‘We worden op steeds jongere leeftijd te oud’

9 mei 2005 Geen categorie 0

Het heeft even geduurd voordat er voldoende nieuwe mediaconsumenten waren om de statistieken merkbaar aan het schuiven te krijgen. Maar inmiddels blijkt ook uit het vijfjaarlijkse Tijdsbestedingonderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau13 dat er iets grondig aan het veranderen is. Eind juni 2002 publiceerde het SCP een rapport over e-cultuur. Dat kwam tot de ontluisterende conclusie dat cultuur in engere zin (kunst bijvoorbeeld) op internet niet bijster veel wilde voorstellen – de schokgolven waarop kunstenaars hadden gerekend, waren vooralsnog uitgebleven. Maar in de marge van dat rapport zei het SCP hele opmerkelijke dingen over informatiegebruik, mediaconsumptie en internet. Grondtoon: internet verdringt oude media, de opmars van televisie stokt, dagbladen verliezen terrein, en Nederlanders kijken al meer minuten per week naar hun webbrowser (30) dan ze naar de radio (24) luisteren.

Uiteraard geldt dat niet voor alle Nederlanders in gelijke mate. Ouderen en mensen met een lager inkomen waren de vijf voorgaande jaren, tussen 1995 en 2000, sowieso minder media gaan gebruiken. En de hoogste inkomensgroepen voegen internet gewoon aan hun mediadieet toe. Maar bij de middengroep is wel degelijk sprake van minder oude en meer nieuwe media. Het meest opmerkelijke echter is dat er één uitzondering bestaat op de regel dat fanatieke informatiejunkies sinds de uitbarsting van internet meer informatie zijn gaan nuttigen: jongeren onder de twintig houden oude media voor gezien en doen alles op internet.

Waar het SCP constateert dat de internetrevolutie ‘vooralsnog geen grote gevolgen heeft gehad voor de wijze waarop Nederlanders zich informeren’, ziet het instituut, tuk op alleen de grootste gemene deler, een omwenteling over het hoofd die zich op de eigen deurmat afspeelt. Het Tijdsbestedingonderzoek toont namelijk aan hoe kolossaal de kloof is tussen mediaconsumenten die zijn opgegroeid met ochtendkrant, Theo Koomen, Haagse Post en publieke omroep, en hun nazaten, die van de Yahoo-generatie. Het is slechts een kwestie van tijd voordat zij het voor het zeggen hebben in de statistieken – en niet alleen daar.

Hoe nu verder?

Er zijn mediabedrijven die tegen de klippen op proberen nog iets van hun bestaan online te maken. Kranten als het Spaanse El Pais produceren typische webcontent (voortreffelijke flashanimaties bijvoorbeeld), maar hebben ook moeten constateren dat al die moeite niet of nauwelijks loont. In elk geval klopt het ouderwetse businessmodel (adverteerders betalen voor het bereik dat een krant met nieuws weet op te bouwen) niet meer. Noodgedwongen snijden kranten, tv-bedrijven en net-eigen mediabedrijven als Planet Internet in eigen vlees: ze ontslaan nog meer webredacteuren, produceren geen permanent ververst nieuws meer, en hopen dat ze over vijf jaar, als dit allemaal achter de rug is en het stof van de revolutie is neergedaald, nog bestaan – is het niet als nieuwe media, dan toch als oude.

Zeker is dat laatste allerminst. Want de Yahoo-generatie haalt haar nieuws van sites die het nog wel volhouden – het aanbod van gratis nieuws is zo groot dat er nauwelijks tegenop te roeien is. Dat nota bene El Pais als een van de eerste dagbladen alleen nog voor betalende lezers toegankelijk is, lijkt meer een teken van radeloosheid dan een zelfbewust en weldoordacht offensief.

De bottom-line-vraag is wie van de twee het eerst zal wijken: de consument of de producent, de lezer of zijn krant. Past de cultuur zich aan bij de onbuigzame economische werkelijkheid, of volgt de economie de driften en eigenaardigheden van een culturele omwenteling?

Het moet allemaal nog blijken. De mediarevolutie is nog jong, en heeft in tal van opzichten niet aan de verwachtingen voldaan. Die vijfhonderd tv-kanalen hebben we nog altijd niet, op interactieve televisie zit misschien wel niemand te wachten, en als marketinginstrument is internet toch vooral een fiasco gebleken. Langzamerhand wordt ook duidelijk dat weliswaar veel, maar niet alle informatie de neiging heeft gratis te worden; kennelijk zijn er grenzen, al liggen die niet waar uitgevers ze graag zouden zien.

Aan de andere kant: de technologie die internet én de mediarevolutie mogelijk maakte, gaat niet meer weg. Het effect van het netwerk op de samenleving, de impact van real time communicatie zonder geografische grenzen, dat wat we kennen als ‘internetten’, is onomkeerbaar. Niet dat de wereld er beter van wordt, of rechtvaardiger, of democratischer. Wel anders. Het ene mediamodel maakt langzaam maar zeker plaats voor het andere. Broadcasting, sinds de uitvinding van de drukpers het dominante model, wijkt beetje voor beetje voor iets anders, voor massale netwerkcommunicatie die geen drukpers of zendmachtiging meer nodig heeft. En ook dat model heeft zijn gebreken, aldus Kevin Kelly, tegenwoordig writer-at-large bij Wired: ‘De zwakte van het broadcast-model dat we kennen, één medium dat uitzendt naar velen, is dat het verleidt tot propaganda. Kijk wat Hitler met de radio deed. De zwakte van netwerkmedia is de neiging tot samenzweren. Propaganda werkt niet op het web. Probeer het maar. Maar samenzweringen vinden aan de lopende band plaats. Het staat veel dichter bij geruchten, bij half-nieuws.’

Maar dan nog is het net een zegen voor de journalistiek, zei journalist en schrijver Michael Lewis toen hij door Salon werd geïnterviewd over Next, the future just happened. 16 In dat boek beschrijft Lewis hoe de veilige wereldjes van dik betaalde professionals als journalisten, advocaten en beurshandelaren worden opgeschud door vijftienjarige kids met een internetaansluiting. Jongetjes als Jonathan Lebed, die 800.000 dollar verdiende door op internet in aandelen te handelen en bedrijven ‘te tippen’ waarin hij zelf belegd had. Pubers als Marcus Arnold, die met zijn juridische adviezen via AskMe.com hele hordes professionele advocaten zijn hielen liet zijn. Ventjes als Daniel Sheldon, die het als de spin in het web van ruilnetwerk Gnutella opneemt tegen de muziekindustrie.

Het punt dat Lewis probeert te maken, is dat die kinderen iets kunnen wat hun ouders nooit meer zullen leren.

In het Salon-interview vertelt Lewis het intrigerende verhaal van Robert Sapolsky, een Californische neurobioloog, die zich in een pseudo-wetenschappelijk artikel voor The New Yorker afvroeg waarom mensen, naarmate ze ouder worden, steeds minder nieuwsgierig zijn. Hoe komt het toch dat we steeds minder geneigd zijn dingen uit te proberen? Dat muziekstromingen als house en hiphop voorbijgaan aan de veertigers van nu die in hun Volvo’s al twintig jaar meedeinen op de Babylon-dubbel-cd van Bob Marley.

De neurobioloog Sapolsky vond geen verklaring in zijn eigen vakgebied: er is geen hersenkwab die onze belangstelling voor noviteiten regelt. Daarom zocht hij zijn toevlucht tot een klein, maar daarom niet minder amusant sociologisch onderzoek. Een reeks enquêtes leerde Sapolsky dat wie op zijn 23ste nog geen neusring of navelpiercing had, er waarschijnlijk nooit meer aan zou beginnen. Achter in de twintig en nog altijd geen sushi geprobeerd? Ga er maar van uit dat je nooit meer zult talen naar rauwe tonijn of in zeewier gerolde plakrijst met worteltjes. Je nieuwsgierigheid is verdwenen, je smaak ligt vast, je culturele voorkeur zal nauwelijks meer veranderen.

In de neusringleer van Sapolsky vond Lewis een verklaring voor het verbluffende gegeven dat pubers op internet de dienst uitmaken en twintigers er in een oogwenk miljoenen vergaren (denk aan de oprichters van Yahoo of Google). In een wereld waarin de technologie steeds sneller verandert, kunnen zij zich eenvoudiger staande houden dan eerdere generaties, die blijven steken in techniek van eergisteren (denk aan die oudere managers op het congres over interactief uitgeven).

Kijk ook naar sms. De enorme hype is op het eerste gezicht volstrekt onverklaarbaar: waarom zou een mens cryptische tekstboodschapjes versturen met een mobiele telefoon die nota bene bedacht is om gespróken boodschappen te kunnen versturen? Mensen bij hun volle verstand, projectmanagers op rijpere leeftijd bijvoorbeeld, zouden een dergelijke irrationele toepassing nooit hebben kunnen bedenken. Sms is dan ook niet door hen bedacht, maar door scholieren. ‘Negenentwintig is het nieuwe negenendertig. We worden op steeds jongere leeftijd te oud’, zei Lewis tegen Salon.

Zo bezien is de mediarevolutie m̩̩r dan alleen een ruwe overgang van het ene type medium naar het andere. Zeker, het broadcast-model van de massamedia, dat honderden jaren dominant is geweest, moet langzaamaan wijken voor het netmedia-model, waarbij de macht versnipperd is en niemand aan de touwtjes trekt. Maar behalve een technologische revolutie is het ook een omwenteling die een diepe kloof tussen generaties trekt. De huidige generatie mediamakers, van magnaat tot stukjesschrijver, is te verstard om internet echt te doorgronden. Het is ook nogal veel gevraagd Рalsof ze zichzelf ineens, hard op weg naar hun middelbare leeftijd, met hanenkam en tongpiercing zouden moeten vertonen.

De echte innovaties op internet moeten nog komen, voorspelt Lewis daarom. Ze zullen niet lijken op wat we al kennen. Zijn nu nog even onvoorspelbaar als sms was in 1980. En ze zullen worden bedacht door een generatie die de veerkracht, flexibiliteit en nieuwsgierigheid heeft om het razende tempo van de nieuwe media wél te kunnen bijbenen, door kinderen die niet beter weten en met een browser zijn opgegroeid, zoals hun ouders met leesportefeuille en langspeelplaat.

Voor oude media heeft de ‘mediakloof’ twee nogal massieve gevolgen. Als kranten en tijdschriften er niet in slagen de consumenten van de Yahoo-generatie aan zich te binden nu die nog betrekkelijk jong zijn, zal ze dat waarschijnlijk nooit meer lukken. Tegelijkertijd zal die zo noodzakelijke vernieuwing van oude media pas succesvol zijn als nieuwe journalisten, representanten van diezelfde Yahoo-generatie, het bij die media voor het zeggen krijgen.