Wat heeft PopUp met mijn mediagedrag gedaan?

Drukproeven weg. Laat de pers maar draaien. PopUp is af. Nog een paar weken en het boek dat Mark Deuze en ik de afgelopen anderhalf jaar zo publiekelijk mogen hebben geschreven, ligt in de winkel. Misschien een goed moment om eens na te denken over mijn eigen mediagedrag. Lees ik meer, anders, en waarom?

PopUp wroet in de mediaconsumptie. Waarom gaan jongeren anders met media om, hoe zullen die trends zich doorzetten, welke gevolgen heeft dat voor mediabedrijven en hoe moeten mediamakers – journalisten, programmamakers – daarmee omgaan? Onze conclusie: de journalistiek moet anders, dramatisch anders, wil ze niet overbodig worden.

Maar hoe zit dat met ons? Mark moet hier nog maar eens vertellen hoe hij leest en luistert en kijkt, en waarom hij een eigen radioprogramma begint. Zijn mediagedrag, noch het mijne, vertelt natuurlijk iets over de manier waarop de samenleving zichzelf informeert. Maar het zegt misschien iets over de preoccupaties waarmee we aan PopUp begonnen, of over de gemoedstoestand die we aan dat project over hielden.

In de jaren dat hij internetcolumnist voor de Volkskrant was, vertelde Francisco van Jole soms dat hij een tijdlang geen kranten had gelezen. Internet volstond. Boeken las hij trouwens ook niet, zei Francisco – ik heb hem wat dat betreft nooit gelooft; hij is er, nou ja, veel te belezen voor, te breed en te diep geïnformeerd.

Zelf ben ik de afgelopen anderhalf jaar een minder brede lezer geworden. Door PopUp is mijn perspectief op het nieuws nogal versmald: ik verslind alles wat ik over media&samenleving kan vinden (waaronder bijvoorbeeld ook het verhaal met socioloog Abram de Swaan vandaag in de Volkskrant), maar neem minder algemeen nieuws tot me.

Zo gaat dat als je een boek schrijft, of een gespecialiseerd weblog maakt. Voor PopUp las ik veel meer literatuur dan het afgelopen jaar (hooguit tien romans), terwijl er van maandelijkse recensies over Nederlandse poezie voor mijn krant belabberd weinig terecht is gekomen (ik heb de draad weer opgepakt met een stukje over Tsead Bruinja, fascinerende gedichten).

Daarentegen heb ik een meter vakliteratuur weggelezen, eindeloos veel publicaties in kranten en tijdschriften over media tot me genomen – waarvan de meeste via internet, en ben ik me steeds meer gaan redderen als rss-lezer. Uiteindelijk is dat de grootste verandering. Algemeen nieuws uit kranten is aan de kant geschoven voor specialistische columns van een hele rij bloggers.

Of dat zo blijft? Het hangt van mijn focus af. Nog steeds ben ik achttien uur per dag met het algemene nieuws bezig. Dat krijg je als je als adjunct bij een dagblad werkt. Het is een verslaving, een routine, het zit in het vanzelfsprekende ritme van de dag. Maar in mijn “vrijwillige” mediaconsumptie, dat wat ik ter ontspanning doe, of ter verdieping, is wel degelijk iets veranderd.

Zo lang ik blijf publiceren over media en mediagedrag zal mijn eigen patroon niet meer veranderen, denk ik. Wat in de praktijk betekent dat de zaterdagochtend niet meer helemaal opgaat aan de krant, maar nog maar voor de helft: die andere helft blader ik door posts van Nick Carr en zijn soortgenoten, of struin ik langs de media- en technologierubrieken van Britse en Amerikaanse kranten, vakbladen en universiteitssites.

Reacties zijn gesloten.