De internetkramp in krantenland

25 augustus 2005 Geen categorie 0

Veel erger dan in 2001 kan het niet worden. In Amerika tuimelden de advertentieomzetten omlaag. Het kwam de toch al krampachtige verhouding tussen kranten en hun websites niet ten goede. Maar de geest van internet kan niet terug in de fles.

‘WE hobbelen door het dal’, zegt Rich Jaroslovsky. En hij kan het weten. Jaroslovsky is senior editor van The Wall Street Journal en tot voor kort degene die de website van de Amerikaanse zakenkrant tot een even groot als bizar succes maakte. De dot.com-versie van de Journal telt 650 duizend betalende lezers en is daarmee de witte raaf op internet. ‘We groeien nog. Maar ook bij ons gaat het niet goed. We are bumping on the bottom, en niets wijst erop dat het snel beter gaat.’

Kranten en internet horen bij elkaar, maar helemaal goed zal het tussen die twee wel nooit meer komen. De eerste websites aapten kranten na, en alerte journalisten vonden het medium zo cool, dat ze voetstoots aannamen dat de hele wereld het zou omarmen. Maar na zeven vette jaren zette de recessie in. Tienduizenden webredacteuren in de VS werden op straat gezet. Uitgevers hanteerden de botte bijl. Maar de slotsom, zegt Paul Saffo, futuroloog in Silicon Valley, is dat kranten het verklooiden: ‘Er is geen aardige manier om het te zeggen: you’re completely screwed.’

Saffo en Jaroslovsky verwoorden de deplorabele staat waarin de media op internet verkeren. Het jaar 2001 is achter de rug – ‘Goddank’, aldus een uitgever -, en veel erger kan het niet worden. Volgens Jaroslovsky is de advertentieomzet bij zijn krant vorig jaar met 30 procent gedaald, ‘en op de website met nog iets meer’. Andere dagbladen doen het niet beter. Een kwetsbare sector als de vacaturemarkt liep terug van 9 naar 5,8 miljard dollar, een verlies dat goeddeels door de recessie is veroorzaakt, maar niet helemaal.

Steeds meer banen staan op internet, maar niet per se in de kranten-op-internet. Uit pure paniek kocht uitgever Tribune vorig jaar voor 400 miljoen dollar de sites CareerBuilder en Headhunter, en integreerde ze in zijn kranten, waaronder de Los Angeles Times. ‘Gerubriceerde advertenties zijn heilige grond voor de uitgever’, zegt Richard Core, chef redacteur van latimes.com met een zuur lachje.

Zijn redactie is met de helft ingekrompen tot twintig mensen. Zijn uitgever is bang dat het web de krant opvreet. Core zelf is uit de gratie. De LA Times plaatst eerst twintig tot veertig artikelen per dag op het web en pas dan in de krant – klein bier voor een krant met duizend redacteuren. Verslaggevers van de papieren krant zien Core amper staan. ‘Alleen buitenlandse correspondenten en collega’s in Washington werken enthousiast mee aan de site. Ze zien hun eigen verhalen op het net, en dat is leuk voor hun vrienden die de krant niet kunnen lezen.’

Volgens Core volgt de LA Times – in 2001 wel voor het eerst winstgevend – net als iedereen de koers van de The New York Times. Nu pogingen om nieuws tegen betaling aan te bieden, op een fiasco zijn uitgedraaid, is de grote lijn: online lezers krijgen gratis nieuws als ze zich laten registreren. Archiefnieuws is tegen betaling verkrijgbaar, net als premium content, artikelen die zo exclusief zijn, dat lezers allicht bereid zijn daarvoor de creditcard te trekken.

Scott Meyer, general manager van de digitale New York Times: ‘Wij waren ook bang voor kannibalisatie, dat mensen de krant niet meer zouden kopen omdat alles gratis online stond. Maar dat is gewoon niet gebeurd. Nu hebben we een aardige handel aan het verkopen van kruiswoordpuzzels en columns, zoals die van Friedman over terrorisme. Er is bij kranten geen reden voor zelfkwelling: het duurt gewoon tien tot twintig jaar voordat een nieuwe technologie tot serieuze omzet leidt.’

De toekomst is van Paul Saffo, directeur van het Institute for the Future, en de man volgens wie kranten het koninklijk hebben verkloot. Dat is, zei Saffo, des te idioter omdat je het zag aankomen. Althans, hij wel. ‘We dachten dat we vijfhonderd tv-kanalen zouden krijgen met interactieve tv. We dachten dat drukwerk dood was en hypertext nog vijftig jaar op zich zou laten wachten. En kijk aan: wat interactieve tv is, weten we nog altijd niet, hypertext blijkt het world wide web te zijn, en wat wordt op dat web het best verkocht? Juist, boeken.’

Uiteraard heeft Saffo (‘Er is niet één krant op internet zo succesvol als Yahoo of eBay; je zou er een hele generatie managers voor moeten ontslaan’) vooral achteraf gelijk. Zijn aanbevelingen zijn eloquent geformuleerd, maar niet wereldschokkend. Internet, zegt hij, gaat niet over techniek, maar over media die niet massaal zijn en passief geconsumeerd worden, maar juist persoonlijk zijn, interactief en vooral: alomtegenwoordig.

Internet, zegt hij, wordt meer en meer een medium voor communicatie tussen mensen onderling, peer-to-peer, en daarmee minder een klassiek medium. ‘Het goede nieuws is dat er hier in de Valley een hele generatie web-ondernemers is voortgekomen uit de mislukking van interactieve tv. Ze zijn 31 en hebben al een heel leven achter de rug. Het net zal zo profiteren van de dotcom-crash.’

Nog belangrijker, zegt Saffo, is 802.11. Dat is een protocol voor draadloos internetten waarmee je in de lokale Starbucks-koffieshop of in de jachthaven van Santa Cruz – ook een zonnige hotspot – per laptop het net op kunt. De techniek grijpt om zich heen en haalt volgens Saffo het world wide web weg van de plek waar de mensheid al decennialang vandaan probeert te komen: het bureau.

Wat kranten met 802.11 moeten, zei Saffo niet toen hij afgelopen week sprak op een conferentie in San José over kranten en internet, waar nog maar 400 uitgevers en journalisten aanschoven, tegen 1250 in 2000 vlak vóór de internetcrash. Zijn gehoor had geen benul. De modale toehoorder was dan ook een overbetaalde, licht kalende, niet zo hippe liefhebber van verouderde techniek, die gefrustreerd door het leven gaat omdat zijn voorspelling (‘Internet is cool, kranten zijn dooie bomen’) een zeperd bleek.

Hoe dan ook: de geest van internet kan niet meer terug in de fles. Steve Rossi van Knight Ridder, de uitgever van regionale kranten die zijn internethoofdkwartier naar Silicon Valley verplaatste: ‘Het zal geen toeval zijn dat Amazon.com zijn eerste kwartaalwinst bekendmaakt in de week dat (supermarktketen) Kmart surseance aanvraagt.’ En Roy Wadia die bij CNN tegen de trend in probeert tv en website te laten samenwerken: ‘Misschien moeten we wel wachten op een hele nieuwe generatie journalisten voor wie het medium vanzelfsprekend is.’

Als Wadia gelijk heeft, wordt intussen om de hoek in San José de toekomst van kranten uitgevonden door knulletjes van veertien. Begrijpen zij veel waarom die ouwe mannen zich druk maken? Zij snappen meer van het net, zonder techies te zijn. Ze zien niet de techniek, maar de toepassing. Ze vragen zich niet af wat virtual reality is. Want er is niks virtueels aan hun leven online. Het is zo echt als het maar zijn kan.

Uit: de Volkskrant, 16.2.2002