Negen geboden voor een Nieuwe Journalistiek (5): creativiteit

De meeste journalisten kiezen voor het vak in omdat ze een verhaal te vertellen hebben, omdat ze creatief (denken te) zijn. Het lijkt daarom onzinnig om te pleiten voor een nieuwe journalistiek welke vooral moet uitblinken in creativiteit. Toch lijkt creativiteit juist een enorm probleem voor mediawerkers in het algemeen en journalisten in het bijzonder.

In het Journal of Management Studies (van juli 2005) constateren Amerikaanse, Engelse en Spaanse onderzoekers dat zij, die van cultuurproduktie (zoals reclamemakers, muzikanten, televisieproducenten en journalisten) hun beroep maken, twee manieren hebben om creatief, origineel ofwel ‘authentiek’ voor de dag te komen.

Met de eerste strategie drukt de journalist haar creativiteit uit door het zo nauwgezet en perfect mogelijk nadoen wat de meeste anderen in het vakgebied daarvoor deden. Dat betekent dat zij de spelregels van het journalistieke vak – van de beroepsideologie tot de journalistieke technieken – moet beheersen zodat ze het foutloos kan uitoefenen. Een tweede manier is het ontwikkelen van een eigen, afwijkende stijl en manier van dingen doen.

Onderzoek wijst daarbij uit dat die tweede route – waar de meeste media professionals zich waarschijnlijk het best of het liefst in herkennen – vaker neerkomt op het zorgvuldig cultiveren van je eigen imago dan dat je warempel met een unieke stem kunt meepraten in het vak.

Een eigen, afwijkende dan wel unieke stem leren ze je meestal niet aan op de journalistenopleiding – en vooral niet op een redactie. Juist de beroepen waar je een hoge mate van individuele creatieve ruimte verwacht blijken in de praktijk nogal vijandig ten opzichte van (vooral nieuwkomers met) eigengereide opvattingen. Hooguit heb je de ruimte voor wat Freud ooit een “narcissism of minor differences” noemde – een concept dat ook terug te vinden is in de literatuur over de beroepsidentiteit van de zogenaamde ‘creatieven’ in de reclamewereld.

Dit soort gedrag wil bijvoorbeeld zeggen dat journalisten zichzelf graag afzetten tegen bepaalde andere journalisten (door op te merken dat dit geen ‘echte’ journalisten zijn) – populair daarbij zijn de roddelpers, de collega’s van het reiskatern, iedereen die voor de televisie werkt of nu de internetjonkies – om maar het gevoel te hebben dat wat zij zelf doen ‘anders’ is, ‘bijzonder’ is, ‘beter’ is. Toch gaan dat soort discussies nooit echt ver en stellen ze de grenzen van de journalistiek in feite niet zelf-kritisch aan de orde (“iedereen weet toch wat echte journalistiek is? Nou dan!“).

Ook betekent dit dat mediawerkers zich maar al te graag verschuilen achter het verhaal, dat elke werkdag weer anders is en nieuwe uitdagingen met zich mee brengt, welke houding blind maakt voor het tamelijk platte kantoorwerk dat journalisten elke dag weer verwacht worden te doen voor de gierige werkgevers in omroep- en uitgeversland.

De nieuwe journalistiek moet naar een nieuwe invulling van creativiteit, moet als het ware de lol en speelsheid in het schrijven en verbeelden terugvinden en trots zijn op het individuele en dus subjectieve spel met (beeld- en schrijf-) taal en verhaal. Wat nu te veel door de regels heen sijpelt is cynisme, zurigheid en misplaatse arrogantie – journalisten lijken teveel te staan voor een manier van dingen doen die hen als individuen volstrekt inwisselbaar maakt.

De beste manier om als journalist onnodig te worden in de samenleving is die samenleving niet meer te laten zien wie je bent.

Dit betekent niet alleen ‘sappiger’ schrijven en flitsender monteren – het betekent ook: ga de straat op, vermijd persconferenties en woordvoerders, laat zien hoe het probleem dat je vorige maand aan de kaak stelde door mensen wordt opgelost. Los van dit alles: het Publiek weet dit, leest dit, ziet dit. Wilt U nog een reden waarom steeds meer mensen GeenStijl en RTL Boulevard verkiezen boven het NOS Journaal of De Volkskrant? Creativiteit.

Reacties zijn gesloten.