De Wolff ouwehoert over zijn grote gelijk

Leon de Wolff heeft het gelijk aan zijn kant, maar in De krant was koning haalt hij dat gelijk zo omslachtig dat het irritant wordt. De Wolff geldt als een van de meest invloedrijke adviseurs van mediabedrijven in Nederland; de fusie van het AD en zeven regionale kranten was zijn meest recente grote klus. Met Jan Bonjer praatte De Wolff in op de 600 redacteuren. Strekking van dat verhaal: laat je inspireren door de lezer.

Publiekgerichte journalistiek is wat de media nodig hebben. Wat de lezer wil, wat hij nodig heeft, zelfs zonder het te weten, moet het vertrekpunt zijn van elke journalist, naast zijn eigen doelstelling. Die attitude bepaalt zijn aanpak, zijn keuze voor een genre (interview of toch iets anders), zijn tone of voice, zijn perspectief. Zie hoe het AD nu een andere krant is dan het Algemeen Dagblad was, en wat mij betreft ook een betere (al wil ik niet suggereren dat De Wolff daarvoor meer verantwoordelijk is dan Bonjer).

Of het goed komt met het AD, weet ik niet. Of de oplage weer omgaat gaat, of het lukt de regionale lezers te gerieven die hun eigen Haagse Courant en eigen Utrechts Nieuwsblad is afgenomen – ik betwijfel het ten zeerste. Net zoals het nog wel even zal duren voordat alle kinderziekten uit de krant verdwenen zijn. Maar dat de filosofie van lezersgerichtheid een stap vooruit is, staat voor mij vast.

Wie wil lezen hoe dat zit, hoe publieksgerichtheid iets anders is dan je oren laten hangen naar de lezer – want dat is wat de oude hap onmiddellijk tettert -, moet De Wolff lezen. Dan kan vrij snel. De oud-journalist van onder andere NRC en HP besteedt ongeveer twee maar zo veel woorden als hij nodig heeft, hij herhaalt zichzelf soms binnen enkele pagina’s, en schrijft letterlijk elke zin tot het allerlaatste woord uit. Ik wil niet zeggen dat De Wolff niet kan schrijven, dat kan hij wel, maar dat hij te veel ouwehoert.

De recensent in NRC zei het al: een goede eindredacteur had wonderen gedaan. Van de andere kant: die had ook niet voorkomen dat het boek niet meer is geworden dan de prediking van publieksgerichte journalistiek. Want eerlijk gezegd vind ik het vreemd dat je als invloedrijk mediaconsultant in 2005 een boek over journalistiek kunt maken zonder in te gaan op civic journalism, zonder een visie te hebben op ontlezing van betaalde kranten, zonder je echt iets aan te trekken van de mediarevolutie die internet teweeg heeft gebracht.

De Wolff vat zijn buitengewoon verstandige lessen over publieksgerichte journalistiek samen. Hij bundelt als het ware twintig jaar ervaring. Maar hij verzuimt lijnen door te trekken. Daarmee is De Wolff meer een consultant van het verleden, dan een adviseur voor de toekomst.