Vloeibare journalistiek

Onlangs was er een felle discussie gaande over de scheiding van Kerk en Staat. Mag een rechter het verplicht bidden op school of in een bedrijf verbieden? Ook spraken mensen over het bezoek van Charles en Camilla aan de Verenigde Staten, waarin iemand onthulde dat dit bezoek al lang gepland was, maar na ‘9-11’ telkens werd uitgesteld omdat Charles publiekelijk te pro-Islam zou zijn. Het meestgelezen nieuwsbericht van de dag was de uitkomst van een stemming over de bouw van een nieuwe school, waaruit bleek dat alle zwarte burgers voor en alle blanke buurtbewoners tegen hadden gestemd.

Dit alles klinkt als de normale gang van zaken in een lokale nieuwsorganisatie zoals een regionaal dagblad of plaatselijke omroep. Niets is minder waar. Dit was een gewone dag op de website en in de gratis krant ‘Bluffton Today’, sinds april 2005 gepubliceerd door de Morris Publishing Group in Bluffton en omstreken. Bluffton is een snelgroeiende gemeenschap aan de Atlantische kust van de Amerikaanse staat South Carolina. In korte tijd vestigden zich hier meer dan tienduizend gezinnen. De krant heeft een oplage van ongeveer 17.000 examplaren en de website blufftontoday.com wordt elke maand gemiddeld 36 keer per gezin bezocht. Wat de krant en de site zo bijzonder maakt, is dat het nieuws en alle andere inhoud – zoals foto’s, weblogs, verkeersinformatie, cultuuragenda en wat dies meer zij – van Bluffton Today door geregistreerde gebruikers verzorgd wordt. Sommige van deze gebruikers zijn professionele journalisten. Verreweg de meesten van de ruim tweeduizend gebruikers zijn buurtbewoners zelf. Daarnaast is het een interessant gegeven dat 70 procent van alle gebruikers vrouwen zijn (tegen een gemiddeld percentage van 20 procent vrouwen werkzaam in de dagbladsector van de journalistiek).

Het Amerikaanse voorbeeld van Bluffton Today staat niet op zichzelf. In Nederland laat het Dagblad van het Noorden buurtbewoners hun eigen nieuws maken via Nieuwslokaal.net, opende het vernieuwde Algemeen Dagblad onlangs de online rubriek ‘Uw Nieuws’ en experimenteert De Volkskrant met een lezersblog. Ook in andere landen maken nieuwsorganisaties zich steeds sterker voor bijdragen van iedereen. Internet- en omroepbedrijven deden dit veelal als eerste, maar nu is ook de statige gedrukte media-industrie omver: het Franse Le Monde, het Zuid-Afrikaanse Mail & Guardian en het Duitse Rheinische Post deinzen al geruime tijd niet meer terug voor ‘lezersnieuws’ op hun websites. Toch staat ook deze voortschrijdende vertroebeling van de grenzen tussen maker en gebruiker, tussen producent en consument, en tussen professional en amateur in de journalistiek niet op zichzelf. Sterker nog, de idee van de gebruiker als innovator dan wel partner in het productieproces is dagelijkse kost voor allerlei sectoren van de wereldeconomie. Autobedrijf BMW laat een nieuw model laten ontwerpen aan de hand van suggesties van trouwe klanten. Computerspelontwikkelaars Valve en Linden Lab sporen gamers aan tot het ontwerpen en exploiteren van hun eigen versies en onderdelen van commercieel uiterst succesvolle spellen als Half-Life en Second Life. Reclamemakers betrekken virale marketing steeds meer in hun werk, waardoor advertenties voor bijvoorbeeld de Mini Cooper, Burger King en Heineken een interactief feest van spelletjes spelen, discussies voeren en zelf eind-producten maken worden.

Niets van dit alles is echt nieuw of revolutionair. We kennen sinds het midden van de 20ste eeuw voorbeelden van piraatradio, muurkranten en het gebruik van de kantoorkopieermachine als “the people’s printing press.” Ook daarvoor zijn er genoeg voorbeelden te vinden van eigen media maken, vooral in folkloristische zin: marktplaatstheater, hofdichters, reizende verhalenvertellers, lofzangers. Wat dit alles een heus eigentijds karakter geeft, is de mate waarin eigen productie het tegenwoordig wint van massale consumptie, de snelheid waarmee de technologie en de markt zich aan dit individuele mediamakersgedrag aanpassen, en de wereldwijde zichtbaarheid hiervan. Je zou kunnen zeggen dat in het 20ste eeuwse tijdperk van massamedia ons individuele mediagedrag nagenoeg onzichtbaar bleef – die tijd lijkt nu, met meer dan 25 miljoen weblogs wereldwijd en een kleine 3 miljoen bijdragen aan de collaboratieve online encyclopedia Wikipedia (waarvan 100.000+ in het Nederlands) voorgoed voorbij. Een in november 2004 uitgevoerd survey onder 1.100 Amerikaanse tieners wijst uit dat de overgrote meerderheid (57%) eigen media maakt, mixt en uitwisselt. Ook in Nederland laat onderzoek van bijvoorbeeld Miramedia zien hoe jongeren met speels gemak allerlei media combineren en door elkaar heen gebruiken om te lezen, kijken, luisteren, surfen, fotograferen, schrijven enzovoorts. Mediaconsumptie is met andere woorden voor jongeren vandaag de dag synoniem met mediaproductie. Dat hoogstpersoonlijke mediamaken betekent niet alleen dat we wel eens wat posten op een website of elkaar foto’s sturen die we met de digitale camera van onze mobiele telefoon maakten – het komt ook tot uitdrukking in onze zogenaamde ‘massa-personalisering’: we passen voortdurend de apparaten aan die we gebruiken om kennis te nemen van de wereld: onze eigen zenderindeling, ringtone, desktop en screensaver, programmavoorkeur op de digitale videorecorder, enzovoorts. Ons gebruik van al dit soort nieuwe media is daarbij zowel pervasief als alomtegenwoordig: we maken en gebruiken media in een ‘altijd aan’ omgeving (we zijn nooit onbereikbaar) en doen dit waar we willen, wanneer we willen – zie de populariteit van steeds kleinere, eenvoudig te bedienen draagbare vormen van media: iPod, laptop, draagbare DVD-speler, Personal Digital Assistant en vanzelfsprekend het mobieltje.

Daarnaast nemen steeds meer mensen ook de volgende stap in het ‘prosumeren’ (mediagedrag waarin productie en consumptie samengaat): we maken onze eigen computerspellen (zie bijvoorbeeld Garagegames.com) of passen deze naar eigen wensen aan (zogenaamde “modifications” ofwel ‘mods’), we maken onze eigen encyclopedie (Wikipedia.org), onze eigen politiek (MoveOn.org), onze eigen televisie (Current.TV), en ons eigen nieuws (van Fok tot Maroc punt nl). Dit in toenemende mate eigengereide gedrag zien we terug in alle andere domeinen van het dagelijkse leven. In publieke zin stemmen we bijvoorbeeld niet meer, maar doen we wel steeds meer zo nu en dan mee met allerlei “single issue” acties, demonstraties en organisaties. Daarbij spoort de overheid ons in toenemende mate aan tot zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid. In private zin zien we vooral bij jongeren dat zij sneller (en vaker) van partner wisselen en de idee van ‘eeuwige’ trouw weliswaar een mooi ideaal vinden, maar tegelijkertijd afhankelijk maken een invulling van egocentrische eisen en behoeften. Ook in het bedrijfsleven is een op eigenbelang gebaseerde wegwerpcultuur dominant aanwezig. In managementkringen is veranderingsdenken troef en wordt van de werknemer individuele flexibiliteit en intensief sociaal netwerken verwacht. Dit komt tot uitdrukking in een snelle groei van tijdelijke contracten, freelance werk en hoge arbeidsmobiliteit – met name voor beroepen waarbij diploma’s van beroeps- en universitaire opleidingen een vereiste zijn. Juist in de media-industrie is dit werkpatroon te zien, waar vooral in de televisie- en internetwereld nauwelijks met vaste aanstellingen gewerkt wordt, het aantal freelancers en zogenaamde ‘stringers’ bij dagbladen en tijdschriften toeneemt, en waar het in de wereld van reclame, Public Relations en marketing communicatie heel normaal wordt gevonden om bij afronding van een of meer projecten elders emplooi te vinden. Dit niet omdat de bestaande werkgever met ontslag dreigt of het werk niet meer interessant is; nee, werkers wisselen steeds sneller van werkplek omdat in de huidige cultuur van wat de Amerikaanse socioloog Richard Sennett ‘flexibel kapitalisme’ noemt de idee van bedrijfsloyaliteit en routinematige arbeid volstrekt verleden tijd is. Stilstand is achteruitgang. De destructieve dynamiek van onze laat-moderne tijd vraagt, nee, eist om voortdurende verandering, aanpassing en impliceert daarbij ‘vooruitgang’. Dit is echter een progressie van het individu, die haar of zijn eigenbelang boven alles stelt en nergens aan ‘vast’ kan zitten: huwelijk noch werkgever, partner noch politieke partij, omroeplidmaatschap noch tijdschriftabonnement.

Zeker, de alomtegenwoordigheid en ongekende populariteit van interactieve, wereldwijd genetwerkte en grotendeels met winstoogmerk ontwikkelde informatie- en communicatietechnologieën zijn deels debet aan deze ontwikkelingen. Toch zijn deze nieuwe media niet de oorzaak, maar hooguit de aanjagers van de maatschappelijke verschuiving waarin we in deze vloeibaar moderne tijd verzeild zijn geraakt – daarvoor hebben alle geschetste trends en voorbeelden één aspect tezeer gemeen: de doorgeslagen personalisering van het alledaagse. Of, zoals het volk in Monty Python’s Life of Brian eensgezind uitkraait: “yes, we are all individuals!”

De Individuele Samenleving

De hedendaagse samenleving is tot op het bot geindividualiseerd, waarin (zoals Zygmunt Bauman het uitdrukt) de manier waarop individuen hun eigen problemen definiëren en proberen op te lossen steeds meer het exclusieve referentiekader voor de publieke zaak lijkt te zijn. Individualisering is geen keuze, maar een onvermijdelijkheid. Soms is er zelfs sprake van ‘hyperindividualisering’, waarmee verwezen wordt naar ons lidmaatschap van de “global village” als volstrekte eenlingen zoals we ons verschuilen achter laptop, modem en mobiele telefoon (ik verwijs bijvoorbeeld naar de uiterst succesvolle ‘LekkerSingle’-site van De Volkskrant). In de verbrokkeling van het sociale cement van zuil, moskee, staat, school, huwelijk en gezin is nagenoeg volstrekte zelfredzaamheid en een uniform beroep op de ‘eigen’ zaak te zien. Deze ontwikkeling draagt bij tot een toenemend gevoel van onrust en onzekerheid zoals dit door brede lagen van de bevolking gedeeld wordt. Wat hierbij vooral boeiend is, hoe de traditionele instituten van de moderne tijd – zoals de familie, overheid, pensioensverzekeraars, en nieuwsmedia – blijven voortbestaan, terwijl mensen tegelijkertijd aan dergelijke sociale instanties geen automatisch vertrouwen meer (kunnen) hechten. Hiermee verworden zij tot zogenaame ‘zombie’ instellingen (vrij naar de Duitse socioloog Ulrich Beck): levend en toch dood, zaken die steeds wisselende betekenissen krijgen in de manier waarop eenieder vanuit zichzelf hiervoor kiest. Deze rijkdom van de eigen keuze in alle aspecten van het alledaagse – wat door de Brit Anthony Giddens als een ‘democratisering van de emoties’ omschreven wordt – is daarmee ook een vorm van armoede, aangezien niemand kan voorspellen wat de consequenties van elke keuze zijn. We leven dus weliswaar in een tijd van ongekende individuele keuzevrijheid, maar zijn tegelijkertijd tot speelbal van structurele onzekerheid verworden.

De onzekerheid als permanente conditie van het alledaagse wordt niet in het minst gevoed door de journalistieke gefixeerdheid op negatief nieuws. De alomtegenwoordigheid van media – gekenmerkt door een nagenoeg volkomen digitale, draadloze, genetwerkte en ‘altijd aan’ omgeving – maakt ons voortdurend bewust van onze machteloosheid enerzijds, en onze individuele uniekheid anderzijds. Machteloos, omdat we in een snel globaliserende leefomgeving steeds minder lijken te kunnen doen aan alles wat ons afkomt: Brusselse EU-politiek, wereldwijde migratiestromen, religieuze en maatschappelijke verharding onder invloed van conflicten die zich tienduizenden kilometers van onze achtertuin verwijderd afspelen en een sociaal systeem dat zich steeds meer geleid weet door de wet van vraag en aanbod: de markt. Inderdaad: geen ideologie is zo doordrongen van eigenbelang als het (flexibele) kapitalisme. In onze overgave aan de markt wortelt onze vrijheid en uniciteit als individu.

Het is van wezenlijk belang dat we de groeiende neiging onder brede lagen van de bevolking om zich af te keren van traditionele sociale instanties – met name de politiek en de journalistiek – en gaandeweg het heft in eigen handen te nemen zien als logisch exponent van een brede culturele ontwikkeling, welke expressie krijgt in de manier waarop we met z’n allen met media omgaan. Het meest recente onderzoek naar het mediagebruik van de gemiddelde Amerikaan of Nederlander laat zien dat we het merendeel van onze tijd besteden met media: van de wekkerradio, keukentelevisie en gratis forenzenkrant via de e-mail op het werk en het mobieltje op school tot de soap op ‘prime time’, het uurtje avondsurfen en een nachtelijk zaprondje langs alle zenders. Daar komt nu dus de culturele convergentie van mediaconsumeren en -produceren bij. Het is niet meer dan vanzelfsprekend dat de grotendeels door commerciële belangen gedreven massamedia zich hierop aanpassen, hetgeen in de journalistiek vooralsnog betekent dat de nieuwsinhoud in toenemende mate tot stand komt aan de hand van afstemming op en personalisering van eenieders individuele interesses. Toch blijft de journalistiek in haar interpretatie van de verpersoonlijking van het alledaagse steken in een instrumentele benadering, welke uitgaat van een mensbeeld dat het volk – de burgers of consumenten zo U wilt – niet anders dan als ‘publiek’ kan zien. Dit heeft tot concreet gevolg dat de verpersoonlijking van het eigentijdse nieuws vooral neer lijkt te komen op meer oppervlakkige en opgeleukte berichtgeving voor een snel verdwijnende massa in plaats van het bieden van achtergronden, duiding en 1-op-1 (in het jargon van nieuwe media: peer-to-peer ofwel ‘P2P’) dialoog. Toch blijkt uit mijn eigen onderzoek onder journalisten in Nederland en daarbuiten dat zij duiding en interpretatie tegenwoordig belangrijker vinden voor hun werk dan louter het brengen van het laatste nieuws. De journalistieke uitleg krijgt daarbij het karakter van een kakofonie van columnisten in plaats een adequate en respectvolle weergave van de discussie die de samenleving met zichzelf heeft. Dit is geen aanklacht tegen het toenemende infotainment-gehalte van het nieuws. Dit is een aanklacht tegen het feit dat dergelijk zogenaamd ‘zacht’ nieuws over het algemeen wanstaltig slecht gemaakt wordt. Laat ik benadrukken dat nieuws en achtergronden over onderwerpen op het gebied van de liefde, de zorg, populaire cultuur en alles wat met lifestyle te maken heeft in een sterk geindividualiseerde samenleving zonder structureel sociaal cement van enorme waarde is.

Iedereen is op zoek naar de beste manier om elke dag weer honderden ingewikkelde keuzes te maken en een journalistiek die hier intelligent en respectvol mee om weet te gaan wint de strijd om de aandacht. Deze gedachtengang doortrekkend, moeten we wellicht concluderen dat in ons wereldwijde eigenbelang de basis ligt voor een nieuwe vorm van gezamenlijkheid. In dit verband spreekt Manuel Castells van ‘hypersociabiliteit’ als de nieuwe dominante vorm van sociale samenhang, waarbij de collectieve zaak bestaat uit genetwerkte individualiteit. De manier waarop mensen online met elkaar omgaan en bij elkaar uitkomen – in chatrooms, op discussiefora, groep weblogs, Instant Messaging omgevingen – is daarbij symptomatisch voor de wijze waarop de samenleving als geheel opschuift naar een steeds anoniemere en sterk individualistische invulling van wat het betekent om deel uit te maken van een geheel; dit is wat de Nederlandse communicatiewetenschapper Jan van Dijk wel de ‘netwerksamenleving’ noemt. Dat ‘geheel’ waar mensen bij horen wisselt voortdurend: soms zijn we loyaal aan onze sexe, soms aan onze (vermeende) etniciteit of kleur, soms aan onze beroepstak en als Nederland voetbalt tegen Duitsland aan onze nationaliteit. Dit betekent dat zelfs het meest persoonlijke deel van ons leven, onze eigen identiteit, ook aan eindeloze ‘herplanting’ onderhevig is. Ik wil daarom nogmaals benadrukken hoe belangrijk het is – juist voor de journalistiek! – te onderkennen hoezeer de politiek van het alledaagse (Giddens introduceerde hiervoor het veelomvattende begrip “life politics”) mensen dwingt elke dag beslissingen te nemen in een sociale context van permanente onzekerheid. De Amerikaanse schrijver, zanger, acteur en uitgever Henry Rollins merkte hierover al eens op dat mensen in overheid en de media “are into this weird misconception that we’re stupid. They think you’re dumb they think I’m dumb and that’s just so much bullshit. No one is dumb man, they just get dumb media.” Hij heeft een punt: ‘domme’ mensen hebben vandaag de dag weinig kans te overleven in onze informatiesamenleving en mediamakers lijken dit cruciale aspect van de eigentijdse ‘vloeibare’ moderniteit volstrekt te onderschatten.

Waarom Journalistiek?

In een samenleving waar steeds meer aspecten van het dagelijkse leven bepaald worden door ons eigenbelang, is het voor op klassiek modern sociaal cement en traditionele gemeenschapszin gebaseerde sociale systemen – en ik herhaal: dit zijn vooral de (landelijke) politiek en journalistiek – steeds lastiger een geldig antwoord te vinden op de vraag: waarom bestaan wij? Het journalistieke zelfbeeld van het bieden van ‘sociaal cement’ leunt zwaar op de veronderstelling dat een gemeenschap bestaat op basis van consensus. Dat wereldbeeld was wellicht mogelijk te handhaven in een situatie waarin het opinieklimaat door slechts enkelen gedomineerd werd: een handjevol publieke omroepen, dagbladen, tijdschriften en politieke partijen, waarvan het bestuur telkens uit nagenoeg dezelfde oude witte rijke mannen bestond. Hoewel dit een karikatuur is, is het wezenlijk om vast te stellen dat een klassieke opvatting van journalistiek en overheid gelegitimeerd is door een samenleving waarin vrouwen geacht werden om thuis voor de kinders en piepers te zorgen, migranten louter als ‘gastarbeiders’ even mochten komen werken en jongeren op geen enkele manier serieus genomen werden. Op dit moment bestaan dit soort grievende ongelijkheden nog steeds in onze samenleving, maar zijn ze steeds meer onderwerp van onderhandeling en individuele keuze.

Onderzoek onder journalisten wijst steevast uit, dat de meeste redacteuren weliswaar hun best doen om ‘het publiek’ te dienen, maar dat dit publiek toch in hoog tempo verdwijnt: door vergrijzing (naar schatting is de gemiddelde leeftijd van een dagbladlezer of televisienieuwskijker vijftig, respectievelijk zestig jaar en aan de onderkant van de leeftijdspiramide komt er bijna niemand bij), door het niet serieus nemen van ‘nieuwe’ doelgroepen (zoals vrouwen, etnische minderheden en jongeren), en door ‘disintermediëring’: het passeren van traditionele poortwachters zoals journalisten en politici door individuele burgers in hun zoektocht naar informatie. In de eigentijdse kenniseconomie ofwel informatiesamenleving is het daarbij steeds meer noodzaak voor elke burger om zélf journalist te zijn: we leven een ‘redactionele’ maatschappij, waar ons overleven afhankelijk is van het effectief en doelmatig vinden, evalueren, bewerken, aanpassen en doorsturen van informatie. De journalistiek legitimeert haar bestaansrecht sinds jaar en dag met het argument, dat in de context van information overload professionele schifting meer dan ook noodzakelijk is. Daarbij vergeet men gemakshalve dat we met z’n allen steeds beter in staat zijn dit zelf te doen – en dat de gemiddelde wereldburger niet alleen informatie verwerkt, maar juist ook produceert. Dit alles mag in de context van een samenleving die tegelijkertijd verkleint (individualisering) en vergroot (globalisering) leiden tot oncontroleerbare versnippering, welke ontwikkeling door beleidsmakers en verslaggevers graag wordt aangegrepen als bewijs voor hun alleenrecht op het bepalen van de collectieve agenda en publieke zaak. Wederom blinkt een dergelijk standpunt uit door het niet verder dan de grenzen van de eigen professie willen zien: in de door en door verpersoonlijkte samenleving zijn we meer met elkaar en de rest van de wereld verbonden dan ooit tevoren. Genetwerkte individualisering is de nieuwe vorm van sociale cohesie en bestaat steeds meer onafhankelijk van tijd, plaats, afstand en landsgrenzen. Aangezien de journalistiek geen collectief platform weet te bieden voor onze individuele behoefte tot expressie, erkenning en dialoog, keren mensen zich van massamedia (en massapolitiek) af, en worden bewindsvoerder, hoofdredacteur en daarmee biograaf van zichzelf.

Journalistiek lijkt niet meer nodig omdat iedereen journalist is. De journalistiek lijkt overbodig omdat de samenleving steeds meer een redactioneel karakter krijgt, waar iedereen voortdurend met elkaar in nieuwsvergadering zit om te besluiten wat de meest belangrijke en relevante informatie van de dag, het uur of het moment is. Desondanks laat vooral het voorbeeld van het Amerikaanse Bluffton Today zien dat de journalistiek wel degelijk bestaansrecht heeft – ten minste als het er in slaagt om het gesprek dat de samenleving met zichzelf heeft te versterken en er aan deel te nemen als gelijke. Dat betekent in abstracte zin dat de journalistiek meer fluide dan wel ‘vloeibaar’ moet worden, meer onderdeel moet gaan uitmaken van onze dagelijkse worsteling met het geven van betekenis aan zaken die ooit zo vast leken te liggen. Een deel van de samenleving vindt hier (soms) een antwoord op door zich terug te trekken in de schijnzekerheid van het fundamentalisme, zowel op het terrein van politiek als religie. Een ander deel haast zich om zich gewapend met laptop, mobieltje en universiteitsdiploma te storten op een vooralsnog onuitgewerkt cosmopolitisch en hyperindividueel burgerschap. Tussen beide extremen zitten de meesten van ons – en zij zijn het die de klassieke journalistiek het snelste links laten liggen door ons niet serieus te nemen en onze problemen met het alledaagse te bagatelliseren, of erger nog: tot onderwerp van ridicule te maken.

Voor politici, intellectuelen en journalisten die zich zorgen maken over de doorgeschoten individualisering en popularisering van de nieuwsmedia geldt de waarschuwing, dat hun cultuurpessimisme en de situatie waarnaar zij terugverlangen afhankelijk was van structurele maatschappelijke ongelijkheid: de discriminatie van vrouwen en allochtonen, het niet hoeven luisteren naar burgers of consumenten, en het behandelen van het volk als onmondig stemvee dan wel onnozel abonneebestand dat eens in de zoveel tijd naar de slachtbank van het politiek en journalistiek bedrijf geleid werd. De samenleving krijgt steeds meer het karakter van een (wereldwijd) gesprek. Dat is wellicht niet altijd even prettig, handig, of mooi – maar het is onvermijdelijk. En misschien is het ook wel beter zo.

Januari 2006 – aantal woorden: 3.333 – (c) Mark Deuze 

Opmerking: dit is de uitgebreide versie van een essay dat in het December 2005 nummer van De Helling verscheen. Reacties zijn welkom!

Reacties zijn gesloten.