This is not a ticker tape parade

9 mei 2005 Geen categorie 0

Tussen de inslag van de eerste Boeing in de noordelijke toren en het moment waarop de tweede zich in het World Trade Center boorde, lagen achttien minuten.

Het was een dinsdagochtend, kwart voor negen.

Op de 93ste verdieping van de zuidelijke WTC-toren ziet David Boyle papier langs de ramen dwarrelen. Net confetti, denkt hij. Collega’s kijken op. Ze zijn verbaasd, maar niet gealarmeerd. Ze drinken hun koffie. Boyle loopt naar een ander raam. Hij ziet vallend puin, er liggen brokstukken op straat. ‘ Then it finally hits me. This is not a ticker tape parade .’

Minuten later belt een vrouw haar man vanuit een andere Boeing. ‘We zijn gekaapt’, zegt ze. Haar man zit naar CNN te kijken. Moet hij haar vertellen dat er een vliegtuig tegen het World Trade Center is gevlogen? ‘Ik zei het wel. We zijn heel open tegen elkaar.’

Bij CNN komt die andere Boeing laag over Manhattan het beeld binnen vliegen. In het WTC zien beurshandelaren het vliegtuig op de televisie naast hun koersenterminal. Maar in de tien of twintig seconden van die lange, over Central Parc zwenkende camerabeweging, staat David Boyle in een snel dalende lift. Als hij uitstapt in de lobby, wordt op straat, net om de hoek, een man in een wit overhemd gefilmd.

Geen geluid, alleen beeld.

Dan pant de camera omhoog. Je ziet een donkere bakstenen muur en daartegenover de glanzende gevel van het WTC. Het is een prachtige, milde herfstdag met een diepblauwe lucht. Je weet niet wat daarboven de aandacht van de cameraman heeft getrokken. Totdat haarscherp een vliegtuig zich in die glazen gevel boort en explodeert in een bal van vuur en gruis en beton.

Deze achttien minuten in New York zullen tot de meest beschreven momenten van de Amerikaanse geschiedenis gaan behoren. Het zal vaker in beeld gebracht blijken te zijn dan de aanval op Pearl Harbor, de moord op Kennedy of een willekeurige Superbowl. Al wat kan filmen, elke tv-camera op een dak in Manhattan, kijkt in volmaakte verbijstering naar het zuiden. En wie ziet wat die camera’s zien, weet terstond dat dit, zoals Joe Joseph de zaterdag na die elfde september 2001 in The Times zal schrijven, geen breaking news is, maar breaking history . Niet het laatste nieuws, maar geschiedenis terwijl die gebeurt – de laatste geschiedenis.

Je hebt het sindsdien nog talloze keren gezien. Er zijn steeds nieuwe beelden gevonden, gefilmd door professionele networks, met webcams van dertig dollar, of door toeristen met een digicam. Maar al die herhalingen verhelderden niets. Het raadsel werd juist groter. En de sensatie dat het niet echt was, wilde maar niet overgaan. Hemel te blauw, lijnen te scherp, cameravoering te vloeiend. De vuilgrijze wolk van stof die door de straten van Manhattan jaagt, net te spectaculair om geloofwaardig te zijn. Fictie, een absurde sequence op King Kong, een B-film… straks komt Bruce Willis het land redden.

Het besef dat deze gebeurtenissen niet alleen echt waren, maar bovendien live werden uitgezonden, de gedachte dat het tweede vliegtuig insloeg terwijl je zat te kijken , maakte die vervreemding nog intenser. De onmiddellijkheid ervan, de immediacy , bezorgt nog altijd kippenvel. Het had allemaal niet nóg onwezenlijker kunnen zijn, ook niet als CNN dat mobiele telefoongesprek van de man met zijn vrouw in dat vliegtuig live had laten horen, of het ultieme shot had uitgezonden, een beeld dat we ons nadien beschroomd hebben voorgesteld, en waarmee op internet al vrij snel cynische grappen werden uitgehaald, footage vanaf de hoogste verdiepingen in het WTC zelf, een Boeing die het beeld en je huiskamer binnen vliegt.

Dat de wereld live kan kijken naar mensen die uit de lucht tuimelen, met wapperende stropdassen of al half verkoold, naar een man en een vrouw die hand in hand een zekere dood tegemoet gaan – het heeft iets obsceens. Je zou het niet willen zien, maar waar moet je klagen? Hier bestaat geen Kijkwijzer voor. Het is geen reality soap.

Er is geen grotere kloof denkbaar dan die met de entertainmentfabrieken uit Aalsmeer, en toch roepen die WTC-beelden – juist omdat ze als werkelijkheid onverdraaglijk zijn – associaties op met televisie die steeds meer op de werkelijkheid is gaan lijken, maar het niet is: de veel te particuliere beelden uit een operatiekamer, de alomtegenwoordige camera’s van Big Brother of de tv-achtervolging van O.J. Simpson.

Klaarblijkelijk zijn we geconditioneerd om zo te kijken.

‘Het is raar dat we stilstonden op een dag van oorlog. We konden niets doen – dat moet the whole idea zijn geweest, het hele idee – en dus hadden we geen andere keuze dan te kijken’, schreef Nancy Gibbs enkele dagen na de aanslagen in een speciaal nummer van het Amerikaanse weekblad Time .

Live televisie van terreuraanslagen.

Geen andere keuze dan te kijken.

Het was zo absurd dat je meteen begon te speculeren. Het moest exact zo bedacht zijn. De man die dit plande – en al vrij snel zou algemeen worden aangenomen dat die man de Saudi-Arabische multimiljonair en moslimextremist Osama bin Laden is – moet hebben gewild dat de wereld zou kijken, en niets anders kon doen dan kijken. De doelwitten waren zorgvuldig gekozen: het World Trade Center in New York en het Pentagon in Washington waren iconen bij uitstek van westerse welvaart en Amerikaanse macht. Dus waarom zouden de vliegtuigkapers niet ook hebben voorzien dat CNN de aanslagen live zou uitzenden? In het script voor de aanslag, bedacht je later, moet zelfs het interval welbewust zijn ingebouwd. Schud de wereld wakker met een eerste vliegtuig, laat de networks hun reguliere ochtenduitzendingen onderbreken, en sla een kwartier later opnieuw toe.

Er was nog meer. Al daags na de aanslagen werd duidelijk dat de kapers met elkaar hadden gecommuniceerd via e-mail, en wellicht gecodeerde e-mail. Niet dat dat zo bijzonder was. Elke puisterige tiener met een internetverbinding had sinds een jaar of wat de beschikking over mail en encryptie. Maar nu ook negentien Arabische kapers er gebruik van maakten, mannen die – dacht je politiek volkomen incorrect – nota bene afkomstig waren uit derdewereldlanden, was er iets anders aan de hand. En je stelde je voor hoe de vier groepen terroristen elkaar nog tijdens de kapingen met mobiele telefoons op de hoogte hadden gehouden. Een jaar of wat geleden, huiverde je, was dat nog ondenkbaar, die terroristen net zo goed als hun cellphones .

Gepland of niet, voorbereid met e-mail en internet en mobieltjes of zonder al die gadgets van een westerse real time informatiemaatschappij, het moet in elk geval voor het eerst in de geschiedenis zijn geweest dat een terreurbeweging live een aanslag pleegde. Dat besef is angstaanjagend – en ook die angst moet weer ‘het hele idee’ zijn geweest. De terrorist die het script voor de elfde september schreef, wist het nodige van massacommunicatie. Hij heeft misschien wel nagedacht over de evolutie van televisie. En hij kent de emblematische betekenis van beelden die voorgoed in het collectieve geheugen van de Verenigde Staten zijn gebrand.

In Vietnam werd in de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw voor het eerst het verloop van een oorlog bepaald door de tv-beelden die ervan werden gemaakt. Iedereen kent de still van de Vietnamees die op straat wordt vermoord voor het oog van een NBC-camera. Generaties Amerikanen hebben voorgoed de eindeloze rijen bodybags op hun netvlies. En de vluchtende helikopters uit Saigon kennen we niet alleen van de films en televisieseries die er nadien van zijn gemaakt.

Het effect van een tv-oorlog was verpletterend. Niet eerder was zoveel smerige werkelijkheid zo efficiënt de burger door de strot geduwd. Die burger schrok zich rot en zijn illusie van onschendbaarheid , de hoeksteen van de American Dream , ging voorgoed aan diggelen.

De Vietnamoorlog eindigde in 1975. Iets meer dan vier jaar later gijzelden islamitische extremisten enkele tientallen Amerikanen in hun ambassade in Teheran. In die Iraanse hoofdstad zetelde de ayatollah Khomeini sinds hij met een revolutie van fundamentalistische gelovigen de westers georiënteerde sjah verdreven had. De Amerikaanse president Jimmy Carter probeerde tevergeefs het ambassadepersoneel met onderhandelingen vrij te krijgen, en zette, toen dat niet lukte, een ronduit knullige bevrijdingsactie op touw die wel verkeerd moest aflopen. Pas begin 1981 kwamen de gijzelaars vrij, op de dag van de ambtsaanvaarding van Ronald Reagan als nieuwe president.

Reagan, de Californische filmacteur die televisiepresident werd, herstelde het geschokte zelfvertrouwen weer door het defensiebudget van de Verenigde Staten met miljarden dollars te verhogen. Zo kon de eerste Golfoorlog tien jaar later een showcase worden van hightech wapentuig.

De Amerikaanse televisiekijker kreeg met Desert Storm iets nieuws: beelden van een camera die zich als een insectenoog boven op een raket een weg zoekt naar de deur van een bunker in Bagdad. Het was het ultieme vertoon van macht. Met de perfide suggestie dat hier geen doden vielen, in elk geval geen onschuldige slachtoffers, in elk geval niet aan ‘onze’ kant. En dat de wereld dit beeld ook kon zien, weliswaar niet live maar dan toch bijna, in de achtuurjournaals en op alle Amerikaanse networks, was nóg nieuwer. Het was precies zo bedacht door de spindoctors in de woestijn, die zich niet, als in Vietnam, opnieuw de controle uit handen zouden laten nemen door een stel verslaggevers. Hier waren media-adviseurs aan het werk die het Westen een geregisseerde oorlog gaven, een oorlog die geen kwaad kon, een oorlog als computergame.

De beelden gaven de kijker het superbe gevoel van veiligheid terug dat in Vietnam verloren was gegaan. Totdat het manipulatieve karakter ervan tot hem doordrong. Op dat moment kwam er een ongemakkelijk gevoel van gêne bij. Het was natuurlijk eigenlijk weerzinwekkend, maar je zat evenzogoed te kijken naar het inslaan van een bom.

Tien jaar na die eerste Golfoorlog kijk je, en nu wél rechtstreeks, naar het inslaan van een Boeing vol kerosine, en zijn de onmiddellijke associaties niet anders.

Ongeloof.

Weerzin.

Dit kan niet echt zijn.

Maar het gevoel van veiligheid dat daarbij hoort, slaat om in zijn tegendeel als je je realiseert dat nu niet Colin Powell de regie heeft, of Steven Spielberg, maar een vooralsnog naamloze terrorist. En dat het Westen met zijn eigen verworvenheden in het gezicht is geslagen, met vliegtuigen als busdienst, gecodeerde e-mail, mobiele telefonie, en bovenal met de alomtegenwoordige media.

Je bent op het verkeerde been gezet. Ook de media zijn aan een volgende sequentie in hun ontwikkeling begonnen. Op 11 september 2001 is de werkelijkheid op televisie gaan lijken.