Over de wet van de navelpiercing, trollen en de Titanic, vrije seks en de beste journalist van de vorige eeuw

9 november 2006 Geen categorie 7

Klik hier voor vodcast bij School voor de JournalistiekDrie dingen ga ik beweren over oude en nieuwe media. In de kern komt het hierop neer: met oude massamedia komt het niet meer goed en als journalisten niet oppassen hebben ze niets te vertellen in de nieuwe media. Ik zeg niet dat ik dat leuk vind, ik zeg slechts wat ik denk dat er zal gebeuren.

[Aldus het begin van de lezing die ik vanochtend heb gehouden op de School voor de Journalistiek in Utrecht, tijdens het congres Iedereen Journalist bij gelegenheid van het 40-jarig bestaan van die school. Het afgelopen jaar heb ik dit verhaal vaker verteld, in telkens andere bewoordingen. Het is een van de leidende motieven in PopUp, het boek dat ik samen met Mark Deuze heb geschreven en dat in januari verschijnt bij Atlas.]

1.

Als ik oude media zeg, bedoel ik: massamedia. Goed beschouwd zijn massamedia een incident in de geschiedenis. We hebben het duizenden jaren zonder gedaan, voordat ze een jaar of tachtig geleden plotseling ontstonden. Door een samenloop van omstandigheden – half techniek, half sociologie – beleefden massamedia in de jaren zestig en zeventig hun hoogtepunt. Iedereen keek naar I love Lucy, naar Willem, Mies en Sonja. Iedereen las een krant.

Sindsdien gaat het bergaf. De afgelopen veertig jaar – sinds pakweg de oprichting van deze opleiding dus – zijn de massamedia zowat gehalveerd, qua massa. Ik suggereer geen enkel verband.

TV-programma’s rekenen niet meer in een miljoenenpubliek, maar zijn blij met een paar honderdduizend kijkers. Tientallen nieuwe tijdschriften worden jaarlijks in het schap gelegd, maar vrijwel geen enkel journalistiek kwaliteitsblad floreert. Van de zestig dagbladtitels die rond 1980 verschenen, zijn er amper 30 over, gratis kranten meegeteld. Waar bijna elk gezin toen een abonnement had, is dat nu in krap de helft van alle huishoudens nog zo.

De massamedia zijn op hun retour. Maar de journalistiek, die al die tijd haar rol in de samenleving – poortwachter, vierde macht, luis in de pels – aan die massamedia te danken had, trekt zich daar te weinig van aan. Journalisten zijn hun positie vanzelfsprekend gaan vinden, een soort geboorterecht, iets adellijks. Ze hebben niet in de gaten dat het schip waarop ze staan slagzij maakt.

Zoals de hoofdredacteur van The Guardian eens zei in de discussie over het tabloidformaat van kranten. Ja, zei Alan Rusbridger, je moet het hebben over dat formaat, but it may be moving deckchairs on the Titanic.

Een democratie kan niet zonder geïnformeerde burgers. En de journalistiek, zeggen we tegen elkaar, moet daarvoor zorgen. Maar als de journalistiek niet uitkijkt, verzuipt ze met de massamedia – nu al zien we hoe lagere oplages en kijkcijfers doorwerken in budgetten en minder goede journalistiek. En als we niet opletten, informeert de burger zichzelf wel – want die burger kan het steeds beter zonder ons.

Dat is bewering één.

Ik zeg niet dat ik het leuk vind. Ik zeg slechts wat ik denk dat er zal gebeuren.

2.

Je kunt van massamedia veel zeggen, maar niet dat ze perse goed zijn voor een democratie. In geen andere periode in de geschiedenis dan de tweede helft van de twintigste eeuw waren de middelen om zoveel mensen simultaan te bereiken in handen van zo weinig “uitgevers”. Desondanks werden de media vrijer en onafhankelijker dan ooit – althans bij ons. Maar tegelijkertijd waren die massamedia meestal uiterst commercieel, topdown en elitair. De lezer, bedoel ik, had niets te vertellen.

We waren een democratie, maar de media waren allerminst gedemocratiseerd. Rond de millenniumwisseling is dat gaan schuiven. Na de ontzuiling en het Ik-Tijdperk bleek de netwerksamenleving te zijn ontstaan. Niet langer bleven mensen een leven lang trouw aan kerk, kroeg, vakbond, partij en geboortegrond. Ze gingen gingen schakelen tussen netwerken, nu eens hier, dan weer daar. Het internet werd hun medium. Daarop organiseerden ze zich in kleine, steeds wisselende, losvaste groepjes. Ze waren de massa voorbij.

Niets wijst erop dat de teloorgang van massamedia binnenkort stopt. Dat de trend van versplintering niet zal doorzetten. Sommigen moesten aan dat inzicht wennen. Nog maar vijf jaar geleden dachten veel journalisten dat het wel goed zou komen.

“Ik geloof dat de kritische, goed geschreven en goed geïnformeerde krant ook in deze tijd een onmisbaar cultuurartikel blijft.” Zei Henk Hofland in 2001.

Maar de wereld is veranderd en Henk Hofland is niet voor niets de beste journalist van de vorige eeuw. Hofland onderschatte de gevolgen van de mediarevolutie, van commerciële televisie en gratis kranten, van teletekst en internet, van podcast, vodcast en godcast, van sms, cnn, msn, icq, mms en mmorpg’s – dat zijn, zoals u weet, van die in San Francisco gehoste spellen waarin u zoon in het Engels samenwerkt met een Koreaantje aan de andere kant van de aardbol om de “eindbaas” te veroveren op twee Spaanstalige, twaalfjarige warriors in Latijns-Amerika.

De mediarevolutie gaat niet over techniek. Het is een culturele revolutie. Het gaat over gedrag. Jongeren – iedereen onder de 40 – gaan anders met media en met elkaar om. Ze zitten evenveel achter hun computer als achter de tv. Ze spreken elkaar op internet en schrijven elkaar via hun telefoon – mijn generatie doet dat anders. Daarbij willen ze alles meteen, nu, onmiddellijk. En dat allemaal tegelijkertijd.

De impact van de mediarevolutie moet vergeleken worden met die van de jaren zestig. Zie MSN als de vrije seks van de 21ste eeuw. En wie me niet gelooft moet toch eens meekijken over de schouder van zijn dochter.

Information overload?

Het is ons probleem, een probleem van veertigplussers, een probleem van journalisten, niet dat van hen. Zeker, de digitale kloof, the digital divide, bestaat. Maar het is geen kloof tussen arm en rijk, blank en zwart, eerste en derde wereld. Het is een kloof tussen jong en oud.

En het slechte nieuws is: het komt niet meer goed. Dit is waarom.

Oude media hebben lang gedacht dat jongeren wel bij zinnen zouden komen als ze zich zouden settlen met anderhalf gezin (anderhalf huis, anderhalf kind, anderhalve baan, anderhalve auto en op den duur ook anderhalve partner).

De wet van de navelpiercing zegt dat het anders gaat. Ik heb het zo genoemd naar een onderzoekje van een Amerikaanse hersenchirurg. Die zocht in zijn vrije tijd uit dat wie op zijn 23ste nog geen piercing heeft, daar in 98% van de gevallen niet meer aan begint. Wie op zijn 25ste nog geen sushi heeft geprobeerd, heeft een kans van 98% dat-ie dat nooit meer doen.

U voelt m. Wie op zijn 25ste nog geen betaalde krant leest, begint daar vrijwel zeker niet meer aan. Een krant lezen is een vorm van sociaal gedrag. Je zegt ermee wie je bent. En dat vormt zich in een bevattelijke periode in je leven. Het is socialisatie en inprenting. Zoals je een puppy leert plassen tegen een boom.

Ook HJA Hofland ziet dat inmiddels in: “Wat iemand leert tussen zijn zesde en zijn twintigste jaar, wordt als vanzelf tot zijn tweede natuur, het systeem van gewoontes dat hem tot een weerbaar mens maakt. Dit betekent dat de gedrukte krant zijn beste tijd al een jaar of twintig geleden achter zich heeft gelaten.” Schreef hij laatst in De Journalist.

Het is niet de vraag of betaalde kranten, opinietijdschriften en de publieke omroep verdwijnen – het is de vraag wie als laatste verdwijnt. En ja, dat gaat nog jaren duren, want het grote wonder van kranten is dat ze als product een onwaarschijnlijk trouw publiek hebben dat nog jaren trouw zal blijven. Maar daarna zullen we iets anders moeten.

Dat is bewering twee. En ik zeg niet dat ik het leuk vind. Ik zeg slechts…

3.

In dat stuk laatst schreef Hofland dat we ons misschien minder druk moeten maken om de oude media, en meer om de journalistiek. Ik ben het daar van harte mee eens. Die journalistiek, mijn vak, moet zien te voorkomen dat ze wordt meegesleurd in het morele, financiële en conceptuele bankroet van de oude media.

Oude media zien betrouwbaarheid, onafhankelijkheid en distantie als hun grootste goed. Dat moeten ze vooral blijven doen – hun bestaande lezers verwachten het. Maar jongeren zijn ook iets anders gaan vragen. Ze leven volgens de regels van het weblog: het moet kort, het moet meteen, en als je niet mee mag praten is het niet leuk.

Ik beweer niet dat weblogs de journalistiek vervangen. Veruit de meeste blogs bevatten niet meer dan gezwatel en gezwets. Maar de journalistiek kan wel iets van ze leren. Dat moderne consumenten en nieuwe media vragen om een nieuwe journalistiek.

Die, schrijven Mark Deuze en ik in ons boek PopUp, moet transparant worden, interactief, creatief, flexibel, betrokken, accountable en authentiek. Om er maar zes te noemen.

Bij mijn krant, Dagblad van het Noorden, hebben we een jaar geleden de website gemodelleerd naar een weblog. We noemen dat model een Nieuwslog, een kruising tussen een krantensite en een blog. Dat betekent dat we het nieuws nu kort brengen, meteen als het gebeurt en niet pas als het ook in de krant staat, in de omgekeerde chronologische volgorde die je van blogs kent, en dat lezers overal op kunnen reageren.

Dat reageren doen lezers anoniem. Met een nickname dus. En wij modereren alleen achteraf. Oude media gruwen daarvan. En inderdaad: bij elke tiende reactie leidt dat tot gedoe, in elke veertigste reactie begint iemand onzin uit te kramen, en zoals u weet wordt in elke tachtigste reactie op internet de Tweede Wereldoorlog er met de haren bijgesleept.

Ook wij hebben last van trollen, querulanten en lastpakken. Toch gaan we door. Omdat we willen weten hoe het wel moet: een nieuwsmedium in een netwerksamenleving.

Eerst iets over het open forum. Waar de meeste andere algemene nieuwsmedia vooraf zijn gaan modereren toen ze doorkregen wat voor volk ze over de vloer hadden, wie hun lezers online waren, kiezen wij ervoor techniek in te zetten. Twee weken terug hebben we een volgende stap gezet met een reputatiesysteem. Daarin houden we bij wat bezoekers van de site van elkaars reacties vinden, hoe actief ze zijn, en of ze zich aan de spelregels houden. Dat – hun reputatie – is voor iedereen zichtbaar met sterren en stippen.

Ik heb het niet bedacht, maar afgekeken van sites die uit internet zelf zijn ontstaan. Denk aan eBay, waar iedereen elkaar in de gaten houdt en bedriegers zichtbaar zijn. Denk aan slashdot, een site over computers en internet die door duizenden nerds wordt volgeschreven. Dat werkt dankzij een reputatiesysteem. Wie goed doet, stijgt in de achting van anderen. Zijn karma, zeggen ze, neemt dan toe. Wie zich misdraagt, ziet zijn karma dalen.

Dat lezers bij Dagblad van het Noorden anoniem op de site kunnen reageren, vind ik vanzelfsprekend. In de krant zou je het nooit toestaan, en ook wij doen dat niet, maar online gelden andere mores. En geef internetters eens ongelijk. Anonimiteit werkt prima op internet. Bovendien: juist omdat er reputatiesystemen zijn, juist omdat alles wat je doet online wordt bijgehouden, wil je anoniem zijn. Die nickname is het bastion van hun laatste privacy.

Dat vinden we misschien niet leuk, maar we zullen er mee moeten leren leven.

Dat was bewering drie.

Reacties zijn gesloten.