Half leeg of half vol

Glas, foto: WikipediaIs het glas half leeg of half vol? Geen van beide. Het is geen glas, maar de afbeelding van een glas. En dat is iets anders. Door een dimensie weg te halen, diepte, voeg ik er een andere dimensie aan toe, die van de verbeelding. Zo ongeveer ook verhoudt zich oude media tot internet. Met het net hebben we de klassieke media ontdaan van tijd en ruimte. Daarvoor in de plaats is iets gekomen wat ik maar “het netwerk” noem. Het verschijnsel – noem het een dimensie – dat iedereen voortdurend met alle andere anderen in contact staat. Dat alles met alles verbonden is. Wat we tot nu toe missen, is de verbeelding om daar iets mee te doen.

Als massamedium bestaat internet veertien jaar, gerekend vanaf de dag dat een groepje studenten de browser Mosaic vrijgaf. Tegelijkertijd is het net nooit een massamedium geworden. Een massaal gebruikt medium – dat wel. Maar een massamedium, zoiets als radio, televisie of krant, waarmee je in één grote beweging de massa bereikt, op één moment, met één boodschap – nee, zo’n medium is internet niet geworden. Velen vinden dat teleurstellend. Uitgevers, leunstoelconsumenten, spindoctors – al wie minder geïnteresseerd is in dialoog dan in bereik, vertier of manipulatie. Maar ook degenen die dachten dat internet een radicaal democratisch medium was, een drukpers zonder drempels, een vrijstaat zonder machthebber, een bolwerk zonder ballotage, kregen niet wat ze van het net verwachtten.

Ze ontdekten dat op het net iedereen alles kon zeggen – maar dat vrijwel niemand luisterde.

2.

Massamedia zijn een oprisping van de geschiedenis. Ze bestaan nog geen honderd jaar, beleefden hun hoogtepunt in het derde kwart van de vorige eeuw maar zijn al weer een jaar of veertig op hun retour. We kijken al lang niet meer met zijn allen naar Mies of Duys, en het bereik van betaalde kranten is gehalveerd. Internet is daarvan niet de oorzaak; de grote verbanden trekken al langer uit de samenleving weg, net als de grote verhalen. Internet is niet de oorzaak. Het is de oplossing.

Lang is de journalistiek op één lijn gezet met massamedia. Journalisten waren er om de boodschap van de elite te vertalen voor de massa. In het beste geval deden we dat rücksichtslos, onverschrokken, onbevooroordeeld, fair en onpartijdig. Zo onafhankelijk als we waren, hadden we niettemin de massamedia nodig om ons doel te bereiken. We schipperden tussen afhankelijkheid en onafhankelijkheid, en dat schipperen noemden we een redactiestatuut. We blaften naar de hand die ons voedde, maar vergroeiden ondertussen met onze opdrachtgever.

Het grote publiek zag steeds minder het onderscheid tussen pers en drukpers, tussen journalist en medium. En met reden: naar mate de media meer een instituut werden, en de instituties vermedialiseerden, naar mate het aantal politieke journalisten op het Binnenhof toenam en het Binnenhof versimpelde tot een mediacircus van oneliners en one-issue-partijen, ging de journalistiek samenvallen met de elite die ze dacht te controleren.

De massa, ook niet gek, had dat door. De journalistiek was een kaste geworden. Zoiets als de adel, vroeger. Geen wonder dat de burgerij, dat het klootjesvolk daartegen in opstand kwam. Nadat de democratie was vermedialiseerd, moesten de media wel democratiseren. In die zin is internet een oplossing. Het gaf de media terug aan de massa. En het geeft ruimte aan het individu dat niet een leven lang opgesloten willen zitten in één identiteit, in de bekrompenheid van polderdenken of religieuze onverdraagzaamheid.

Op internet – per definitie grenzeloos, stateloos en vaak rechteloos – leven we noodgedwongen door elkaar heen. Een dubbel paspoort, a second life, is geen belemmering, maar een aardig begin. En loyaal zijn we niet aan instituten – want die kent het net nauwelijks – maar louter aan ideeën: het belangeloze delen van open source initiatieven is daarvan nog steeds het beste voorbeeld.

3.

Niet dat de samenleving als geheel daarvan zo ontzettend veel beter is geworden. Van het een noch het ander, trouwens. Van de democratie die de media opzocht, noch van de media die democratiseerden. De politiek is de straat opgegaan, schrok zich rot toen de straat een keel opzette – denk aan de volgelingen van Fortuyn, het revolte van het volk – en trok zich toen weer schielijk terug in moties, memoranda en interpellaties.

Nu iedereen zijn eigen medium kan worden is daarmee nog geen revolutie ontketend. Terwijl dat toch het minste was wat de grote strategen van de jaren zestig voor ogen hadden toen ze in de gaten kregen welke potentie het internet had. Sceptici stellen vast dat op internet het hoogste woord wordt gevoerd door oude media, door traditionele kranten en journalisten. De rest kakelt door elkaar heen, bazelt wat, krabt de krullen van de trap en wentelt zich in narcistisch geneuzel op een schaal die inderdaad, het is waar, nooit eerder in de geschiedenis mogelijk was.

De internetter. Een idioot in bad. Knijpend in zijn eendje.

Dit is de halve waarheid. Die van het halflege glas. Wat we nodig hebben voor het halfvolle glas, is verbeelding.

4.

Geen enkele innovatie op het gebied van nieuwe media is de afgelopen vijftien jaar bedacht door oude media. Toch zijn del.icio.us en flickr en ning en hyves precies de revolutionaire ontwikkelingen waarop we zaten te wachten. Maar we herkennen ze niet, we zagen ze niet aankomen, omdat we nog altijd niet gewend zijn te denken als een netwerk.

De mens denkt lineair. Stap voor stap. Alsof de tijd altijd in hetzelfde tempo voortschrijdt. We zijn gewend aan geleidelijke groei, aan voorspelbare ontwikkelingen. Dan duurt het leven het langst. Wie zich de tijd voorstelt als een vallende steen, onderworpen aan een steeds grotere versnelling, raakt in paniek. Dat is doodsangst, natuurlijk.

Toch gaat het zo. Toch gaat de tijd steeds sneller. Dat nemen we waar als steeds grotere technologische ontwikkelingen. Maar omdat we lineair denken, zegt de Amerikaanse wetenschapper en futuroloog Ray Kurzweil, blijven we ons vergissen in de effecten van die versnelling. We overschatten de gevolgen op korte termijn – de wereld is in tien jaar niet radicaal beter geworden van internet – omdat we te weinig rekening houden met praktische problemen en het onvermogen van bestaande generaties om hun leven in te richten op nieuwe technologie. Tegelijkertijd onderschatten we de effecten op langere termijn, domweg omdat we ons geen voorstelling kunnen maken van het adaptief vermogen van nieuwe generaties.

Dat is het half volle glas. Nieuwe generaties, pubers van veertien, studenten met vierkante ogen, een Ipod video en wireless breedband, zullen dingen doen met internet waarvan wij ons geen voorstelling kunnen maken. Zo gaat dat met nieuwe generaties. Het is de tragiek van futurologen, waarzeggers en journalisten die zich overmoedig opwerpen als visionair: onze voorspellingen over de toekomst zijn bijna altijd te eenzijdig afgeleid uit het verleden. We extrapoleren wat we kennen.

We dachten dat internet een wereldwijde kiosk was, een uitstalkraam voor onze kranten en tijdschriften. Maar het net blijkt een dorpspomp. We dachten dat we advertenties konden verkopen, popups, rectangles en skyscrapers. Maar we kregen de popup-blocker en Marktplaats. We maakten ons vijf jaar geleden zorgen over privacy op internet, en over de oprukkende commercie. Nu publiceren miljoenen mensen hun hele hebben en houwen op Flickr, baren we online en bloggen we vanaf ons sterfbed.  Over commercie hoor je niemand meer, tenzij het over oude media gaat: daar hebben ze – luidt het verrassende oordeel van internetters – pas echt last van commerciële uitgevers, winstbejag en kijkcijferdwang.

5.

Is het glas half leeg of half vol? Ben ik een doemdenker, een krantenhater en een internetfundamentalist? Of niet?

Als het om journalistiek en nieuwe media gaat – het onderwerp van PopUp – ben ik somber, maar alleen met terugwerkende kracht. We hebben er nog niet al te veel van gemaakt, als journalisten. We zijn links en rechts ingehaald, we zijn te conservatief geweest, we hebben de verbeelding niet kunnen opbrengen. Vanaf hier kan het slechts beter gaan. Het kan niet anders of de journalistiek – het mooiste vak ter wereld – zal zichzelf opnieuw uitvinden. Als wij het niet doen, dan doen onze nazaten het wel. De toekomst van de journalistiek zal schitterend zijn, maar niet wat wij ervan verwachtten.