Over wantrouwen, hypes en de revolte van lezers

schrijver en journalist

Postmoderne mediaconsumenten geven de voorkeur aan kale, ongefilterde feiten boven ‘gekleurde’ berichtgeving. Liever het ANP-nieuws van nu.nl dan de progressief-liberaal gevingerverfde bijlagen van de Volkskrant. Maar hoe zit het dan met mediahypes, hoe konden die groteske misverstanden ontstaan? Is de oplagedaling van betaalde kranten een keiharde straf voor de lichte neiging tot popularisatie, voor het uitvergroten van nieuws, en zijn de media dus in hun eigen mes gevallen? Of is het juist geen betrokkenheid die slechte kranten doet kwijnen, maar je reinste desinteresse van een publiek dat kale feiten vraagt omdat het de toelichting niet begrijpt, dat een hype nog wel herkent maar dat nooit meer de vraag stelt wat er behalve die hype nog te halen is.

Vragen zijn dit niet, eerder boutades. Want ik denk dat het allemaal enigszins waar is, hoe genant dat ook is. Halverwege de jaren negentig stond ik er met mijn neus bovenop toen de Volkskrant, net als andere kranten, toegankelijker werd: we gingen over criminaliteit schrijven (‘misdaad’ mocht het nog niet heten, die was van de Telegraaf) en toen Big Brother begon, was de weerslag daarvan ook te vinden in Stroom of de rubriek Dag in Dag uit – zij het na enkele weken aarzelen.

De Volkskrant is meegegaan in een popularisering die werd aangejaagd door de kijkcijferslag op televisie. Sinds de komst van commerciele televisie in 1989 vechten omroepen elkaar de tent uit om een paar zilverlingen (de reclamegelden). Hoewel er wel steeds meer werd geadverteerd op tv, moest de koek zodanig door steeds meer partijen worden verdeeld dat een uur televisie steeds goedkoper moest worden.

Dat kon ook best, tot op zekere hoogte. Een uur NOS-tv kost nu een derde van wat het tien jaar geleden kostte. Daar zijn die programma’s niet verschrikkelijk veel slechter van geworden. De NOS is – net als de individuele omroepen, publiek en commercieel – allengs efficienter gaan produceren. Bovendien is techniek door de jaren heen spectaculair veel goedkoper geworden (denk camera’s, denk digitale techniek). Overigens is die rek er nu uit; als de NOS opnieuw moet snijden, snijdt de NOS in programma’s, en dus in mensen.

De snoeiharde concurrentie op televisie heeft de kwaliteit van de actualiteitenrubrieken niet veel goed gedaan. Tenminste: als je journalistieke kwaliteit definieert als het waarheidsgetrouw en in evenwichtige proporties brengen van nieuws en achtergronden met grote maatschappelijke betekenis. De manier waarop het nieuws is opgeleukt, waarop het naar de mensen ‘in het land’ is vertaald, en vooral de wijze waarop de ene na de andere hype over het volk is uitgestort, staat haaks op die kwaliteitsnorm.

Ik wil hiermee niet hebben gezegd dat ik alle vernieuwingen in de journalistiek van de afgelopen vijftien jaar bij het grofvuil wil zetten, integendeel. We zijn betere verhalen gaan vertellen, we hebben onze nieuwsagenda verbreed (door inderdaad over misdaad en entertainment te gaan schrijven), we zijn gaan luisteren naar lezers (zonder dat we onze oren laten hangen naar die lezers), we zijn beeldender gaan werken (met soms spectaculaire infographics en flashanimaties online), en we zijn als kranten gaan inzien dat achtergronden en meningen minstens even belangrijk zijn als het eerstelijnsnieuws.

Dat gezegd hebbend: we hebben ons ook pijnlijk verloren in opgeklopte en maatschappelijk volmaakt irrelevante hypes. Wij, de media, zijn minstens even schuldig aan het buitensporig populariseren van de Haagse politiek, als de publiciteitsgeile politici dat zelf zijn. We hebben het steeds vaker over de man, en steeds minder over de zaak. We hollen als een horde hongerige wolven achter het nieuws en achter elkaar aan, we praten elkaar na zonder een kritische vraag te stellen, en citeren eindeloos steeds meer slecht geinformeerde deskundigen omdat we te beroerd zijn even naast die pseudo-werkelijkheid te kijken.

We doen dat allemaal omdat we dachten dat we er lezers en kijkers mee zouden winnen, maar ik sluit niet uit dat die lezers en kijkers ons door hebben. Dat ze dondersgoed begrijpen hoe leeghoofdig ons nieuws soms is, dat daar hun wantrouwen vandaan komt, de revolte van de lezers. Soms geloof ik dat ook die postmoderne mediaconsumenten van onder de 40 eigenlijk zitten te wachten op een krant of een tijdschrift dat journalistieke kwaliteit nog wel als conditio sine qua non handhaaft (en wens ik Trouw en Vrij Nederland veel geluk).

Want als dat het niet is, wat dan wel? Als pulp en platheid niet boeit, en de onbevredigde behoefte aan kwaliteit een illusie is, wat is dan de toekomst van de journalistiek?