Negen geboden voor een Nieuwe Journalistiek (6): betrouwbaarheid

Oude media kennen geen groter goed dan hun betrouwbaarheid. Het maakt ze tot wat ze zijn: de poortwachters van de samenleving, de controleurs van de macht. Maar als het nu over de onbetrouwbaarheid van media gaat, gaat het meestal over nieuwe media. Dat is unfair en onverstandig, want oude media hebben op dit vlak een groter probleem dan nieuwe media.

Niet dat oude media onbetrouwbaarder zijn. Integendeel. Maar betrouwbaarheid is een afspraak. Het berust op perceptie, meer dan op feiten. Je bent zo betrouwbaar als het publiek denkt dat je bent. Het is een afspraak tussen twee partijen, die voortdurend bevestigd moet worden. Het is een imago dat bevochten moet worden. Het is een reputatie en soms een vooroordeel.

Oude media hebben de neiging zich af te zetten tegen nieuwe media door internet – wat daarmee ook wordt bedoeld – als onbetrouwbaar af te schilderen. Dat is een krampachtige reactie, die geen recht doet aan sommige betrouwbare online media. Maar de defensieve reflex is vooral onverstandig omdat oude media volgens nieuwe generaties onbetrouwbaarder zijn dan internetmedia.

Schandalen

Oude media – vergeef me de generalisatie – worden lang niet zo betrouwbaar geacht als ze zelf denken dat ze zijn. Dat is deels eigen schuld: schandalen over verzonnen verhalen (Cooke, Blair, Haerynck) en gemanipuleerde foto’s (Hajj) hebben weinig goeds gedaan voor het imago van oude media, evenmin als de flirt met amusement en infotainment. Je bent betrouwbaar als je doet en bent wat men van je verwacht. Elke verandering kan het beeld schaden.

Al jaren geleden ging een op de drie Amerikanen ervan uit dat de journalistieke fraude van Janet Cooke – die een verhaal verzon over een achtjarig jongetje dat verslaafd was aan heroïne – de norm was. Uit onderzoek blijkt dat internetgebruikers denken dat ongeveer de helft van alle informatie op internet betrouwbaar is, een score die vergelijkbaar is met de mening over informatie van The New York Times.

Dat nieuwe media volgens jongere consumenten betrouwbaarder zijn, is op het eerste gezicht idioot. Internet is immers vergeven van halvegaren met een weblog, van oeverloos gebabbel met meninkjes van niks, en van informatie zonder duidelijke afzender, zonder verifieerbare bronnen. Maar op het net wordt dat niet als probleem ervaren: het is wat het is, en lezers beoordelen zelf wat ze wel en niet vertrouwen.

Duurt tijd lang?

Is internet betrouwbaar? Niet het antwoord, maar de vraag is enigszins idioot. Kunnen Chinezen koken? Is de zee diep? Duurt tijd lang? Het zijn onmogelijke vragen, waarop je nauwelijks onderzoek kunt loslaten. De website van een krant is meestal even betrouwbaar als de papieren versie, en het digitale dagboek van Ans uit Beest is – enfin, men begrijpt me wel.

Wat niet wil zeggen dat informatie op internet niet problematisch is. Het gedonder begint er al mee dat veel op het net niet is wat het lijkt. Commerciële bedrijven doen alsof ze betrouwbare informatie publiceren, waar ze feitelijk gewoon reclame maken. En talloos zijn de webpagina’s waarop meningen over heikele politieke issues, obscure ziektebeelden en elk denkbaar godsbesef worden gepresenteerd als onbetwistbare feiten.

Vroeger, in de begindagen van internet, toen we nog van homepage naar homepage surften, was dat minder een probleem dan nu. Destijds oriënteerden we ons meer dan tegenwoordig op merken. We gebruikten lijstjes met sites die we waardeerden, of betrouwbaar vonden. En een internetgids als Yahoo wees ons de weg. Maar het eerste Yahoo was dan ook een index, terwijl we nu een zoekmachine gebruiken.

PageRank

Steeds meer zijn we informatie gaan vinden zonder context, alsof we steeds vaker alleen de knipsels zien en niet meer weten uit welk tijdschrift ze zijn geknipt. Hier biedt Googles PageRank-systeem geen soelaas. Want ‘s werelds beste zoekmachine rangschikt gevonden pagina’s primair op basis van impliciete waardering (als er veel naar verwezen wordt, moet het wel goed zijn). Waaruit die waardering bestaat, is voor Google volstrekt irrelevant.

Door zoekmachines kom je, zonder het te weten, in een grijs gebied terecht. Naar mate de informatie die je zoekt specifieker is, wordt de kans kleiner dat je een site vindt die door een grote massa hoog gewaardeerd wordt. En zelfs die waardering is geen garantie voor betrouwbaarheid, omdat betrouwbare informatie geen aparte categorie vormt op internet. De beweringen van de professor doctor kunnen uiterst omstreden zijn zonder dat je het weet, of erger: volstrekte apekool die niet eens meer weersproken wordt.

Even grijs zijn de pseudo-journalistieke sites die slechts een commercieel belang hebben. En dan gaan we nog voorbij aan de trend dat op websites van traditionele media de commercie oprukt. Sommige onderdelen van krantensites zijn gesponsord, sommige delen worden gevuld met advertorials die er niet anders uitzien als redactionele stukken. Veelzeggend is dat Planet Multimedia, een e-zine van KPN-provider Planet, al enkele jaren terug van het moederbedrijf niet langer mocht schrijven over KPN. Peter Olsthoorn trad toen als journalistiek eindverantwoordelijke terug.

Paradox

Betrouwbaarheid is een van de negen geboden voor een nieuwe journalistiek [kijk bij PopUp voor de andere acht geboden], juist omdat zoveel informatie op internet onbetrouwbaar is en juist omdat gebruikers van die informatie dat niet als een probleem ervaren, in elk geval niet als een groter probleem dan de betrouwbaarheid van oude media. Dat is een akelige paradox.

De journalistiek moet haar imago van betrouwbaarheid opnieuw bevechten. Dat kan door, zoals elders in PopUp uiteen wordt gezet, interactief te zijn en transparant. Maar het begint ermee dat journalisten leren omgaan met lezers die zelf heel wel in staat zijn het onderscheid te maken tussen feit en fictie, nieuws en commentaar, en betrouwbaarheid van de journalistiek niet meer vanzelfsprekend vinden.