Wat je bent, dat zeg je zelf

11 maart 2006 Geen categorie 0

Wie ik ben op internet, bepaal ik zelf. Wie ik nu wil zijn, zegt weinig over wie ik morgen ben. Wáár ik nu ben, ben ik misschien iemand anders dan waar ik straks ben. De gelegenheid schept inderdaad de identiteit, op internet.

Dat is even wennen. Toen er nog geen internet was, toen je een naam had en een sofi-nummer, toen dat postmoderne gelazer met avatars het gewone leven nog niet ontregelde, toen was een van de wezenskenmerken van identiteit juist dat die onveranderlijk was.

Je smaak kon veranderen, je uiterlijk, je imago (wie anderen vonden dat je was). Maar wie je echt was, welke persoon je in wezen was, bleef constant. Het was een soort garantie tegen de grillen van de geschiedenis, tegen de streken van het lot. Een zekerheidje. Het enige dat ze je niet konden afnemen. Daarom was die ook uniek, je identiteit. Onverwisselbaar. Wat anderen ook van je dachten, naast die anderen was je om te beginnen anders. Onveranderlijke uniciteit, dat is wat je identiteit bepaalt in de analoge wereld. Op het net heerst echter wispelturigheid, verschieten identiteiten van kleur alsof het niets is, terwijl ze probleemloos gekloond kunnen worden, geleend, verkocht en geadopteerd. Het is als dat oude kinder-aforisme: wat je zegt, dan ben je zelf, maar dan letterlijk: je bent wat je zegt dat je bent.

Identiteit op internet lijkt ondraaglijk licht. Zo vluchtig dat het weinig om het lijf heeft. Dat is een misverstand. Virtuele identiteiten, ook als ze niet de cartooneske eigenschappen van avatars hebben, zijn even complex als onbegrepen. En dat onbegrip wordt voor een niet gering deel veroorzaakt doordat identiteit op het net lijkt te beginnen met kolderieke nicks en lijkt te eindigen bij obscure anonimiteit. Alsof anonimiteit het ontbreken van identiteit impliceert, wat het niet doet, en het net ten prooi is aan losbandige schuttingtaalvandalen en onverantwoordelijke uitvreters, terwijl het tegendeel waar is.

Op het net, in de wereld van weblogs, op de virtuele marktplaats van eBay en in een universum als Second Life, wordt je identiteit op een andere wijze geconstrueerd. Anonimiteit is daarvan een veelvoorkomend element, zij het geen onomstreden.

Wie zich een oordeel wil vormen over de anonimiteit van bloggers, komt uit bij critici als Kevin Kelly, mede-oprichter van Wired, nog altijd senior writer bij dat Amerikaanse maandblad en een van de beste denkers over webtechnologie en de netwerksamenleving. Maar uitgerekend de techno-idealist Kelly schreef onlangs dat systemen waarin anonimiteit de norm wordt, gedoemd zijn te falen.

Het is zijn verklaring voor de problemen van Wikipedia. De ‘open’ internetencyclopedie, die door een goeddeels anoniem collectief wordt onderhouden, liep een lelijke imagodeuk op toen bleek hoe eenvoudig lemma’s een loopje met de waarheid kunnen nemen. Kelly: “Gemeenschappen die geïnfecteerd zijn met anonimiteit, zullen ofwel instorten, ofwel overgaan naar pseudo-anonimiteit, zoals eBay.”

Bij die veilingsite is de identiteit van een aanbieder of koper niet onmiddellijk zichtbaar. Iedereen gebruikt een nickname, alias of screen name, maar die gebruikersnaam is indien nodig traceerbaar. Vergelijk het met een nummer van een creditcard, dat door banken aan een mens van vlees en bloed kan worden gekoppeld. Kelly spreekt van pseudo-anonimiteit en zet zich af tegen de beweging die pleit voor absolute anonimiteit.

In links-liberale kringen wordt het recht op anonimiteit nog altijd hardnekkig gekoppeld aan de vrijheid van meningsuiting, een grondrecht dat een probaat middel dient te blijven tegen Misbruik van de Macht: klokkenluiders moeten vooral anoniem klokken blijven luiden, terwijl het maatschappelijke nut van anonimiteit onder repressieve regimes (China bijvoorbeeld) evident is.

Kelly ziet wel in dat anonimiteit in beperkte dosering geen kwaad kan, zoals sommige giftige metalen in kleine doses ongevaarlijk zijn, maar gelooft dat zij fataal wordt zodra ze in overmaat wordt toegediend. Dat klinkt sympathiek. Toch zit hij ernaast, zeg ik Bruce Schneier (blog) na, een internetbeveiligingsexpert die in Wired uiteenzette waar Kelly een klein gelijk en een groot óngelijk heeft. Punt is, zegt Schneier, dat het niet om anonimiteit gaat, maar om accountability, om verantwoording en rekenschap.

Kijk nog eens goed naar eBay. Op ‘s werelds grootste veilingsite kennen vragers en aanbieders elkaar alleen bij hun gebruikersnamen. Dat eBay niettemin floreert is niet te danken aan de pseudo-anonimiteit, zoals Kelly vermoedt, maar aan het reputatiesysteem waarmee alle partijen elkaar waarderen – of te kijk zetten als doortrapt en onbetrouwbaar. Het is simpel: hoe meer punten je van andere eBay-bezoekers krijgt, hoe fleuriger de ster wordt naast je gebruikersnaam.

Schneier hecht vooral waarde aan de database van eBay, waarin elke transactie wordt opgeslagen: “eBay’s feedback-systeem werkt niet omdat er achter elke gebruikersnaam een achterhaalbare identiteit zit, het werkt omdat aan elke anonieme gebruikersnaam een lijst met transacties is gekoppeld. Als iemand vals speelt weet iedereen dat.”

Omgekeerd is het betrouwbaarheidsprobleem van Wikipedia niet te wijten aan het feit dat anonieme auteurs onzin verkopen, zegt Schneier. Onbetrouwbaarheid van een systeem is de consequentie van gedistribueerde accountability. Een encyclopedie als de Britannica wordt vertrouwd vanwege de merknaam. Wikipedia heeft die reputatie niet, en moet het hebben van de manier waarop zijn medewerkers verantwoording afleggen. Die zal bij zulke grote aantallen auteurs altijd kwetsbaar zijn, zelfs al zou je weten door wie elk lemma geschreven is.

Het argument van Schneier gaat verder. De second-best oplossing van Kelly, pseudo-anonimiteit, heeft intrinsieke schaduwkanten. Ze is zo goed als de thrusted third party die moet bijhouden welke identiteit er achter welke nick zit. En ze is zo veilig als het land waarin je leeft, of de tijden waarin je verkeert. Ook in Nederland wordt nu hevig geprotesteerd tegen wetgeving die het justitie mogelijk maakt om de logs van internetproviders te bekijken, ofschoon die hun klanten hebben beloofd dat ze de privacy waarborgen. Zelfs als we dat nu, onder de dreiging van terreur, goedkeuren (“Ik heb toch niets te verbergen”), moeten we ons realiseren dat de tijden kunnen veranderen en databanken de neiging hebben te blijven bestaan.

Schneier: “Pseudo-anonimiteit is niet meer dan beperkte anonimiteit. Het is anonimiteit voor wie geen macht heft, en niet voor degenen met macht. () In Kelly’s wereld – een perfecte wereld – is beperkte anonimiteit voldoende omdat de enige mensen die je kwaad kunnen doen degenen zijn die niet achter jouw identiteit kunnen komen, en niet de machthebbers die dat wel kunnen.”