Mediacratie, wantrouwen en de wijze lessen van web 2.0

21 januari 2006 Geen categorie 0

Politiek en media verwijten elkaar dat ze verantwoordelijk zijn voor het feit dat de burger de een noch de ander vertrouwt. Popularisering maakte meer kapot dan ons lief was, maar de klok terugzetten kan niet: dan winnen we vertrouwen, maar verliezen de laatste lezer. De oplossing zit in de lessen van web 2.0: betrouwbaarheid is niet wat je dacht dat het was.

Al jaren is er iets mis met de politiek en met de media. Zowel met elk afzonderlijk, als met de verhouding tussen beide. Dalende oplages en afnemend vertrouwen zijn hier de graadmeters. Naar mate ze heviger onder druk staan, worden de verwijten die politiek en media elkaar maken venijniger. Politici verlangen meer regulering van de media. “Bemoei je niet met ons”, is de reactie.

Hoewel het debat al enige tijd gaande is, beweegt het wel een bepaalde kant op. Lees bijvoorbeeld het pleidooi van Thom de Graaf, oud-D66-minister, voor regelgeving die de media moet dwingen tot zorgvuldiger berichtgeving (afgedrukt in de Volkskrant van 21.1.2006). Dat sluit qua toon aardig aan bij de Haagse neiging de publieke omroep aan de leiband te leggen.

Volgens De Graaf is er ook iets mis met de politiek. Media en politiek houden elkaar in een wurggreep. Politici bieden geen enkele weerstand aan de hypes, aan de kijkcijferdwang, aan de behaagzucht en aan de tranentrekkende versimpeling en vermenselijking van het nieuws. Ook politici zouden wat bedachtzamer moeten zijn in hun reacties op het nieuws, vindt De Graaf. Hij pleit voor slow politics, of nog beter: deliberate politics.

De Graaf is niet blind voor ‘ontwikkelingen’ in de media, zoals de toegenomen bereidheid om verantwoording af te leggen (waarmee hij onder meer moet doelen op ombudsmannen). Dat mag van hem nog wel verder gaan: “Overheidsmaatregelen zijn wat mij betreft niet principieel ondenkbaar; transparante verantwoording tast de persvrijheid niet aan, maar dwingt tot zorgvuldigheid en integriteit van berichtgeving.”

De Graaf hield zijn pleidooi “Politiek en mediamacht” op uitnodiging van het Katholiek Instituut voor Massamedia. Als co-referent reageerde Pieter Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant en voorzitter van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren. Zijn waarneming: het valt wel mee met “de mediacratie waarin politici zijn overgeleverd aan de willekeur van journalisten”.

Ja, de media hebben macht, erkent Broertjes. Dat schept een verantwoordelijkheid op het gebied van integriteit, betrouwbaarheid en kwaliteit. Maar de media zijn de laatste tien, twintig jaar volgens Broertjes beduidend beter geworden, terwijl het juist schort aan de transparantie van Den Haag: tegenover elke Haagse verslaggevers staan vier voorlichters “die voortdurend bezig zijn te voorkomen dat ongefilterde informatie naar buiten komt”.

Broertjes verzet zich tegen de externe controle van de media waartoe De Graaf wil overgaan (“niet principeel ondenkbaar”). Die verdraagt zich categorisch niet met de vrijheid van meningsuiting. “Media controleren de macht en niet andersom. De overheid zou zich er helemaal niet mee moeten willen bemoeien.”

Wantrouwen

Drie vragen dringen zich op. 1. Waarom is het vertrouwen in politiek en media zo sterk afgenomen? 2. Hoe kun je dat vertrouwen herstellen als “ze je toch niet geloven”? En 3. Doet vertrouwen er überhaupt nog toe, of is “het niet meer interessant of informatie nog betrouwbaar is of niet” (zoals Mark Deuze laatst opmerkte in het VPRO-programma De Ochtenden; ik citeer hier Volkskrant-columnist Wim de Jong).

Over de eerste vraag is het meest geschreven. De komst van commerciële televisie heeft geleid tot kijkcijferdwang en steeds plattere tv-formats: alles moest simpeler en menselijker, sneller en goedkoper. Dagbladen konden die trend niet negeren. Het aanbod op televisie creëerde een vraag op papier. Of in banalere termen: als iedereen over Big Brother praat, kun je – ook als je NRC Handelsblad heet – niet blijven volhouden dat BB nergens over gaat.

Nu dagbladen en publieke omroepen in zwaar weer verkeren – vooral economisch, maar ook existentieel: aan hun bestaansrecht wordt getwijfeld – grijpen beide terug op ‘kernwaarden’. Dat zijn hun betrouwbaarheid, geloofwaardigheid en kwaliteit. De popularisering waarmee ze zich de afgelopen vijftien jaar hebben verzet tegen RTL en SBS, zijn hun niet helemaal goed bekomen. Niet dat ze er spijt van hebben (de krant is beslist leesbaarder geworden), maar onderweg zijn ze wel iets kwijtgeraakt. En er is te weinig voor in de plaats gekomen.

Wat kranten en andere ‘oude media’ moeten doen: hun kernwaarden uitbreiden. Naast betrouwbaarheid moet transparantie komen te staan. Naast geloofwaardigheid hoort authenticiteit. Naast kwaliteit hoort betrokkenheid. Dat zijn de kernwaarden die door jongere mediaconsumenten hogelijk worden gewaardeerd. Hoe kom je aan het nieuws, wat vind je er zelf van, komt het uit de eerste hand, wat wil je ermee zeggen, wat heb ik er aan?

Ik denk dat ‘de media’ het geschonden vertrouwen niet kunnen herstellen door de popularisering terug te draaien. Dan houden ze op den duur geen publiek en lezers over, en dus geen herwonnen vertrouwen. Meer dan ze al doen, moeten ze verantwoording afleggen, vooral in hun alledaagse doen en laten. Openheid is de essentie: laat zien wie je bent en waar je staat als journalist, wees bereikbaar voor commentaar (alsof je een politicus bent, inderdaad!), en zoek naar verhalen uit de eerste hand (geen woordvoerders, spindoctors en gegooglede voorlichters meer).

Zombie-vak

De derde vraag is natuurlijk de meest interessante. Doet vertrouwen er nog wel toe? In een column in de Volkskrant steekt Wim de Jong de draak met Mark Deuzes opvattingen over burgerjournalistiek (“Iedereen is journalist” – zie ook hier). Daarmee is het vak van journalist tot ‘zombie-vak’ verklaard. Betrouwbaarheid speelt geen rol meer, omdat jongeren zelf wel uitzoeken wat waar en wat niet waar is. Wie betrouwbaar wil zijn, roept deernis over zich af: ach, kijk aan toch, die oude man en zijn oude ideaal.

Ik verdedig Mark Deuze hier niet tegenover Wim de Jong. Dat kan hij prima zelf en bovendien ben ik met beide te goed bevriend om nog geloofwaardig te zijn als man-in-the-middle. Maar hun polemiekje-in-wording is wel een goede aanleiding om dieper in te gaan op de vraag wat betrouwbaarheid nog eigenlijk betekent. En voor wie het iets betekent. Maakt betrouwbaarheid het verschil – om het maar eens in Acda & De Munnik-Nederlands te zeggen.

Misschien zit het zo. Misschien is betrouwbaarheid niet weer wat die was. Voorheen hing betrouwbaarheid aan een merk, was het onderdeel van een imago. Het gezag van een krant was gebaseerd op een goede naam die in de loop van tientallen jaren was opgebouwd. Die goede naam werd in stand gehouden door de loyaliteit van lezers; het was een wisselwerking waarbij de lezer zijn identiteit ten dele ontleende aan de krant die hij las (waarvan hij lid was), terwijl de krant gedijde op die voortdurende imagobevestiging.

Maar de tijd van de Grote Merken is voorbij – net als de tijd van de Grote Verhalen (de ideologieen). Concumenten zijn minder trouw dan ooit en het kost merken meer moeite dan ooit om die consument nog te bereiken. Terzijde: dit is een waarheid van hooguit 55 procent, net iets meer waar dan onwaar, maar voor de discussie niettemin tamelijk bruikbaar.

Het goede nieuws is dat er iets voor in de plaats is gekomen. In het internettijdperk hebben consumenten geleerd elkaar te vertrouwen, daarbij geholpen door krachtige en snelle databases waarin wordt opgeslagen wat iemand doet, of hij zich aan zijn afspraken houdt (of de kluit belazerd) en wat anderen daarvan denken. Op basis van zulke mechanieken, ondenkbaar en onbestaanbaar zonder internet, werken commerciële websites als eBay en Amazon, en steeds meer sociale netwerken als Hyves.

Reputatiesystemen en “gedistribueerde accountability” zijn volgens mij twee van de belangrijkste principes in wat wel web 2.0 wordt genoemd, de sinds ongeveer een jaar om zich heen grijpende vernieuwing van internet (lees bijvoorbeeld Tonie van Ringelestijn). Oude media doen er verstandig aan zich te verdiepen in de ideëen achter web 2.0. Dat is een kwestie van welbegrepen eigenbelang.