Rek de grenzen van de journalistiek op

De grenzen van de journalistiek moeten worden opgerekt om ruimte te maken voor nieuwe media, zoveel is wel duidelijk, maar hoe ver moeten we de journalistiek oprekken? Het vak en zijn ethiek moeten iets met blogs, burgerjournalistiek, wiki’s, reactiefora, tagging, digging en metasites – maar wat?

Journalisten hebben geen keus. Ze beseffen dat ze internet niet kunnen negeren. Als jongere generaties kiezen voor nieuwe media, moet je ze wel volgen naar het web, of accepteren dat je op den duur irrelevant wordt. Omdat ze het tij willen keren, verzetten traditionele mediabedrijven de bakens; ze passen zich meer of minder aan. Daarbij gaan hier en daar wat oude vormen en gedachten overboord. Burgers praten mee in fora, lezers leveren berichten, computers genereren links.

Tien jaar geleden was het moeilijk voorstelbaar dat de journalistiek in dit proces van vernieuwing zijn eigen uitgangspunten zo grondig ter discussie zou moeten stellen. Wie journalist was en wie niet, was duidelijk (het is een vrij beroep, maar in de praktijk bedoelen we professionele journalisten). We hielden feiten en meningen uit elkaar, bedreven ons vak fair en met open vizier, dienden de waarheid en het recht van de lezer op informatie.

Daar was, en is nog steeds, weinig mis mee. De ethiek zoals vastgelegd in de Code van Bordeaux (1954), door het Genootschap van Hoofdredacteuren (1995) en recent door de Raad voor de Journalistiek houdt journalisten nog steeds wijze spelregels voor. Maar diezelfde normen zijn steeds minder bruikbaar om het publiek uit te leggen hoe de media werken. Die tweede, externe functie van een journalistieke code raakt in het gedrang door de opkomst van internet.

Voorheen het publiek
Of journalisten van de oude stempel het leuk vinden of niet, op internet hanteren mediaconsumenten andere normen. In de eerste plaats kijken the people formerly known as the audience (Jay Rosen) niet langer lijdzaam toe, maar verwachten ze te kunnen meepraten. Dat willen ze tamelijk militant, nuance telt minder dan passie, feiten zonder laaiende mening zijn saai, de waarheid staat zelden vast en in dat vagevuur van ijdelheden heeft niemand een naam.

In een gemoderniseerde journalistieke code zal tenminste enig begrip voor die internetcultuur moeten doorklinken. Dat begint ermee dat de grenzen van wat journalistiek is, moeten worden opgerekt. Want anders dan Bart Brouwers beweert, beperkt de Raad voor de Journalistiek zich in zijn statuut wel degelijk tot professionele beroepsbeoefenaren (het is hun “hoofdberoep”, en anders werken ze “regelmatig en tegen betaling” mee aan een medium).

De “leidraad” van de Raad schiet bovendien tekort omdat het stuk weliswaar een “aanzet” wil zijn, een voorlopige status heeft, maar voor de buitenwacht niet minder is dan het laatste en tot hier toe definitieve woord over journalistieke ethiek. Omdat die leidraad amper oog heeft voor nieuwe media, en de eigenaardigheden van de internetcultuur zelfs nogal stoïcijns lijkt te negeren, zal het draagvlak onder jonge mediaconsumenten voor deze ethiek gering zijn.

Al wat journalistiek wil heten
In de discussie over een nieuwe code – geen idee waarom zoiets eufemistisch een leidraad moet heten als driekwart van de journalisten zegt een code te willen – steekt Bart Brouwers zijn nek uit met zijn pleidooi voor zo intens mogelijke lezersparticipatie. Zet de sluizen maar open, laat je slechts beperken door de wet, en leg je lezers uit dat “reaguurders” zelf verantwoordelijk zijn voor hun comments – slechts het oorspronkelijke nieuwsbericht is afkomstig van de redactie.

We zullen de journalistiek moeten oprekken om ruimte te maken voor user generated content, voor blogs van amateurs, voor bijdragen van lezers aan lokale nieuwssites, en voor wiki-achtig, in massale samenspraak geproduceerd ‘nieuws’ (denk aan de LA Times, die in een overigens hilarisch mislukt experiment een commentaar als wiki wilde maken). Het klinkt allemaal enger dan het is. Vergelijk het met de status aparte die we moesten creëren voor genres als de column (waarin ook volgens de Raad meer geoorloofd is dan in regulier nieuws).

Dat de journalistiek niet langer voorbehouden is aan professionals, begint voorstelbaar te worden. Je zou de definitie eenvoudig kunnen verruimen door te stellen dat alles journalistiek is wat, onder verwijzing naar een ethische code en het algemeen belang, van zichzelf beweert dat het journalistiek genoemd wil worden. De code verwijst dan niet meer naar een beroepsgroep (die telkens beweert genoeg te hebben aan de ‘eigen’ kranten- of omroepcode), maar naar een attitude. Die code krijgt dan ineens veel meer betekenis.

Netwerknieuws
Lang niet alles is nu opgelost. Want lang niet alle journalistieke normen die op internet zouden kunnen gelden, zouden ook gehanteerd moeten worden in dagblad of tijdschrift. Het omgekeerde gold immers ook: oude media moeten niet proberen hun spelregels op te leggen aan een publiek van nieuwe media. Andere media, andere normen.

De consequentie is misschien dat een journalistieke ethiek gelaagd moet zijn, niet alomgeldig maar zich bewust van zijn omgeving. Heel eigenaardig is dat niet; we accepteren ook dat we met andere zeden en gebruiken te maken hebben als we ons verplaatsen naar Latijns Amerika, of ons inleven in de omgangsvormen van een bejaardentehuis. En de internetcultuur kent nu eenmaal nauwelijks geografische grenzen.

Niet dat we er met die vaststelling zijn, integendeel, het begint hier pas. Want waar leggen we vervolgens de grens? Wat is nog journalistiek, en wat niet? Hoe ruim denken we?

Kunnen we de per algoritme gegenereerde headlines van Google News vangen onder een journalistieke code? Hoe kijken we aan tegen het fenomeen tagging en digging: lezers die het nieuws opnieuw ordenen door gezamenlijk informatie aan dat nieuws toe te voegen. Is die ordening een journalistieke handeling, en zo ja, wie zou je daarop moeten aanspreken? En hoe gaan we eindelijk de juridisch al jaren van alle kanten bekeken links waarderen? Zijn dat onaandoenlijke verwijzingen, zoiets als de filmladder, of juist het tegenovergestelde, pure redactionele inhoud?

Willen we iets zinnigs kunnen zeggen over al die vormen van ‘netwerknieuws’, nieuws dat alleen maar kan bestaan dankzij het netwerk, dankzij internet, dan zullen we moeten toegeven dat de huidige journalistieke codes tekortschieten. Niet dat ze overbodig zijn geworden, ze zijn alleen toe aan een grondige update. Het is als wat een Amerikaan zei over kranten: The are not dead, they just have another purpose in life.

[Deze post verschijnt ook op De Nieuwe Reporter]

Reacties zijn gesloten.