De massa neemt de media over

Ill: de VolkskrantDe nieuwe site van de Volkskrant draait nu een paar weken, met flash-video en met nieuwsberichten die niet meer hoeven te wachten op de krant van morgen maar meteen online gaan. De Volkskrant zet daarmee een trend waaraan ook andere kranten als pakweg Dagblad van het Noorden, The Times en The Guardian meedoen. (Disclaimer: ik werkte 16 jaar voor de Volkskrant, en werk nu voor DvhN).

Dankzij het videonieuws is de Volkskrantsite bijzonder verrassend, en interessant als experiment: is dit de vorm waarin lezers online langs het wereldnieuws willen zappen? De presentatie van het nieuws in teletekstritme – het laatste bovenaan in een-regelige items – is een heldere keuze, maar na een paar weken storen mij details: de lijst is lang en eenvormig en daardoor niet zo toegankelijk.

Veel belangrijkwekkender is de discussie die Joost Ramaer opnieuw aanzet op De Nieuwe Reporter. Hij stelt vast dat de Volkskrant nu de interactie met de lezer heeft opgezocht, maar de “agenda-setting” misschien nog te weinig aan die lezer overlaat. Waar het nieuws over gaat, is wat journalisten bepalen.

Toen de Volkskrant met blogs begon, vond ik dit weliswaar een fascinerend initiatief maar leek het me ook te weinig consequent: op de blogs mogen VK-lezers anoniem alles zeggen, maar op de gewone site kan dat niet, laat staan dat ze in de krant mogen reageren volgens de normen van het net (per vandaag moeten ook auteurs van reacties op de site hun echte naam geven als die reacties in de krant geciteerd worden; het stuk van ombudsman Thom Meens staat nog niet op zijn blog).

Over de vraag hoe je met reacties op het nieuws moet omgaan, heb ik al veel geschreven. Kern ervan: het net en de krant zijn twee verschillende werelden. De normen van de een gelden niet voor de ander. En als je de twee werelden bij elkaar haalt, zoals de Volkskrant nu doet en we bij DvhN ook gaan doen, moet je inderdaad kiezen. Ik geef de VK gelijk: reacties van netgebruikers in de krant moeten ook ondertekend zijn.

Agenda-setting is iets anders. Ik las laatst over een mooi initiatief bij de Seattle Post I., een grote krant aan de Amerikaanse westkust. Daar worden ‘s ochtends de plannen voor de opiniepagina van de volgende dag online gezet op een virtual editorial board: we zijn van plan over dit en dat onderwerp te gaan schrijven. De lezers mogen zich dan met die keuze bemoeien. Het lijkt me een mooi experiment dat navolging verdient door een opiniedagblad als de VK.

In mijn reactie op de bijdrage op De Nieuwe Reporter – waaraan Joost referereert – heb ik al genoteerd dat er volgens mij ook grenzen zitten in de werking van “hive minds”, ofwel bijenkorfbreinen, ofwel de Wisdom of Crowds. Belangrijkste beperking: de trechtering, het elkaar nadoen en nabouwen, de middelpuntzoekende kracht die tot mode en hypes leidt.

De intrinsieke gebreken van “hive minds” moeten we op twee manieren te lijf. We moeten zoeken naar betere techniek, software die rekening houdt met die gebreken, meer dan metasites als digg.com nu doen. Die software zou ook het antwoord moeten bevatten op misschien wel ons grootste probleem: we zitten in een overgangsfase waarin de ene helft van onze lezers (40min) de omgangsvormen en netwerkeffecten op het net vanzelfsprekend vindt, terwijl de andere helft er niet mee kan omgaan, van kranten een ouderwetse selecterende rol van het nieuws verwacht en geen enkel vertrouwen heeft in “hive minds”.

Die transitie gaat nog vijf tot tien jaar duren. Het afgelopen jaar zagen we bij Dagblad van het Noorden al een significante verschuiving: waar de helft van onze online lezers vorig jaar nog vond dat de redactie de comments op de site moet modereren, en de andere helft dat helemaal niet nodig vond (je doet het dus nooit goed), is die verhouding nu 40-60. Langzaam maar zeker worden onze technische oplossingen geaccepteerd.

De tweede manier om de gebreken van “hive minds” te lijf te gaan, is: betere journalistiek. Ik zou veel aan de lezer willen overlaten, ik wil dat hij meepraat over het nieuws, en dat hij dat anoniem kan doen op het net. Ik heb vertrouwen in wiki-achtige software die collaboratieve processen van informeren ondersteunen. Maar er is een grens. Het is de grens waar civic journalism ophoudt en professionele journalistiek begint.

Die grens ligt niet waar hij nu lijkt te liggen – maar verderop. Burgerjournalistiek zal meer van ons werk overnemen dan we nu gemeenlijk accepteren. Het werk van professionele journalisten wordt daardoor moeilijker. Meer dan ooit moeten wij smaak, voorkeur, duiding, betrokkenheid, passie, intellectuele grillen, en niet te vergeten “vertelkracht”, tone of voice en authenticiteit aan het publieke debat toevoegen.

Dat doen we door betere verhalen te vertellen. Feiten die zonder ons verborgen zouden zijn gebleven. Verhalen die zonder ons wel worden verteld, maar niet zo zouden worden verteld. En we doen het ook door te bepalen waarover het in de media zou moeten gaan. Naar mate we beter in staat zijn het publiek daarin te laten meepraten, zullen wij zelf eigenwijzere keuzes moeten maken, tegendraadser, elitairder.

De massamedia waren op hun toppunt in de jaren vijftig, toen heel Amerika naar Lucy Ball keek. Sindsdien is het bergafwaarts gegaan, en is het publiek van de massamedia steeds verder versplinterd. Er komt een dag waarop de massa de media heeft overgenomen. Dat is niet erg, want onvermijdelijk (en zoals de deze week overleden Gerard Krul zei: “Problemen die je niet kunt oplossen, zijn geen problemen”).

Dat betekent niet het einde van de journalistiek. Wel het einde van veel van onze huidige journalistiek.