Einde van het begin (bespreking van Jim Clarks boek over de eerste dagen van Netscape)

GOD kon ze horen brommen in Castro Street.

We’re doomed.

Jamie Zawinski, een bizar uitgedoste computerprogrammeur, mompelde het ‘s nachts, zwetend achter een beeldscherm, tegen de twintig eerste programmeurs van Netscape. Dat was vijf jaar geleden, in het naar pizza’s, slaapzakken en gore T-shirts stinkende kantoor in Mountain View, ten zuiden van San Francisco.

Dat ze gedoemd waren, wisten de eerste geeks van Netscape van meet af aan. Bleke, net afgestudeerde twintigers waren ze. Ingehuurd en overgevlogen door Jim Clark, een vijftigjarige miljonair uit Texas. Voor een jaarsalaris van 65 duizend dollar en een pakket aandelen moesten ze het world wide web opnieuw uitvinden en de wereld veranderen. Als dat binnen negen maanden zou lukken, werden ze ook miljonair, beloofde Clark.

We’re doomed.

Niet half wisten Zawinski en de anderen hoezeer zij het bij het rechte eind hadden. Vijf jaar later is het web inderdaad opnieuw uitgevonden, gebruiken tweehonderd miljoen mensen Internet, en zijn zij warempel miljonair – maar Netscape is opgekocht, en al bijna vergeten.

Over de eerste idiote jaren van Netscape heeft Jim Clark een boek geschreven. Zijn memoires beginnen als hij eruit wordt gewerkt bij Silicon Graphics, het computerbedrijf dat hij nota bene zelf heeft opgericht. Clark heeft er ‘slechts’ twintig miljoen dollar en een slecht humeur aan overgehouden. Als hij zijn bureau leegruimt, piekerend over ‘iets nieuws’, krijgt hij de raad contact te zoeken met Marc Andreessen, die als student de revolutionaire Internet-browser Mosaic schreef. Uit een ontbijt met Andreessen in café Verona in Palo Alto ontstaat Netscape.

Dat was 1994. Nu markeert het boek van Clark – Netscape Time – ook het einde van Internet, althans van het web zoals we dat kennen. De nog net in een epiloog beschreven overname van Netscape door America Online (AOL), december vorig jaar, luidde het begin van het einde van het web in. Of beter nog: het einde van het begin.

Het web, bedacht door een onderzoeker in Genève, is tien jaar oud. Dankzij Netscape ontstond vijf jaar geleden een computernetwerk – met nieuws, e-mail, babbelboxen – dat niet uitsluitend hanteerbaar was voor wetenschappers, maar ook voor idealistische computerliefhebbers die in het web een ruimte (‘cyberspace’) ontwaarden waar alles anders was. Het was een vrijplaats waarin je kon zeggen wat je wilde. Waar de gevestigde macht niet regeerde. Waar een nieuwe burger (de ‘netizen’) en een nieuwe democratie-van-onderop zouden ontstaan. Het net was egalitair, alomvattend, en vooral: gratis.

Maar over nog eens vijf jaar zal blijken dat het Internet rond de eeuwwisseling zijn onschuld verloor. De tekenen daarvoor komen van twee kanten. In de eerste plaats van het web zelf.

Met de verkoop van Netscape is niet alleen de publiekslieveling ten onder gegaan, maar is ook de ‘browser-oorlog’ beslecht. In het voordeel van Microsoft, dat symbool bij uitstek van de gevestigde orde, de Beëlzebub van de technologische samenleving. Hoewel Netscape nog sluimert als dochter van AOL, heeft ‘het rijk van het kwaad’ (Clark) sinds een maand of wat het grootste marktaandeel. Alles wijst erop dat de Explorer-bladeraar van Microsoft straks net zo algemeen gebruikt wordt als Windows, de hoeksteen onder het monopolie van Bill Gates.

De ironie wil dat de browser zelf – élke browser – al weer verouderd is. Een bladeraar zoals de hummende geeks van Netscape die maakten, hoort bij een Internet dat vastgeklonken zit aan een pc, op zolder of kantoor, een net met onleesbare tekst, miljoenen onooglijke pagina’s met elk hun eigen ‘url’ – www.dot.underscore.slash.tilde. De browser is even handig als een computer, nog zo’n volgepakte en prijzige omnivoor: na twintig jaar innovatie blijft een pc zoiets als een duizend-watt-lichtorgel wanneer je een peertje voor op de wc nodig hebt.

D AT de computer-met-browser zal wijken voor iets anders, blijkt uit nóg een trend. In de afgelopen vijf jaar hebben bedrijven als Yahoo, Altavista en Lycos getracht het net voor de massa te ontsluiten. Eerst waren ze ‘zoekmachines’, daarna gingen ze ‘portals’ heten. Ze hadden de ambitie het hele web voor iedereen toegankelijk te maken, maar wie wel eens ‘surft’ – een overschat tijdverdrijf – weet dat heel veel ook niet alles is, en alles te veel.

Portals zijn uit. Ze willen te veel en schieten te breed en kunnen, signaleren marktonderzoeken, niet bestaan bij de gratie van adverteerders. Want ook adverteren op het web – met kinky buttons en slome banners – heeft zijn langste tijd gehad. Ervaren gebruikers van het net kijken er langs, of gebruiken software als Web Washer om advertenties weg te filteren. Ze willen niet lastig gevallen worden door iets wat ze niet als vanzelfsprekend ervaren. Want dát hebben ze wel geleerd van de eerste generatie, naïef-gelovige netizens: het web is van ons.

Dat het hún web is, is een misverstand. Internet is aaneen gesleuteld met Amerikaans overheidsgeld, maar al sinds de zomer van 1995 moet de private markt de ruggengraat van glasvezel financieren. De tweede aanwijzing voor ‘het einde van het begin van Internet’ zit hier: niet langer wordt het net ontsloten door tienduizenden kleine, vaak uit hippie- en hackerscultuur afkomstige providers, maar allengs meer door de telefoonmaatschappijen en kabelbedrijven die moeten investeren om het net groter en ‘breder’ te maken. MCI/Worldcom, AT&T, France Telecom, KPN – daar kleeft weinig jaren-zestig-idealisme aan.

Het ‘oude’ net zal in hun slagschaduw blijven bestaan. In bedrijfsnetwerken. Voor e-mail. Als clubgebouw voor verzamelaars van zwerfkeien. Als ‘hangplek’ voor wie wil chatten – wat zoiets is als kletsen op een straathoek zonder straat. Tegelijk zullen uitgevers, die hebben ondervonden hoe lastig het is om met heel brede informatie winst te maken op Internet, ontdekken dat er duizenden niches zijn, kleine groepen mensen – communities – die een obscure interesse gemeen hebben, en net talrijk genoeg zijn om geld aan te verdienen.

Maar een massa-Internet is iets anders. Dát Internet zal door telecombedrijven en kabelaars de huiskamer in worden geperst, linea recta naar de televisie. Met een settop-box van Philips bijvoorbeeld, en software van Microsoft. Het zal zo ‘breedbandig’ zijn dat er honderden tv-kanalen op passen. Genoeg soaps, films-op-bestelling en online-computerspelletjes om te vergeten dat er ooit op zolder zoiets bestond als een browser.

Over vijf jaar is het net een leep broertje van teletekst.

Ik kijk naar een film.

Als mijn aandelen een tik krijgen, piept op mijn dunne tv-scherm een butler-icoon: ‘Verkopen, meneer?’

Ik klik en verkoop, en vervolg mijn film – die desgewenst speciaal voor mij in het Papiamento is nagesynchroniseerd – waarna James me nog een andere film adviseert (hij kent mijn smaak), of me attendeert op Moederdag (‘Bloemen of bonbons, meneer?’), of me laat verdwalen in een online-discussie over de beeldtaal van Zhang Yimou.

Ik hang op de bank, afstandsbediening op schoot – klein schermpje, touchscreen – en druk die slimme, interactieve, gepersonaliseerde teletekst (‘Nettexxt’) weer weg.

Internet is dan wat het eens – we’re doomed – moest worden: televisie.

Jim Clark: Netscape Time. St. Martin’s Press; 276 pagina’s; $ 24,95. ISBN 0312199341