Negen Geboden voor een Nieuwe Journalistiek (8): flexibiliteit

In zijn laatste boek (2006, The Culture of the New Capitalism, uitgegeven door Yale University Press) biedt de socioloog Richard Sennett een scherpe analyse van de weg die het wereldwijde ‘post-industriele’ bedrijf bewandelt: het pad van de flexibele produktie. Sennett stelt vast dat de media het pionierswerk voor de rest van de culturele wereldeconomie doen door het produktieproces steeds minder rigide in te richten en voortdurend bij te stellen op basis van obsessief consumentenonderzoek.

Arbeidsflexibiliteit in nieuwswerk komt formeel gezien neer op vier elementen: functionele, tijdelijke, getalsmatige en financiele flexibiliteit.

Functionele flexibiliteit betekent de herinrichting van het mediabedrijf in een min of meer vaste kern van ‘multi-skilled’ werknemers met daaromheen een periferie van een groot aantal tijdelijke arbeiders: stringers, freelancers, projectwerkers, copywriters, technische stafleden, cameramensen, IT-specialisten, enzovoorts. De televisie- en tijdschriftenbranche zijn hierin de pioniers.

Tijdelijke flexibiliteit verwijst naar de praktijk van ‘job rotation’: het elke vier of vijf jaar vrijwillig dan wel verplicht wisselen van werkplek, standplaats, afdeling of specialisme. Het is aan de orde van de dag in dagbladwereld maar kent ook varianten bij alle andere media.

Getalsmatige flexibiliteit betekent de herinrichting van het creatieve proces in mediabedrijven door taken toe te wijzen aan telkens wisselende projectteams, bestaande uit een mix van vaste werknemers en tijdelijk ingehuurde arbeidskrachten. Voorbeelden van dit soort projecten: een speciale uitgave of katern, een nieuwe Website, een multimedia pakket, een themanummer, een documentaire. De kunst zit ‘m in het telkens weer opnieuw samenstellen van dit soort teams – het creatief schuiven met werknemers als pionnen op het schaakspel van het mediaproduktieproces.

Tot slot verwijst financiele flexibiliteit naar een verschuiving in het vaststellen en uitonderhandelen van contracten en salarissen: van collectieve arbeidsovereenkomsten en voor iedereen geldende loonschalen naar projectmatige en geindividualiseerde contracten, prestatiegerichte beloningssystemen en succesafhankelijke honoraria.

Los van dit alls zit de alledaagse, concrete flexibiliteit van de hedendaagse mediawerker in een aantal verschillende zaken. Allereerst verwijst dit naar het creatief kunnen omgaan met de verschillende, soms tegenstrijdige eisen van eigentijds mediawerk: de journalist moet aan de ene kant in gegarandeerde redactionele onafhankelijkheid haar stukjes schrijven en zijn programma samenstellen, maar moet aan de andere kant ook blijven nadenken over manieren om de controle over het verhaal deels uit handen te geven door middel van ‘burgerjournalistieke’ of anderszins interactieve initiatieven. De journalist moet zich niets hoeven aan te trekken van de mogelijk lange tenen van adverteerders of Het Publiek, maar is aan de andere kant wel degelijk mede-verantwoordelijk voor het commerciele succes (en falen) van het collectieve nieuwsprodukt.

Ten tweede verwijst flexibiliteit naar de manier waarop de nieuwe journalist vorm en betekenis geeft aan haar carriere. De tijden van vaste contracten, lange termijn dienstverbanden of gegarandeerd werk zijn (al lang) voorbij. De nieuwe journalist moet ingesteld zijn op een leven van volstrekte arbeidsonzekerheid, nu de verantwoordelijkheid voor ontplooiing, investering in om- her- en bijscholing, promotie en salarisafspraken is verschoven van werkgever (en vakbond) naar de individuele werknemer. Elk verhaal, elke opname, elk idee staat op zichzelf als een arbeidsproces zonder context, zonder beloftes, zonder garanties.

Tenslotte verwijst flexibiliteit in mediawerk naar het vermogen tot kritische reflectie op het werk – niet alleen het eigen werk, maar juist ook de rol en functie van het journalistieke bedrijf in een haastige en ‘vloeibare’ maatschappij, waar zaken als loyaliteit, vastigheid en zekerheid verleden tijd zijn. Dit houdt ook in: een flexibele houding ten opzichte van de nieuwe nieuwsconsument (die ook co-producent is), een persoon welke liefst als uniek individu aangesproken wenst worden maar tegelijkertijd wanhopig op zoek is naar een groep om bij te horen.

De consument van deze tijd is wat Scott Lash en John Urry in hun beroemde boek Economies of Signs and Space (1994) ‘esthetisch reflexief‘, hetgeen kort door de bocht neerkomt op het gegeven, dat mensen overal een mening over hebben – niet gehinderd door enige kennis of diep inzicht in het kunstwerk of nieuwsfeit in kwestie – en op basis daarvan voortdurend beslissingen maken over wat om te zien, welk blad te kopen, naar wie dan ook te luisteren. Als je de beslissingen van zo’n consument naast elkaar legt, is er geen pijl op te trekken. We kijken op een avond rustig zowel het avondnieuws als RTL Boulevard, kopen de ene week HP/De Tijd en lezen de volgende vol overgave de Party, vinden opera machtig mooi maar houden ook van Eminem… Dit is iets wat in Nederland het Sociaal-Cultureel Planbureau ooit het ontstaan van een ‘culturele omnivoor’ noemde en wat voor journalisten het einde betekende van het werken in een omgeving waar zorg over Het Publiek volstrekt niet aan de orde was. De flexibiliteit van de consument zal daarmee onderdeel moeten worden van de flexibele houding van de professionele journalist.

De kunst bij dit alles is niet te vervallen in reflexie (reactionair, instant, contextloos), maar altijd te kiezen voor reflectie (doordacht, alternatieven afwegend, zelfkritisch). Daarbij komt een waarschuwing van Sennett: veel van deze flexibiliteit leidt niet tot meer vrijheid of diversiteit, maar juist tot een nieuw soort gevangenis voor mediawerkers: een gevangenis van structurele arbeidsonzekerheid, eindeloze consumentenkritiek en schaamteloze exploitatie door werkgevers (die zelf ook niet of nauwelijks weten wat ze aan het doen zijn, maar opgejaagd door aandeelhouders en investeerders grijpen naar het klassieke middel voor kostenbesparing: ontslag of loonkorting).