De bloggende meute en mr Rago

6 januari 2007 Geen categorie 0

Illustratie: Wall Street JournalBlogs, schreef ik ooit, zijn herkenbaar aan hun heftige, verongelijkte en ongelikte toon. Dat kwam me te staan op een “lynch mob” van GeenStijl-zeloten: “Ga eens deaud” was een van de minder grove verwensingen. Des te opvallender is het dat de gevestigde media even rabiaat, heftig en kwaadaardig op blogs en bloggers reageren.

Volgens Joseph Rago, een eindredacteur van The Wall Street Journal, worden blogs geschreven door idioten en gelezen door imbecielen (vrij naar Joseph Conrads mening over kranten). Het belang van blogs, bedoelt hij maar, wordt overschat. Journalistiek heeft journalisten nodig, want aan verslaggeving doen blogs niet, ze liften mee op mainstream media.

Iets beter is het gesteld met opinievorming. Blogs zijn vooral, trapt mr Rago een open deur in, een platform voor meningen. “Het grotere probleem met blogs, dunkt mij, is de kwaliteit. De meeste zijn tamelijk beroerd. Vele, zelfs blogs met een groot publiek, zijn regelrecht hemeltergend.”

Every conceivable belief is on the scene, but the collective prose, by and large, is homogeneous: A tone of careless informality prevails; posts oscillate between the uselessly brief and the uselessly logorrheic; complexity and complication are eschewed; the humor is cringe-making, with irony present only in its conspicuous absence; arguments are solipsistic; writers traffic more in pronouncement than persuasion . . .

Het open karakter van internet, schrijft Rago, gecombineerd met de hyperlink die sites naar elkaar laat verwijzen, lijkt het gedrag van meutes (‘mobs’) in de hand te werken. Je zou verwachten dat marktwerking op het net van discussies de scherpste kantjes zou afhalen, maar het tegenovergestelde gebeurt. Het net is goed in het bij elkaar brengen van mensen die het eens zijn, maar niet in het beslechten van meningsverschillen.

Nobody wants to be an imbecile. Part of it, I think, is that everyone likes shows and entertainments. Mobs are exciting. People also like validation of what they already believe; the Internet, like all free markets, has a way of gratifying the mediocrity of the masses. And part of it, especially in politics, has to do with conservatives. In their frustration with the ancien régime, conservatives quite eagerly traded for an enlarged discourse. In the process they created a counterestablishment, one that has adopted the same reductive habits they used to complain about. The quarrel over one discrete set of standards did a lot to pull down the very idea of standards.

Certainly the MSM, such as it is, collapsed itself. It was once utterly dominant yet made itself vulnerable by playing on its reputed accuracy and disinterest to pursue adversarial agendas. Still, as far from perfect as that system was, it was and is not wholly imperfect. The technology of ink on paper is highly advanced, and has over centuries accumulated a major institutional culture that screens editorially for originality, expertise and seriousness.

Of course, once a technosocial force like the blog is loosed on the world, it does not go away because some find it undesirable. So grieving over the lost establishment is pointless, and kind of sad. But democracy does not work well, so to speak, without checks and balances. And in acceding so easily to the imperatives of the Internet, we’ve allowed decay to pass for progress.

(Het deed me denken aan de bijna vijftienhonderd kranten in de Verenigde Staten. Ik weet tamelijk zeker dat veel van die kranten, zelfs kranten met een groot publiek, volstrekt nutteloos zijn voor lezers in Assen. Ze hebben de consument daar niets te bieden. Maar natuurlijk is er niemand die daarover valt.)