Wiki: Journalistiek van Iedereen

Het Amerikaanse dagblad de Los Angeles Times maakte op 18 juni 2005 in één keer de sprong van een klassiek, sterk hiërarchisch en redactioneel gesloten opererend nieuwsmedium naar een dialogisch georganiseerd open medium. De krant besloot de hoofdredactionele opiniepagina op het Web te laten bewerken en aanvullen door willekeurige internetgebruikers.

Hiermee maakte de Times-redactie gebruik van zogenaamde wiki software. Dit was geen subtiele overgang – het was een revolutie. Het verschil tussen mediamaker en –gebruiker verdween.

Na nauwelijks 48 uur stopte de redactie met haar wikitorial, aangezien de discussie op de opiniepagina werd overgenomen door een zogenaamde ‘trol’: iemand die er genoegen in schept dit soort open fora op te leuken met smerige foto’s en scheldpartijen.

Wat in de discussies (online) hierna opviel, was het feit dat een groot deel van de dagbladredactie zelf weinig heil zag in dit min of meer mislukte experiment. Deze redactionele tweespalt werd verder echter niet besproken. Wat ook ontbrak, was een analyse van de rol van internetgebruikers in het eerstelijk falen van dit project. Op verschillende weblogs werd het experiment bejubeld en van welwillend advies voorzien, waarbij het gegeven dat de gemiddelde surfer nog helemaal niet weet hoe met een interactieve nieuwsvoorziening om te gaan volstrekt werd genegeerd.

De achtergrond van het ‘wikitorial’-experiment van de LA Times heeft te maken met twee kanten van dezelfde medaille: een langzaam veranderende cultuur van het maken en gebruiken van media. Het produceren van media is altijd al een democratisch proces geweest, waarbij nieuwe media technologieen veelal een versnellende rol speelden. De boekdrukkunst, de kopieermachine, de draagbare radiozender, het internet: het zijn allemaal technologische veranderingen die de sluimerende mediacultuur van informeren en geinformeerd worden aanwakkerden.

Het is belangrijk de journalistiek te zien als een professionele variant van deze cultuur, waarbinnen sommige aspecten worden geidealiseerd – autonomie, ethiek, objectiviteit – en anderen een lagere status hebben – dialoog, discussie, openheid. Dit verklaart bijvoorbeeld waarom de wikitorial door een meerderheid van professionele journalisten als ‘niet-journalistiek’ wordt gezien, aangezien het wikimodel transparantie en interventie als basiswaarden heeft.

Aan de andere kant draagt deze verklaring ook bij tot het beter begrijpen waarom dit soort dialogische media-experimenten ook bij de gemiddelde gebruiker vooralsnog tot weinig begrip en enthousiasme leiden. Tenslotte zijn de meeste mensen nog steeds opgegroeid in een media-ecologie waar zij de rol van ‘het publiek’ moesten spelen. Een al te rappe overgang naar volledige gelijkheid tussen producent en consument van informatie zegt leden van beide groepen weinig tot niets.

De culturen van beroepsmatig en amateuristisch mediamaken en –gebruiken zijn langzaam maar zeker aan het versmelten, welke (zoals door MIT’s Henry Jenkins omschreven) convergentiecultuur door een technologie zoals internet versnelt en versterkt wordt. Soms gaan we daarbij te snel – en soms veel te langzaam. De kunst is te snappen wat in het ‘nieuwe’ behouden blijft (bijvoorbeeld: redactionele filters, al dan niet transparante kwaliteitsfilters, annotatie) en wat van het ‘oude’ sneuvelt (zoals: de monoloog, het paternalisme en gecultiveerde arrogantie inherent aan professionalisering).

De journalistiek was en is van iedereen, maar het kost iedereen tijd om te leren met die verantwoordelijkheid om te gaan. Dat is een onvermijdelijk noch lineair proces – en daarvan is het tijdelijk sneuvelen van de wikitorial een voorbeeld.

Reacties zijn gesloten.