Hofland vijf jaar later: de krant is eindig (maar blogs deugen niet)

HJA Hofland is de grootste journalist van de vorige eeuw, vinden zijn vakgenoten. Maar aan het begin van deze eeuw had hij het grondig mis. “De krant gaat niet verloren”, beweerde hij stellig. Hofland kon het zich niet voorstellen, dat “de ruggengraat van de openbare mening” zou verdwijnen. De krant leek ‘m een “onmisbaar cultuurartikel”. Maar ook Hofland heeft soms last van voortschrijdende inzichten: nu, vijf jaar later, erkent hij ronduit dat de krant eindig is.

De column waarin Hofland zijn afschuw uitsprak over het einde van de krant – “ik geloof dat de kritische, de goed geschreven en goed geïnformeerde krant ook in deze tijd een onmisbaar cultuurartikel blijft” – verscheen in NRC (en is hier nog leesbaar). Aanleiding was een verhaal dat ik in de Volkskrant had geschreven over de Yahoo-generatie. De kern daarvan: jongeren lezen minder en wat ze lezen is gratis, en op den duur verdwijnen daardoor de kranten zoals we die kennen.

Hofland ziet dat nu ook, blijkt uit een artikel in De Journalist. Er is sprake van een generatiebreuk, erkent hij. “Wat iemand leert tussen zijn zesde en zijn twintigste jaar, wordt als vanzelf tot zijn tweede natuur, het systeem van gewoontes dat hem tot een weerbaar mens maakt. Zo gaat het, hij weet niet beter.”
En: “Dit betekent dat de gedrukte krant zijn beste tijd al een jaar of twintig geleden achter zich heeft gelaten.”

Hofland is er minder rouwig om dan in 2001. Moeten we niet ophouden te jammeren over de toekomst van de papieren krant, en ons druk gaan maken over de toekomst van de journalistiek, vraagt hij. Die toekomst ligt op internet, aldus Hofland. Maar we moeten ons niet laten afleiden door “de zogenaamde burgerjournalistiek van de bloggers en hun ideologen, die denken dat iedereen die de woorden enigszins begrijpelijk achter elkaar kan zetten en de wereld insturen, daarmee journalist is.”

Journalistiek blijft een vak, wil Hofland maar gezegd hebben. Aan een onafhankelijke journalistiek is juist nu een enorme behoefte: “Nieuws hoort door welk medium dan ook onversneden te worden gebracht, met een onbarmhartige analyse, een beredeneerde prognose, en een antwoord op de vraag wat onder de gegeven omstandigheden het meest wenselijk is.”

Hoe dat moet, op internet, vertelt Hofland er in De Journalist niet bij. Als het aan hem ligt, verandert de journalistiek alleen van drager (“We gaan nog moeilijker tijden tegemoet, in het midden van de woeste rivier moeten we van paard verwisselen”), maar kan het daarbij blijven. Dat, vind ik, is een testimonium paupertatis.

Juist Hofland zou eens hardop moet durven nadenken over de consequenties van het netwerk op de netwerksamenleving: wat betekent het dat lezers meepraten, dat nieuws overal aanwezig is, dat meer meningen dan ooit doordringen tot het publieke debat. Ik zou het jammer vinden als hij voor dat voortschrijdend inzicht weer vijf jaar de tijd nam.

[Ook gepubliceerd op De Nieuwe Reporter]

Reacties zijn gesloten.