Avatars als konijnen

Een kleine tien jaar geleden, internet was met de beursgang van Netscape wakker geschopt als massamedium, waren avatars het onbegrepen speeltje van een artistieke en wetenschappelijke elite. Nu lijkt die belangstelling te tanen. Het is alsof de intellectuele voorhoede opnieuw verveeld is geraakt, en misschien wat teleurgesteld omdat niet alle fantastische vergezichten uit de eerste wilde, antiautoritaire jaren van het world wide web werkelijkheid zijn geworden.

Naar mate de avatars er ‘echter’ begonnen uit te zien, en het minder verbeelding kostte om achter ‘de flikkering op een beeldscherm’ een persoon en zijn verhaal te vermoeden, werd de virtuele wereld minder spannend voor de early adopters. Voor de massa is het toen pas goed begonnen. De ontwikkeling van virtuele spelwerelden als Habbo Hotel, Runescape, Final Fantasy, Star Wars en vooral World of warcraft is steeds sneller gegaan. Inmiddels houden screenagers van 12 en 13 jaar avatars alsof het konijnen zijn.

De kloof die internetgebruikers scheidt van de rest, wordt wel the digital divide genoemd. Het is een waterscheiding tussen rijk en arm, zwart en blank, tussen de derde en de eerste wereld dus, maar vooral tussen jong en oud. Meer dan wat dan ook is het een generatiekloof: er zijn dramatische verschillen tussen kids die in het afgelopen decennium met internet opgroeiden en hun ouders die tegen beter weten in de achterstand proberen in te halen, als ze de strijd niet al lang hebben opgegeven.

Met de term ‘screenagers’, al in 1997 gemunt door Douglas Rushkoff, wilde die Newyorkse columnist, schrijver en cyberpunk aangeven hoezeer de kids al zijn vergroeid met hun beeldscherm. Dat was heel anders gegaan dan hun ouders hadden gedacht. Juist jongeren kunnen uitstekend uit de voeten met wat ouderen ervaren als een uitputtende, zelfs bedreigende information overload. Ze kijken tv terwijl ze msn-nen over een spel dat ze online spelen – en ondertussen maken ze hun huiswerk. Ze laten zich niet gek maken. Ze regisseren, zei Rushkoff, hun eigen chaos. Ze multitasken in een vanzelfsprekende beeldcultuur en stellen hun eigen identiteit knippend en plakkend samen.

The digital divide wordt in de eerste plaats geassocieerd met competenties: niet weten hoe een muis werkt. En met toegankelijkheid: geen geld hebben voor een computer en een breedbandverbinding. Ik denk dat er meer aan de hand is. Vijftigplussers volgen computercursussen en pc’s worden nog altijd goedkoper, maar de kloof tussen de generaties wordt nauwelijks kleiner.

De internetgeneratie gaat anders met elkaar om, heeft andere codes, een andere lingua franca (een mengelmoes van basaal En-gels, straattaal en kapitaalloze msn-afkortingen). Wie niet tot de ingewijden behoort, begrijpt de mores niet en wordt buitengesloten. Dat zou niet zo erg zijn als het overging, net als kalverliefde, Robbie Williams, of puist-jes. Maar dit, internet als leefwereld, gaat niet meer voorbij.

De generatiekloof verklaart misschien de gemene clash tussen oude en nieuwe media. Het diepe wederzijdse wantrouwen. Het totale onbegrip. Geen pregnanter voorbeeld dan de bittere strijd over anonieme reacties op nieuwsberichten. Vertegenwoordigers van oude media als Volkskrant-ombudsman Thom Meens, NRC Handelsblad-hoofdredacteur Folkert Jensma en internetpublicist Herbert Blankesteijn vinden het nog altijd volkomen normaal dat een brievenschrijver in de krant zijn echte naam moet gebruiken, terwijl de jongere generatie dat imperatief ridicuul vindt. Een naam is niet altijd een naam. Echt is niet altijd echt. Meens denkt dat jongeren zich verschuilen achter een nick, terwijl dat ‘andere zelf’ voor die jongere veel meer is dan een schuilnaam. Omgekeerd gelooft Meens dat een naam waarachtig iets zegt over je identiteit – een notie die de Google-generatie onbegrijpelijk naïef vindt.

De verbeten discussie over bloggers die anoniem scheldbrieven posten lijkt te gaan over burgermansfatsoen (‘Dat doe je toch niet’), maar berust op een tragisch misverstand. Wat de één een gruwel is, vindt de ander vanzelfsprekend. Wat voor de één verfoeilijke anonimiteit is, is voor de ander niet meer of minder dan de default instelling van internet. Altijd zo geweest, nooit anders gekend, werkt prima. Wat volgens de één onherroepelijk tot problemen leidt op internetfora (‘Iraakse toestanden’, noemde een redacteur bij de Volkskrant het), is in de beleving van de ander de conditie waaronder veel goeds – het internet zelf nota bene – tot stand is gekomen.

Natuurlijk is een post op een weblog iets anders dan een bijdrage aan de meningenpagina van NRC Handelsblad. Op het web is immediacy de norm: de buitenwacht reageert direct – en daardoor geregeld ondoordacht, onbeholpen of onbeschoft. Natuurlijk wordt de hand gelicht met spellingsregels en grijpt een internetredacteur zelden of nooit in om een tekst te fatsoeneren.

De papieren krant hoeft dat allemaal niet te accepteren, sterker nog: dezelfde jongeren die op internet in het dieventaaltje van msn anoniem over niets chatten, zouden vreemd opkijken van een Forumpagina die stijf staat van de taalfouten. Kennelijk is het ene medium het andere niet, en bepaalt het Umfeld – om die reclameterm maar te lenen – hoe een ingezonden stuk wordt gelezen.

Het is een strijd met ongelijke middelen. Jonge mediaconsumenten verwachten van journalistieke instituten opperste transparantie (“Laat me zien waar je als krant voor staat”), maar is niet van plan zelf zo transparant te zijn. Wat je zegt, wie je bent, hoeveel je prijsgeeft – het hangt allemaal van de omstandigheden af.

In rond Nederlands: een krant is een krant, een blog een blog. Dat gaat goed zolang de krant geen blog wil zijn, en het weblog niet de pretentie heeft zich op hetzelfde journalistieke niveau te bewegen als een gerenommeerd dagblad. Nu de Volkskrant op het web volkskrantblogs is begonnen, en startlog.nl straks een papieren krant gaat uitgeven met bijdragen van bloggers, heb je de poppen aan het dansen. De normen van de een worden gebruikt om het probleem van de ander te lijf te gaan – en dat wil niet.

Nu we het misverstand bij de kladden hebben, kunnen we proberen verder te komen. Traditionele media die zich willen verbreden naar nieuwe, interactieve media – en wie wil dat niet?! – kunnen proberen hun normen op te leggen aan de bezoekers van hun websites en blogs, met de meest eerbare bedoelingen desnoods, maar hoeven dan niet te rekenen op al te veel begrip van de digirati. Het is allicht wijzer uit te zoeken hoe dat kennelijk zit, op internet, met identiteiten, verantwoordelijkheden en anonimiteit.

Reacties zijn gesloten.