Den Haag zal de parlementaire pers omzeilen

29 juni 2006 Geen categorie 0

Minder peilingen, minder paardenkoersen, minder sfeerstukjes. Politiek commentator en columnist Hans Wansink is glashelder over de toekomst van het “Haagse nieuws”. Bij het in ontvangst nemen van de Anne Vondelingprijs voor politieke journalistiek waarschuwde hij voor wat dreigt als de pers in Den Haag verder gaat op de ingeslagen weg van verleuking en verlebbering: volstrekte irrelevantie.

In zijn toespraak – nog niet online – schetst Wansink in welke volmaakte omstandigheden de politieke journalistiek 25 jaar geleden verkeerde, toen de Vondelingprijs voor het eerst werd toegekend. De pers was kritisch en onafhankelijk uit de verzuiling gekomen. De politiek, die steeds minder kon rekenen op trouwe kiezers, had de media nodig. En het publiek las kranten als nimmer tevoren.

Dat allemaal is weg. De pers is vercommercialiseerd en in de jaren negentig steeds minder scherp geworden, ook al omdat toen de consensuscultuur toesloeg. Even leek het erop dat de media Den Haag de wet voorschreven: “We leven in een mediacratie waarin goedgebekte provocateurs als Pm Fortuyn en Henk Westbroek als rattenvangers van Hamelen opereren, schreef Wansink in zijn voortreffelijke proefschrift De erfenis van Fortuyn. Maar het blijkt een doodlopende weg te zijn. Sinds we niet drie maar meer dan tien tv-zenders hebben en elke politicus zijn eigen blog volschrijft, heeft Den Haag ons ook niet meer nodig.

“De komende verkiezingsstrijd zou wel eens een oefening kunnen worden in het omzeilen van de parlementaire pers”, zei Wansink. De politiek kan het zonder parlementaire pers. Bovendien heeft de lezer langzaam aan lak aan politieke berichtgeving die nergens meer over gaat, die een debat over vluchtelingen of AOW versimpelt tot een uitslagenblokje en liever meldt dat Hans Wiegel verliefd is dan ontrafelt welke macht het orakel uit Diever nog heeft.

Wansink heeft gelijk waar hij beweert dat politieke verslaggeving irrelevant dreigt te worden als die niet beter wordt, dieper spit, en onderwerpen agendeert die het politieke establishment minder goed uitkomen (al zal dat lot veel eerder de dagbladschrijvers treffen dan de televisiejournalisten). Betere verhalen die beter worden verteld zijn het laatste toevluchtsoord van de journalistiek. Zo bezien is het ironisch dat Wansink de 25ste Vondelingprijs kreeg voor een column: waar gewoon Haags nieuws te veel verkleutert en we aan onderzoek geen geld meer geven, is opiniejournalistiek het laatste te bekronen alternatief.

Maar er blijft een raadsel over. Waarom heeft de moderne mediaconsument geen belangstelling meer voor stevige politieke verslaggeving? Interesseert Den Haag hem niet meer, is de Fortuyn-revolte al weer uitgewoed en zijn politici weer even in zichzelf gekeerd als ze voorheen waren? Of gaat de desinteresse verder en heeft de lezer uberhaupt geen belangstelling meer voor maatschappelijke instituties? Of – ten derde – is de interesse er wel, maar hebben de media nog niet de juiste vorm gevonden om het nieuws te brengen?

In zijn boek schrijft Wansink over de “toeschouwersdemocratie”. De kiezer is onthecht, niet meer zo loyaal aan een partij en een stroming als 25 jaar geleden. Politici zijn mediagenieke persoonlijkheden geworden die steeds afhankelijker zijn van opiniepeilingen en van een kiezer die al shoppend zijn voordeel doet. “Het politieke debat is een publiek debat geworden en de media zijn het forum. Deze ontwikkeling houdt een verbreding, maar zeker geen verdieping van de democratie in”, schreef Wansink.