan de kern is ontworpen en gratis verspreid door de Fin Linux Torvald. Geamuseerd vertelt Naughton hoe managers van computerconcern IBM ooit een deal wilden sluiten met de makers van het op Linux gebaseerde internet-programma Apache, en ontdekten dat die makers geen brievenbus hadden, laat staan een bankrekening waarop de fee voor een licentie op Apache kon worden overgemaakt.

Dat is het internet waarvoor Naughton valt. Niet het net van de netwerk-economie en de groei zonder inflatie, maar het net als cultureel fenomeen, als een wereldwijde egalitaire ‘gemeenschap’, een samenleving zonder landsgrenzen of fiscale barrières. Lyrisch wordt Naughton bij de gedachte dat het hem precies zeventien seconden kost om een boodschap op internet te zetten, en ‘wereldwijd uitgever’ te worden.

En daar gaat het natuurlijk ook mis. Want een cynischer geest ziet, anders dan Naughton, dat die vrije en ongecensureerde wereld van internet slechts in theorie bestaat. Het is de vrijheid van een zeepkist in het park: je mag zeggen wat je wilt, maar dat impliceert nog niet dat er iemand naar je luistert.

Als iedereen op het net kan zeggen wat hij wil, betekent dat per definitie dat er minder wordt geluisterd. Geen tijd meer voor, te druk met ‘mijn eigen uitgever’ zijn. Die paradox zal onherroepelijk leiden tot een ander internet, en als het even tegenzit tot een medium dat veel meer zal lijken op wat we nu al kennen als televisie. Slimmere tv allicht, interactieve tv misschien, maar als het erop aankomt toch gewoon televisie met kanalen en zenders en soaps en een massapubliek van couch potatoes.

Dat weinig opwekkende vooruitzicht verklaart misschien de intens melancholische toon in het boek van Naughton. Want het is niet alleen denkbaar dat het internet begón, toen Marc Andreessen met zijn Mosaic-browser een voordien sluimerend computernetwerk voor de massa ontsloot. Zijn uitvinding zou ook best eens het begin van het einde kunnen zijn geweest.

John Naughton: A Brief History of the Future – The Origins of the Internet.

Weidenfeld & Nicholson; 320 pagina’s; fl. 72,-.

ISBN 0 297 64330 4.