Jezelf Opnieuw en Herhalen: De Digitale Cultuur van Undo!

Soms zie je ze nog wel, in antiekwinkels of rommelmarkten: stokoude typemachines, roestig en loodzwaar. Tot aan het einde van de jaren tachtig van de 20ste eeuw was dit het voornaamste medium dat we gebruikten om te lezen en te schrijven. Als je naar de opmaak en het ontwerp van dagbladen kijkt, zie je de mechanische precisie van de schrijfmachine terug: het lettertype is strak, de kolommen kaarsrecht, getikte tekst domineert en alles is gedrukt op speciaal papier.

De opkomst van kranten en tijdschriften als massamedia hing nauw samen met de popularisering van de typemachine – beide ontwikkelingen namen aan het eind van de 19de eeuw een grote vlucht. De krant is als economisch medium te vergelijken met een groot winkelcentrum: het biedt een allegaartje van produkten, diensten en informatie bijelkaar gebracht in een doeltreffend stramien, waardoor je aan de hand van uithangborden, logo’s en uitnodigende etalages rondgeleid wordt in een wereld waar je eerst nauwelijks weet van had. Ook het fenomeen van het winkelcentrum kwam juist vanaf het begin van de 20ste eeuw pas echt goed op gang en de ‘massamedialisering’ van gedrukte media werd aldus mogelijk gemaakt door adverteerders uit de samenwerkende winkelcentra-branche.

De journalisten in deze periode ontworstelden zich van politieke en religieuze banden en gingen zich onder invloed van een seculariserende en commercialiserende maatschappij steeds meer als ‘objectieve waarnemer’ gedragen. Dit is iets wat we nogal eens vergeten: objectiviteit als nieuwswaarde in de journalistiek komt voort uit een behoefte om de krant en het tijdschrift (en dus vooral de advertenties daarin) te verkopen aan een zo breed mogelijk publiek. Objectiviteit is een commercieel ideaal, een bewijs van een goede verkoopstrategie en niet zozeer een noodzakelijk teken van ‘goede’ journalistiek…

Een derde belangrijke ontwikkeling welke parallel liep met de opkomst van gedrukte media als voornaamste massamedia in de samenleving was die van de parlementaire democratie en het algemeen kiesrecht. De lokale en landelijke politiek ging zich in de loop van de 20ste eeuw orienteren op een groeiende middenklasse burgers die elke vier jaar naar de stembus geleid moest worden. Aldaar aangekomen moest de burger een afgewogen keuze kunnen maken tussen steeds meer verschillende partijen, kandidaten en doelstellingen. De krant en het tijdschrift waren de logische extensies van deze maatschappelijke ontwikkelingen, en sinds vooral het midden van de 20ste eeuw kent de journalistiek dan ook als voornaamste mantra (naast de klantenbindende objectiviteit): het zo goed als mogelijk bedienen van een ‘geinformeerde’ burgerij, daartoe gesponsord door de ondernemingen wiens produkten (kleding, consumentenelectronica, eten en drinken) je meestal in winkelcentra aantreft.

Qua vorm en indeling sloot de krant perfect aan bij het beschavingsideaal van deze periode in de geschiedenis: streng hierarchisch georganiseerd met onveranderlijk het belangrijkste (‘harde’) nieuws op de voorpagina en op ‘de drie’, met al het nieuws systematisch gerangschikt naar onderwerp en thema, met grote nadruk op zo neutraal mogelijke berichtgeving, zodat elke weldenkende, rationele burger zijn (want ‘haar’ werd nog niet zo serieus genomen) eigen mening kon vormen en blootgesteld kon worden aan dezelfde informatie over de laatste zomercollectie of supermarktaanbiedingen.

Vanaf de jaren zestig en zeventig in de vorige eeuw ontstond naast dit mediamodel en burgerschapsideaal een nieuwe vorm van massamedia: de televisie. Na enkele pogingen om op het scherm de printcultuur door te vertalen (in het begin van de televisie- geschiedenis las een norsige presentator het nieuws voor dat eerder die dag werd aangeleverd via de krant, het persbureau en de radio) werd het aloude model van strenge systematiek overboord gegooid ten faveure van een non-lineaire, sterk geproduceerde en bij tijd en wijlen flitsende stijl van verhalen vertellen.

In plaats van zelf de betekenis achter de woorden te zoeken, interpreteerde de camera voor ons de werkelijkheid: aan de verbeelding werd steeds minder overgelaten om dat de beelden voor zichzelf spraken. Maar we zagen niet alleen wat de camera voor ons registreerde: we zagen tegelijkertijd ook het verleden (flashbacks), details (zoom) en het grotere geheel (pan). Met andere woorden: de mediaconsument ging de werkelijkheid steeds meer als bewerkt en manipuleerbaar ervaren.

In dezelfde periode – de tweede helft van de 20ste eeuw – nam de consumptiecultuur een hoogvlucht: de Klant werd Koning, de supermarkt werd steeds groter door de snelle uitbreiding van het aantal produkten in de schappen en het aantal klanten in de rij voor de kassa. Het televisienieuws, de populaire televisieserie (Dallas) en de televisiequiz met Willem Ruis: het zijn belangrijke momenten in de mediageschiedenis omdat ze nadrukkelijk afstand namen van de printcultuur. De beeldcultuur was vooral onrustig, wispelturig en open-eindig. Aan het eind van de soap was het wachten op de volgende episode; aan het einde van het NOS Journaal had je wel veel gezien maar wist je nog steeds niet waar dat allemaal mee te maken had, elke quiz eindigde weer met de aankonding van een nieuw begin. In plaats van wereldleiders zagen we in de loop van de jaren tachtig steeds meer sensationele beelden van hongerende kinderen in Afrika, een huilende Mies Bouwman, dansende voetballers: emoties vierden hoogtij en leenden zich bij uitstek voor verbeelding – minder voor verwoording.

Nederlanders gingin zich in de loop van deze tweede helft van de 20ste eeuw ook steeds minder gedragen als de ideale burgers uit de dagbladperiode: mensen gingen minder stemmen en als ze dat al deden, leek dit steeds meer gebaseerd op een gevoel in plaats van een afgewogen orientatie op alle beschikbare informatie. De elektronische mediacultuur was er een van het ‘hier en nu’ (hetgeen niet verwonderlijk de titel was van een populair acutaliteitenprogramma) en Nederlanders gingen voor het laatste nieuws in toenemende mate naar de televisie in plaats van de krant.

Met de komst van de afstandsbediening (vooral vanaf het begin van de jaren tachtig) en een gestage toename van het aantal zenders veranderde deze aanpak snel. Aan het einde van de 20ste eeuw – de hoogtijdagen van de beeldcultuur – leek de televisie qua vorm, inhoud en organisatie helemaal niet meer op het dagblad of tijdschrift van weleer. Als kijker werden we geconfronteerd met een kakofonie van beeld en geluid, waarbij de esthetiek van jaren tachtig zenders als MTV, CNN en in Nederland Veronica de verbeelding van de eigentijdse burger in kaart brachten als zijnde hypernerveus, intuitief, zappend, ongeduldig, wispelturig en sterk individueel: voor elk wat wils, liefst in hapklare brokken en soundbites, actueel en altijd nieuw. Hierdoor migreerden veel adverteerders van de statige (en statische) gedrukte media naar de televisie en werden de deadlines voor reclamemakers steeds strakker, aangezien de beeldende advertentiefilmpjes steeds meer op de laatste maatschappelijke trends en ontwikkelingen konden (en moesten) inspelen.

Nu, aan het begin van de 21ste eeuw, komt hiernaast – want beide culturen bestaan natuurlijk nog steeds – een derde, digitale cultuur. De digitale cultuur heeft als eigen medium het internet, waaronder tal van toepassingen vallen die elk weer een uniek karakter hebben: Usenet, e-mail, instant messaging, chat en vooral het World Wide Web (geintroduceerd in 1993). De razendsnelle popularisering van internet onder invloed van het Web aan het einde van de jaren negentig viel samen met talrijke maatschappelijke omwentelingen: de val van de Berlijnse Muur (1989), de gestage liberalisering van China (vooral na de protesten op het Tiananmen plein van 1989), het einde van Apartheid in Zuid-Afrika (1990-1991), het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en het einde van de Koude Oorlog… voeg daarbij de economische hausse van medio jaren negentig en ons geluk kon niet op.

De door de elektronische cultuur verbeelde ontwikkelingen raakten in een stroomversnelling: de samenleving individualiseerde in hoog tempo, hetgeen vooral tot uidrukking kwam in het wegkwijnen van op collectiviteit gebaseerde sociale instituten: we zegden onze abonnementen op dagbladen en tijdschriften op, trokken ons terug uit het verenigingsleven, bleven weg uit de kerk en zegden ons lidmaatschap van de politieke partij op. Dat betekende overigens niet dat mensen niet meer sociaal betrokken waren – nee, burgers leken vooral te zeggen: laat me zelf maar uitmaken wanneer, hoelang en op welke manier ik mee doe met de rest. We werden onszelf.

Na de migratie door Arm in de jaren zestig en zeventig volgde een wereldwijde migratie door Rijk – verhuizingen naar een ander land zijn nu heel normaal en studeren in het buitenland staat vermeld op de meeste C.V.’s. Bijna iedereen bleef maar naar school gaan en het grote aantal studenten op universiteiten en hogescholen deed de studiefinanciering tot op haar voegen barsten. We werden kritischer, eigenzinniger, eigenwijzer.

We groeiden op in een media-omgeving waarin de individuele gebruiker steeds meer controle kreeg over haar ervaring – aangejaagd met de introductie van de eerste Personal Computer (PC) in 1981, de computermuis, de huidige generatie mobiele telefoon (met GSM standaard uit 1993) en vooral de spelcomputer met joystick. Al dit soort nieuwe media delen een belangrijk kenmerk: ze geven de gebruiker steeds meer controle over zijn of haar media-ervaring en verleiden zo tot steeds intensiever en immersiever mediagebruik.

De digitale mediacultuur lijkt daarmee sterk op de snel veranderende maatschappij, waarin we dus steeds meer keuzes opeisen voor onszelf en ondergeschikt maken aan ons eigenbelang. Dat betekent niet dat er geen sociale verbanden meer zijn, of dat we ons niets meer aantrekken van hetgeen er in de maatschappij allemaal mis is. In de digitale cultuur zijn al dit soort verbanden net zoals de hyperlinks op deze Website: vluchtige verwijzingen naar andere mensen, ideeen en idealen die tijdelijk betekenisvol zijn, maar vaak al heel snel weer onbruikbaar, onvindbaar en verouderd zijn. Deze mediacultuur is daarmee een uitvergroting van de hedendaagse netwerkmaatschappij.

In een netwerksamenleving zijn sociale verbanden (zoals families, werkkringen en nationaliteiten) niet meer een vaststand gegeven of gebonden aan een fysieke lokatie of bepaalde periode in ons leven, maar komen dit soort verbanden tussen mensen tot stand over de hele wereld ongeacht tijd en plaats. Ook lijken de sociale verbanden vandaag de dag net zo samenhangend als los zand: het aantal scheidingen is groter dan het aantal huwelijken, adoptie is heel gewoon, vrijgezellen vormen de overgrote meerderheid (zowel in de stad als op het platteland) en de grootste werkgevers ter wereld zijn: uitzendbureau’s (specifiek: Manpower).

Digitale media zijn in feite een prachtige vertaling van de netwerkgedachte, zowel qua infrastructuur (een computernetwerk), toepassingen (de meest populaire sites en diensten online zijn gebaseerd op sociale netwerken, zoals het zoekalgoritme van Google of de veilingsite eBay), als gebruikersgedrag. We klikken, chatten, mailen en bloggen dat het een aard heeft, blijven nooit erg lang op een site hangen, nemen onregelmatig deel aan talloze netwerken, nieuwsbrieven, discussiegroepen en wat dies meer zij en stellen in toenemende mate onze eigen media samen aan de hand van creatief knippen, plakken, selecteren, redigeren, Popup, Undo en Redo.

Wat de implicaties van deze derde mediacultuur zijn is nog verre van duidelijk, maar we kunnen het snel eens worden over de kenmerken van onze digitale ‘altijd aan’ netwerksamenleving. Onze werkelijkheid, identiteit en toekomstperspectief ervaren we steeds meer als flexibiliteit, impermanent, onbestendig, onvoorspelbaar, oncontroleerbaar en volstrekt afhankelijk van wat we er zelf mee willen doen. Dat is niet een wereld van Onbegrensde Mogelijkheden! Het is een wereld waarin elke vorm van langdurige investering, diepe worteling of systematische betrokkenheid stellig wordt afgeraden en afgedaan. Hypotheek of huwelijk, partij of partner: alles is en blijft voortdurend in onderhandeling.

Dit is wat de Pools-Britse socioloog Zygmunt Bauman ‘vloeibare moderniteit’ noemt (ook al zoekt hij de correlate met de ontwikkelingen in de mediacultuur slechts indirect op); een tijd waarin alle mediaculturen – gedrukt, elektronisch en digitaal – naast elkaar bestaan en in elkaar overlopen, en waarin niets – helemaal NIETS – ooit nog vast ligt. Inclusief ons idee van wie we zijn, waar we bij horen en waarom dat zo is.

Reacties zijn gesloten.