Mores, lingo en avatars

Het zat er al even aan te komen: tijd voor een nieuw hoofdstuk in PopUp, het open source ‘boek’ dat Marc Deuze en ik op deze site schrijven over de botsing tussen oude en nieuwe media. Nu moet het niet gaan over de manier waarop journalisten met elkaar en hun media omgaan, of met hun lezers, maar hoe lezers met elkaar omgaan. Als ze, zoals wij betogen, mede-producenten worden, of ‘prosumers’, dan wordt de vraag ook interessant welke omgangsvormen daarbij horen. De mores, dus.

Aan het begin van dit hoofdstuk staat de discussie die door Thom Meens, ombudsman van de Volkskrant, is aangezwengeld (mijn reactie hier). Mogen bloggers bij die krant eigenlijk wel zomaar alles anoniem roepen, of moeten er spelregels worden afgedwongen. Mag iedereen onbeperkt onder een schuilnaam op alles reageren, of zijn open sites zoals die van Dagblad van het Noorden (de krant waarvoor ik werk) gedoemd in hun streven te mislukken? Kan het op internet nog anders dan anoniem, of moeten we dat niet willen?

Bij de omgangsvormen op het net horen taal en identiteit. De lingua franca online lijkt te bestaan uit msn-abberaties (‘w8ff’, ‘zjg’), terwijl het voor jongeren – denk ik totdat het tegendeel bewezen wordt – de normaalste zaak van de wereld is om meer dan een identiteit te hebben. Dat ze zich verschuilen achter een nickname is maar de halve waarheid; een nick is ook een identiteit die een enorme waarde voor ze kan hebben, een virtuele, tweede persoonlijkheid (soms ‘avatar‘ genoemd), waaraan hun online reputatie hangt.

Eerder heb ik hier geschreven dat ik weinig heil verwacht van repressie (verbiedt anonimiteit maar) of isolationisme (we sluiten ons af voor buitenstaanders). Ik denk dat die geen soelaas meer bieden in een netwerksamenleving die zo snel aan het veranderen is. Liever zou ik zien dat we de potentie van het internet gebruiken om de bestaande mores te laten evalueren tot iets waarmee meer mensen uit de voeten kunnen. Waarmee ik maar bedoel dat ik niet makkelijk mee wil gaan in een anything goes-houding die je ook wel tegen komt online.

Kortom, we gaan op zoek. Naar literatuur over de mores van internet, en vooral naar de ontwikkeling van die mores. Naar voorbeelden en lotgevallen. Naar groei en bloei van netspeak en naar misschien wel het meest interessante onderdeel: het fenomeen van de tweede identiteit. Zoals ik eerder ergens noteerde (in De Yahoo-generatie en het einde van de krant): na het ik-tijdperk gaat het er niet meer om dat je jezelf wilt zijn: waarom zou je alleen jezelf zijn als je tegelijkertijd ook iemand anders kunt zijn?

Reacties zijn gesloten.