Albertina Soepboer moest winnen

27 april 2006 Geen categorie 0

Grote prijzen in de kunst zijn groot en belangrijk omdat ze grote kunstenaars prijzen. Dat is minder een open deur dan het lijkt. Want de VSB-prijs voor poëzie gaat dit jaar niet naar Joost Zwagerman, Ilja Leonard Pfeijffer of Albertina Soepboer, terwijl die drie dichters de 25.000 euro elk meer hadden verdiend dan een van de vijf wel genomineerde schrijvers. De VSB-prijs loopt hierdoor het risico niet langer voor vol te worden aangezien, laat staan dat zij nog langer de belangrijkste poëzieprijs van Nederland en Vlaanderen mag heten.

Dat is tamelijk jammer. In de dertien jaar van haar bestaan heeft de prijs een prachtige lijst winnaars opgebouwd. Hugo Claus, de grootste dichter in ons taalgebied, was in 1994 de eerste laureaat. Na hem werden Vroman, Kopland en Kouwenaar bekroond, en jongere dichters als Duinker, Stitou en Michel.

In die rij hoort een Vlaamse bard als Roland Jooris niet thuis, evenmin als Peter Ghyssaert, ook een Vlaming, of de Hollandse minor poet Martin Reints. Men voelt ‘m al: Jooris, Ghyssaert en Reints zijn met hun in 2005 verschenen bundels terecht gekomen op de shortlist voor de VSB-prijs. En dat is, gegeven de pijnlijke afwezigheid van alleen al Pfeijffer, een gotspe.

Ilja Leonard Pfeijffer, ook wel sarrend aangeduid als ILP, is weliswaar voor veel collega-dichters een onaangenaam mens, want een criticus met een grote bek, maar ook is ILP een honderd keer betere dichter dan Jooris, Ghyssaert of Reints zijn.

De nominaties voor de morgen uit te reiken VSB-prijs zijn zo bizar dat je de jury bijna zou loven voor een gedurfde, polemische keuze. Er moet wel een dieper idee schuilen achter de selectie van vijf dichters die gemeen hebben dat hun werk de stilte opzoekt, naar mompelen neigt, en – bij drie van de vijf – op de sloomste bladzijden elk risico mijdt. Geen beelden die je naar de strot grijpen, geen regels die zich voorgoed in je vastzetten.

Roland Jooris (1936, Wetteren) schrijft al vijftig jaar gedichten. Dat is op zichzelf een prestatie, maar Als het dicht klapt is een heel dun boekje, met magere regels over niet zo heel erg veel. Dat is bij Jooris ook zowat de bedoeling. Hij zoekt het in taal die wil millimeteren en dus mijlen ver verwijderd blijft van drama. Geen onvertogen woord, geen zin die je niet meteen weer vergeten kunt.

Net zo schraal is Martin Reints (1950, Amsterdam). Een dichters-dichter: gewaardeerd door collega’s maar door een groter publiek nauwelijks opgemerkt. Kleine verhaaltjes vertelt Reints in Ballade van de winstwaarschuwing, helemaal niet onaardig eigenlijk, in bijna aandoenlijke spreektaal, zo gewoon en volstrekt niet verontrustend dat het slaapverwekkend wordt. Zoals het gedicht Lucht: ‘Terwijl de wolken/veranderen in andere wolken/drijven de wolken voorbij’.

Peter Ghyssaert (1966, Wilrijk) is al minder kalmerend. De gedichten in Kleine lichamen beginnen als gewone, zij het speculatieve verzen, versluierend, een tikje absurd. Later in de bundel gaan ze langzaam over in proza, maar de verhaaltjes blijven even suggestief, als een boosaardig sprookje dat maar niet op wil houden. Maar grote poëzie, nee, dat nu ook weer niet.

Als Esther Jansma (1958, Amsterdam) de VSB-prijs al niet had gewonnen in 1999, zou zij hem nu winnen. Alles is nieuw bevat spannende poëzie over wat juist niet nieuw is, maar oud en vergankelijk en voorbij. ‘Het hoefde alleen maar gevonden te worden’ is een typische regel van Jansma, maar toch ook weer een voorbeeld van ‘denkerige’ poëzie, een beetje zoals Kouwenaar of Hans Faverey hardop kunnen denken in ge dichten. Soms is dat hemeltergend mooi en dwingend, soms alleen maar denkerig.

De VSB-prijs had zichzelf een dienst bewezen door Pfeijffer te bekronen, of diens tegenpool, Joost Zwagerman, al was het maar omdat zij beide de Nederlandse poëzie stevig opgeschud hebben met bundels die uiterst verontrustend zijn, weergaloos van taal en berstensvol beelden. Maar Pfeijffer is nu eenmaal de over het paard getilde criticus, terwijl Zwagerman het imago heeft van een zondagsdichter, de schrijver van veelgelezen romans die de poëzie er in het weekend bijklust; het ogenschijnlijke gemak van Roeshoofd hemelt, en Zwagermans quasi-ongeïnteresseerde voorlezen uit die bundel, werken kennelijk niet in zijn voordeel.

Daarom had Albertina Soepboer de VSB-prijs moeten winnen. Haar Zone was de beste gedichtenbundel van 2005, slechts bedreigd door het duo van hierboven. Zone biedt een bizarre, heftige reis door Europa, waarin dreiging en liefde, heden en verleden, passie en argwaan door elkaar heen lopen.

Maar ook Soepboer werd niet uit de stapel van 101 ingezonden bundels tevoorschijn gehaald. De onvermijdelijke winnaar wordt dus de vijfde genomineerde, Mark Boog (1970, Utrecht). Dat is niet heel erg. De encyclopedie van de grote woorden is een noest avontuur: het kan geen kwaad als een dichter in alle ernst gedichten begint te schrijven die God heten, of Inspiratie, of Het kwaad, en desalniettemin met een paar verrassingen komt, en regels als: ‘Je gaat gekleed in de kleur van je haar,/in je ogen, je passen en je woorden’. Boog – wiens werk op internet en in zalen van rock, showballet en animaties wordt voorzien – is in elk geval een dichter die het grote gebaar niet schuwt.