Waarom overleeft de journalistiek wel?

Met kranten loopt het op den duur slecht af, maar journalistiek heeft de toekomst. Zei ik tijdens een lezing, donderdag bij de Universiteit van Leiden (zie Minitrue, Blognoot en Frankwatching). Strekking van het verhaal: ga betere journalistiek bedrijven, en blijf niet hangen in oude vormen en gedachten. Durf de controle bij de lezer te leggen. Betrouwbaarheid en distantie zijn niet langer genoeg. Ze kunnen niet zonder transparantie, authenticiteit en betrokkenheid.

Organisator Rob Punselie in Leiden - Foto Arjan DasselaarMaar nu de vraag: klopt het? Of ben ik – al meer dan eens versleten voor de grafredenaar van de dagbladjournalistiek – te optimistisch over de florissante toekomst van mijn vak? Is de wens de vader van de gedachte?

Kort samengevat het voorafgaande. Betaalde kranten zullen als dragers van de journalistiek oplage blijven verliezen, omdat nieuwe mediaconsumenten kunnen kiezen uit een te groot aanbod van gratis nieuwsbronnen die bovendien veel beter passen bij hun wensen: korter en beeldender nieuws waarover ze zelf in zekere mate controle hebben, en waarin ze kunnen participeren (door te reageren).

Nieuwe mediaconsumenten vragen om een andere journalistiek. De journalist moet transparant zijn, men moet weten waar hij voor staat, wat zijn bronnen zijn, wat zijn agenda is – en hij moet de lezer de kans geven die dingen te controleren. Hij mag best een mening hebben, en die uiten, graag zelfs, zo lang maar duidelijk is waarom. En hij moet authentiek zijn, echt, integer, the real stuff.

(Overigens denkt Arthur Sulzberger jr, uitgever van The New York Times, daar anders over. Nee, zegt hij, “information does not want to be free”. En wat er echt toe doet voor de journalistiek zijn autoriteit, expertise en community – via Steve Yelvington.)

Even heb ik gedacht dat in een postmoderne samenleving authenticiteit er niet langer toe deed. De populariteit van Big Brother en docusoaps deed me vrezen dat entertainment voor nieuwe mediaconsumenten van de Yahoo-generatie belangrijker was dan de vraag of iets waar of onwaar was. Wat deed het ertoe dat een verhaal gedeeltelijk verzonnen was als het een goed verhaal was? Kon Jayson Blair, behalve als oplichter, ook gezien worden als een icoon van zijn generatie?

Die ontmoedigende gedachtegang werd onderuit gehaald door een lezing, nu een jaar geleden, van een antropologe van Microsoft. En door onderzoek van Irene Costera Meijer van de Universiteit van Amsterdam. De eerste beweerde dat echt en onecht online juist wel van enorm belang waren voor jongeren, dat ze weliswaar behendig en losjes met die categorieen omgaan, maar er niettemin grote waarde aan hechten. Ze hebben geen bezwaren tegen een hoax of een dubbele identiteit, maar ze laten zich niet in de maling nemen door een marketeer die er misbruik van probeert te maken.

Beau Costera Meijer – universitair hoofddocent mediastudies – voegde daar in een onderzoek (dat ik nu in alle beknoptheid verschrikkelijk onrecht aan doe) een derde categorie aan toe. Zij zei dat jongeren niet alleen heel goed het verschil kennen tussen echt nieuws en nep nieuws, maar zelf ook geen moeite hebben met “lekker nieuws”, een tussenvorm die je door RTL Boulevard en Beau van Erven Dorens tot grote hoogten is gebracht. Zie Medialog voor meer.

In Leiden heb ik geprobeerd uit te leggen dat ik geloof in de toekomst van journalistiek zolang er nog een publiek is dat het verschil waardeert tussen feit en fictie. Maar op die redenering valt wel wat af te dingen (en als de lezer dat niet doet, doe ik het zelf). Want wie zegt dat je een journalist nodig hebt om echt van nep te onderscheiden? En omgekeerd: misschien gaat het er helemaal niet om dat een journalist voor de lezer controleert wat waarheid is en wat niet, maar concentreert zijn taak zich op het selecteren van nieuws, en dus op het waarderen van feiten.

Reacties zijn gesloten.